Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6269

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
22-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4952
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door belastingrente in rekening te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding de beschikking belastingrente te vernietigen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser een juiste aangifte heeft ingediend en dat de in rekening gebrachte belastingrente volledig is te wijten aan de ten onrechte door verweerder opgelegde aanslag, waarbij verweerder de keuze heeft gemaakt af te wijken van de ingediende aangifte door de uitkering van de bv niet in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-10-2020
FutD 2020-3114
V-N Vandaag 2020/2580
V-N 2020/59.2.6
NTFR 2020/3281
NLF 2020/2343 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4952

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2020 in de zaak tussen

dr. [X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.560 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.602. Hierbij is aan eiser bij beschikking € 2.560 belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar toegezegd de navorderingsaanslag te verminderen in verband met de extra aftrek voor giften aan een culturele instelling op grond van artikel 6.39a van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). De aanslag is nog niet verminderd. Verweerder heeft bij diezelfde uitspraak op bezwaar de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, geboren op [#] , is in het onderhavige jaar 100% aandeelhouder van [B] na 2011 B.V. (hierna: [B] bv). [B] bv is opgericht op [#] .

2. In het kader van de beëindiging van eisers dienstbetrekking met [C] per 1 januari 2012 is aan eiser ten laste van [B] bv een ontslagvergoeding ter grootte van € 250.736 toegekend in de vorm van een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

3. Bij brief van 22 december 2011 is aan verweerder verzocht om toestemming tot betaling van de ontslagvergoeding door [C] aan [B] bv zonder inhouding van loonheffingen. Met dagtekening 23 december 2011 heeft verweerder bevestigd dat de ontslagvergoeding aan [B] bv mocht worden betaald zonder inhouding van loonheffingen.

4. Eiser heeft op 31 maart 2015 voor het jaar 2014 aangifte ib/pvv gedaan. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 14.560 en bestaat uit een inkomen uit werk en woning van € 14.560. Het inkomen uit werk en woning betreft, onder andere, een UWV uitkering van € 35.947 en een uitkering van [B] bv van € 32.000.

5. Conform de ingediende aangifte ib/pvv 2014 is met dagtekening 26 juni 2015 een voorlopige aanslag opgelegd.

6. Op 11 januari 2016 is verweerder een boekenonderzoek gestart bij [B] bv. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is met dagtekening 27 augustus 2016 aan eiser een navorderingsaanslag ib/pvv 2012 opgelegd. Daarbij is de aangegeven uitkering uit [B] bv van € 23.000 gecorrigeerd en verhoogd met € 227.736 (totaal € 250.736), omdat volgens verweerder geen sprake is van een periodieke uitkering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g van de Wet LB.

7. Eiser heeft bij brief van 26 september 2016, ontvangen door verweerder op

26 september 2016, bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2012. Verweerder komt bij uitspraak op bezwaar van 31 maart 2017 geheel tegemoet aan het bezwaar van eiser. Naar aanleiding van het gemotiveerde bezwaar van eiser, is verweerder van mening dat inderdaad sprake is van een uitkering als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g van de Wet LB. De navorderingsaanslag ib/pvv 2012 wordt verminderd, waarbij de uitkering van [B] bv van € 250.736 wordt verminderd tot € nihil.

8. Bij brief van 31 maart 2017 heeft verweerder eiser op de hoogte gebracht dat in de verminderingsbeschikking ib/pvv 2012 per abuis de gehele uitkering van [B] bv is verminderd. Middels de vermindering van € 250.736 heeft verweerder ook de in de aangifte aangegeven uitkering van € 23.000 verminderd tot € nihil. Met dagtekening 13 mei 2017 is een tweede navorderingsaanslag ib/pvv 2012 opgelegd, waarin de uitkering van € 23.000 weer tot het inkomen uit werk en woning wordt gerekend.

9. Met dagtekening 26 april 2017 heeft verweerder de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 opgelegd aan eiser. Tevens heeft verweerder bij beschikking € 1.074 belastingrente in rekening gebracht.

10. Met dagtekening 9 juni 2017 heeft verweerder bij verminderingsbeschikking de beschikking belastingrente verminderd naar € 977.

