Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6214

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-08-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
15.050797.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk wegens ontucht met minderjarigen (waaronder seksueel binnendringen), die behoorden tot zijn gezin of aan zijn zorg waren toevertrouwd. Verklaringen aangeefster zijn voldoende betrouwbaar en er is voldoende steunbewijs.

Vordering benadeelde partij: verletkosten van vader die zien op opgenomen verlof ten behoeve van begeleiding en ondersteuning van zijn kind dat zich als benadeelde partij heeft gevoegd, zijn niet aan te merken als verplaatste schade in de zin van de wet. In zoverre is de benadeelde partij niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0582
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.050797.20 (P)

Uitspraakdatum: 13 augustus 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 juli 2020 in de zaak tegen:

[voornaam Ve] [achternaam Ve] ,

geboren op [geboortedatum] te Hoorn,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in P.I. Veenhuizen, locatie Esserheem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.T. Kramer en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 26 september 2019 te Grootebroek, gemeente Stede Broec en/of te Onderdijk, gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland

met [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] , geboren op 1 maart 2008,

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, telkens

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 1] , te weten het telkens

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) tussen de schaamlippen en/of tegen de clitoris van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- strelen en/of wrijven met zijn vinger(s) en/of hand tussen de schaamlippen en/of van/over de clitoris van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- betasten en/of strelen van de (blote) vagina van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- betasten en/of strelen van de (blote) buik van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- strelen met zijn, verdachtes voet(en) van de binnenkant van de (het) (boven)be(e)n(en) van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- strelen met zijn, verdachtes voet(en) van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- brengen van de hand van voornoemde [naam slachtoffer 1] naar/tegen de blote penis van verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2015 tot en met 26 september 2019 te Grootebroek, gemeente Stede Broec en/of te Onderdijk, gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland

met [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] , geboren op 1 maart 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd,

buiten echt, telkens

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het (telkens)

- brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) tegen de clitoris van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- strelen en/of wrijven met zijn vinger(s) en/of hand van/over de clitoris van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- betasten en/of strelen van de (blote) vagina van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- betasten en/of strelen van de (blote) buik van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- strelen met zijn, verdachtes voet(en) van de binnenkant van de (het) (boven)be(e)n(en) van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- strelen met zijn, verdachtes voet(en) van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 1] en/of

- brengen van de hand van voornoemde [naam slachtoffer 1] naar/tegen de blote penis van verdachte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015 te Enkhuizen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] (geboren op 1 oktober 1999), die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 2] op een bed lag met haar benen omhoog, zijn penis in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] trachten te brengen/duwen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015 te Enkhuizen en/of te Zaandam en/of te Grootebroek, in elk geval in Nederland met [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] (geboren op 1 oktober 1999), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 2] , hebbende verdachte telkens

- zijn vinger(s) en/of hand(en) in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] gebracht en/of gehouden en/of

- zijn tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van die [naam slachtoffer 2] gebracht en/of de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] gelikt;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015 te Enkhuizen en/of te Zaandam en/of te Grootebroek, in elk geval in Nederland met [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] (geboren op 1 oktober 1999), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en die hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans die aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, telkens een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, (telkens) bestaande uit

- het betasten en/of strelen van de borsten van voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het betasten en/of strelen van de (binnenkant van de) benen van voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het betasten en/of strelen van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het laten aftrekken van verdachte door voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het tongzoenen van voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het likken van de binnenkant van de benen van voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het brengen van zijn, verdachtes tong in de vagina, althans tussen de schaamlippen van voornoemde [naam slachtoffer 2] gebracht en/of het likken van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] en/of

- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes vinger(s) en/of hand(en) in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] .

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en
2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder |1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Aangevoerd is dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte bij slachtoffer [naam slachtoffer 1] seksueel is binnengedrongen.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in een kortere periode dan is ten laste gelegd, te weten pas vanaf 24 augustus 2019.

De raadsman heeft de rechtbank verder verzocht om verdachte vrij te spreken van

“het betasten en/of strelen van de (blote) buik van [naam slachtoffer 1] ”, “het strelen met zijn voeten van de vagina van [naam slachtoffer 1] ” en “het brengen van de hand van [naam slachtoffer 1] naar diens blote penis” zoals opgenomen onder het onder 1 ten laste gelegde.

Wat betreft de onder 2 t/m 4 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar zijn, gelet op het tijdsverloop sinds de periode waarin het misbruik zou hebben plaatsgevonden en het moment waarop aangeefster aangifte gedaan heeft. Verder heeft de raadsman gewezen op het bestaan van negatieve beïnvloedingsfactoren vanuit de naaste omgeving van aangeefster.

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat – als de rechtbank de verklaringen van aangeefster [naam slachtoffer 2] wel voldoende betrouwbaar acht – er onvoldoende steunbewijs is.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 1 primair
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat verdachte met zijn vingers in de vagina van het slachtoffer [voornaam slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] is binnengedrongen. Daarbij betrekt de rechtbank in het bijzonder de verklaring van [naam slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor, waarin zij – na doorvragen van de interviewer over het feit of verdachte “op” of “in” haar doosje heeft gezeten – heeft verklaard dat er door verdachte “op” haar doosje is gewreven en dat verdachte “tegen” haar doosje “aan” heeft gezeten. Overigens heeft [naam slachtoffer 1] zich tijdens het studioverhoor onvoldoende specifiek uitgelaten om daarop een bewezenverklaring van feit 1 primair te baseren.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 t/m 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair

Op grond van de hierna in de bijlagen opgenomen bewijsmiddelen, blijkt dat slachtoffer [naam slachtoffer 1] in de periode waarin het seksueel misbruik plaatsvond, in het kader van een omgangsregeling, om de twee weken bij haar moeder en verdachte verbleef in Grootebroek.

De rechtbank is van oordeel dat [naam slachtoffer 1] op die momenten was toevertrouwd aan de zorg van verdachte en dat derhalve de strafverzwarende omstandigheid van artikel 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht aan de orde is.

De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat ook bewezen kan worden dat verdachte de hand van slachtoffer [naam slachtoffer 1] naar/tegen zijn blote penis heeft gebracht. [naam slachtoffer 1] heeft ten aanzien van deze handeling een zeer concrete verklaring afgelegd, namelijk dat het één keer is gebeurd en dat zij op het moment dat zij haren voelde, haar hand gelijk heeft teruggetrokken.

De door haar omschreven gewaarwording op het moment dat zij haren voelde, kan worden begrepen tegen de achtergrond van de belevingswereld van een minderjarige die, zo kan uit de verslaglegging van het studioverhoor worden afgeleid, nog geen besef had van seksualiteit. Niet gebleken is bovendien dat [naam slachtoffer 1] – mede gelet op jaar jeugdige leeftijd ten tijde van het misbruik – al bekend was met deze zeer specifieke kenmerken van een volwassen mannelijke lichaam. De verklaring komt daarom op de rechtbank authentiek over en de rechtbank acht het niet aannemelijk dat juist dit specifieke onderdeel van haar verklaring op een verzinsel zou berusten. De verklaring is op dit onderdeel derhalve bruikbaar voor het bewijs.

Bewijsoverwegingen feiten 2 t/m 4

Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat bij de vermeende seksuele handelingen slechts twee personen aanwezig zijn, in dit geval de verdachte en de aangeefster.

Het bewijs dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, kan niet uitsluitend gebaseerd zijn op de verklaringen van aangeefster. De door aangeefster verklaarde feiten en omstandigheden mogen niet op zichzelf staan, maar dienen volgens vaste rechtspraak voldoende steun te vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarbij is niet vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijsmateriaal steun vindt.

Dit brengt met zich dat de rechtbank dient te beoordelen, enerzijds, of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en anderzijds, of haar verklaringen voldoende steun vinden in overige bewijsmiddelen. Het oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar geacht wordt, kan het benodigde steunbewijs niet vervangen.