11. Met dagtekening 26 oktober 2017 heeft verweerder de definitieve aanslag ib/pvv 2014 opgelegd aan eiser, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ nihil. De uitkering van [B] bv van € 32.000 is niet tot inkomen uit werk en woning gerekend.

12. Met dagtekening 17 november 2018 heeft verweerder de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 opgelegd aan eiser, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.560 en tevens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.602. Tevens heeft verweerder bij beschikking € 2.560 belastingrente in rekening gebracht.

13. Eiser heeft bij brief van 13 december 2018, ontvangen door verweerder op

21 december 2018, bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 en de daarbij vastgestelde beschikking belastingrente.

14. Op 5 augustus 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2014.

15. Op 21 augustus 2019 heeft verweerder uitspraak op het bezwaarschrift gedaan. Daarbij heeft verweerder het bezwaar toegewezen ten aanzien van het verzoek voor de extra aftrek voor giften aan culturele ANBI’s van 25%. Het bezwaar tegen de beschikking belastingrente heeft verweerder ongegrond verklaard.

16. Met dagtekening 22 augustus 2019 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld dat hij recht heeft op een dwangsom van € 46, wegens het niet binnen de wettelijke termijn beslissen op het bezwaarschrift.

Geschil

17.
Tussen partijen is in geschil of verweerder ter zake van de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 terecht belastingrente in rekening heeft gebracht.

18. Eiser stelt dat ten onrechte belastingrente in rekening zijn gebracht. Verweerder heeft een onjuiste aanslag ib/pvv 2014 opgelegd door de aanslag niet conform de ingediende aangifte op te leggen. Vervolgens heeft verweerder dit middels de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 hersteld en is de navorderingsaanslag opgelegd conform de ingediende aangifte. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking belastingrente.

19. Verweerder stelt dat de beschikking belastingrente terecht aan eiser is opgelegd. Ondanks dat een andere handelwijze tot minder belastingrente had kunnen leiden, is de handelswijze niet onzorgvuldig geweest. Het boekenonderzoek gaf aanleiding om af te wijken van de ingediende aangifte ib/pvv 2014. Wel had het tijdsverloop tussen de opgelegde aanslag ib/pvv 2014 en de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 korter gekund. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep betreffende de beschikking belastingrente.

20. Tussen partijen is niet meer in geschil dat eiser recht heeft op de extra aftrek van giften op grond van artikel 6.39a van de Wet IB 2001. Verweerder heeft dan ook in zijn verweerschrift geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep ten aanzien van de giftenaftrek.

21. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

22. Op grond van artikel 30cf, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: Awr) wordt met betrekking tot een aanslag die zes maanden na het einde van het tijdvak naar een te betalen bedrag wordt vastgesteld belastingrente in rekening gebracht. Nu de navorderingsaanslag betrekking heeft op het jaar 2014 en deze op 17 november 2018 is opgelegd heeft verweerder in beginsel terecht over de periode van 1 juli 2015 tot en met

17 december 2018 belastingrente in rekening gebracht.

23. Onder bijzondere omstandigheden kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur echter meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de belastingrente dient te worden gematigd (vgl. Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126).

24. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding om de beschikking belastingrente te vernietigen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser een juiste aangifte heeft ingediend en dat de in rekening gebrachte belastingrente volledig is te wijten aan de ten onrechte door verweerder opgelegde aanslag, waarbij verweerder de keuze heeft gemaakt af te wijken van de ingediende aangifte door de uitkering van [B] bv niet in aanmerking te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank doet daar niet aan af dat er discussie bestond over de kwalificatie van de uitkering. Immers bestond al op 31 maart 2017 duidelijkheid over de kwalificatie van de uitkering en is pas op 26 oktober 2017 de aanslag ib/pvv 2014 opgelegd, waarbij geen rekening is gehouden met de uitkering. Vervolgens is pas op 17 november 2018 een navorderingsaanslag ib/pvv 2014 aan eiser opgelegd, waarbij rekening is gehouden met de uitkering ad € 32.000, zoals ook in de aangifte door eiser was aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door belastingrente in rekening te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding de beschikking belastingrente te vernietigen.

25. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

26. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2014;

- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 13.310 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking belastingrente;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, op 18 augustus 2020 in aanwezigheid van mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.