Het steunbewijs dient verder te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster

Naar het oordeel van de rechtbank is er voldoende basis om te concluderen dat de aangifte door [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] betrouwbaar is. Haar verklaringen tijdens de informatieve gesprekken zeden op 2 juni 2016 en 29 november 2019 stemmen op essentiële onderdelen overeen met de inhoud van haar aangifte op 17 december 2019. Deze aangifte stemt ook overeen met haar nadere verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris op 11 juni 2020. Door aangeefster is consistent verklaard over het misbruik door verdachte.

[voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] heeft met name in de aangifte gedetailleerd verklaard over de door verdachte gepleegde handelingen en de context daarvan, in het bijzonder over de meerdere locaties, over de gelegenheid die verdachte gehad heeft, over de handelingen die verdachte bij haar verricht heeft en over de impact die het seksueel misbruik op haar heeft gehad.

Het gegeven dat tijdens de informatieve gesprekken nog niet tot in detail door aangeefster over het misbruik is verklaard, doet aan de betrouwbaarheid van de (latere) aangifte niet af. Dergelijke informatieve gesprekken vinden immers plaats in een preparatoire setting, waarin nog niet concreet op details van het misbruik wordt ingegaan. Juist tijdens een aangifte wordt meer ingezoomd op de details en wordt daarover doorgevraagd. Het is daarom niet vreemd dat de verklaringen van aangeefster later, bij de aangifte, meer gedetailleerd zijn geworden.

Waar het gaat om details valt onder meer op wat de aangeefster heeft verklaard over de caravan op het terrein van de werkgever van de verdachte waar deze in de fase waarin de echtscheiding haar beslag kreeg verbleef. De aangeefster maakt melding van de omstandigheden ter plaatse, ook in de nachtelijke uren, en haar gevoel daarbij. De enkele opmerking van de verdachte ter terechtzitting dat de aangeefster daar nooit heeft overnacht ontdoet dit detail niet van zijn betekenis voor de beoordeling van de betrouwbaarheid.

De omstandigheid dat aangeefster pas jaren nadat het misbruik gestopt was, aangifte heeft gedaan, doet naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf evenmin afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen.

De wijze van totstandkoming van de aangifte is in dit verband van belang. Het seksueel misbruik van aangeefster door verdachte is in een gesprek tussen aangeefster en haar moeder omstreeks mei 2016 tijdens een emotionele uitbarsting tot uiting gekomen. Uit de door aangeefster en haar moeder gegeven weergave hiervan blijkt dat dit gebeurde doordat [naam slachtoffer 2] werd getriggerd door een opmerking en zij haar ervaringen niet meer voor zich kon houden. Kort daarop heeft het eerste informatieve gesprek met de politie plaatsgehad, te weten op 2 juni 2016.

Van deze emotionele uitbarsting heeft de aangeefster ook melding gemaakt in de beginfase van haar behandeling bij [instantie] , namelijk tijdens de intake op 3 oktober 2017, zo blijkt uit de verslaglegging daarvan.

Aangeefster heeft gedurende de onrustige periode tussen haar moeder en verdachte vanwege een moeilijke echtscheiding die met een rechterlijke uitspraak werd afgerond in december 2014 en de nasleep hiervan haar aangifte lange tijd niet doorgezet. Dit vormt, anders dan door de verdediging is gesuggereerd, juist een contra-indicatie voor de gedachte dat de aangifte slechts is gedaan om verdachte in een kwaad daglicht te stellen. De verklaringen van [naam slachtoffer 2] bieden voor een dergelijke conclusie evenmin een aanknopingspunt.

Ook voor het overige ziet de rechtbank geen concrete aanwijzingen dat aangeefster haar verklaring heeft verzonnen of (op onderdelen) aangedikt. Dat sprake zou zijn van “pseudoherinneringen” is in de onderhavige zaak niet door een deskundige vastgesteld en de enkele omstandigheid dat in een soortgelijke zaak door een deskundige is verklaard dat het risico op pseudoherinneringen aanzienlijk is wanneer het betrokken slachtoffer (EMDR-) therapie heeft gehad, is onvoldoende om te concluderen dat de aangifte van [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] op pseudoherinneringen berust en daarom onbetrouwbaar is. De rechtbank overweegt in dit verband dat tijdens voornoemde intake op 3 oktober 2017 is besproken dat EMDR-behandelingen in een eerdere fase juist zijn afgebroken doordat deze te confronterend waren voor de aangeefster en dat zij op dat moment de verwerking weer wilde starten.

Ten slotte volgt de rechtbank de verdediging niet in het standpunt dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn omdat zij in de tussentijd uitvoerig overleg heeft gehad met derden en daardoor zo sterk is beïnvloed, dat de aangifte niet meer onafhankelijk mag worden verondersteld. Integendeel, uit de verklaringen van, onder andere, aangeefster en haar moeder valt op te maken dat aangeefster juist niet over concrete details van het misbruik met anderen heeft gesproken.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de aangifte van [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] , gedaan op
17 december 2019, bruikbaar voor het bewijs. Het tot een andere conclusie strekkende verweer van de raadsman wordt verworpen.

Het steunbewijs

Uit de weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen in de bijlage blijkt dat de aangifte van [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] ondersteuning vindt in andere bewijsmiddelen. Meer specifiek wordt omtrent die inhoud het volgende overwogen.

De zus van verdachte, [naam zus Ve] , heeft als getuige bij de politie verklaard dat verdachte intiem omging met aangeefster en dat zij als een verliefd stel aan elkaar frunnikten als zij, verdachte en aangeefster, bij haar op bezoek kwamen. Zij heeft verdachte hier ook op aangesproken. Voort heeft zij verklaard dat zij gezien heeft dat verdachte en aangeefster samen in een zwembad zaten en elkaar aanraakten op een wijze die haar te denken gaf. Zij heeft dit ook verteld aan de moeder van [naam slachtoffer 2] , hetgeen door de laatste is bevestigd in haar verklaring.

Uit een mutatie bij de politie Enkhuizen blijkt dat [naam zus Ve] bij de moeder van aangeefster haar zorgen hierover heeft uitgesproken en tegen haar gezegd heeft dat zij zich zorgen maakte omdat zij het gevoel had dat verdachte meer in aangeefster zou zien dan alleen een dochter. De moeder van aangeefster heeft hiervan in oktober 2015 melding gedaan bij de politie. De getuige [naam zus Ve] heeft deze gang van zaken bij de politie bevestigd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de getuige [naam zus Ve] , nota bene de zus van verdachte, dit zou zeggen om verdachte een hak te zetten. Verdachte heeft desgevraagd ook verklaard dat de relatie tussen hem en zijn zus, goed was. De getuigenverklaring van verdachtes zus en de mutatie uit oktober 2015 ondersteunen de aangifte in die zin dat deze een licht werpen op de interactie tussen verdachte en aangeefster die qua aard en strekking kennelijk anders is geweest dan verwacht mag worden in een vader-dochter relatie.

De aangifte vindt daarnaast steun in de verklaring van de moeder van aangeefster, getuige [naam moeder slachtoffer 2] , zoals afgelegd bij de politie, voor wat betreft de emotionele gevolgen van het misbruik voor aangeefster.

De moeder van aangeefster heeft consistent verklaard over de hevige emotionele uitbarsting van aangeefster toen zij aan haar moeder vertelde dat zij door verdachte was misbruikt en over de innerlijke strijd dit bij aangeefster teweeg heeft gebracht.

De aangifte wordt verder ondersteund door de dossiernotities van [instantie] , een organisatie voor GGZ dienstverlening, waaruit blijkt dat aangeefster sinds oktober 2017 in gesprek is over het seksueel misbruik van de laatste partner van haar moeder, zijnde verdachte, en dat dit gepaard is gegaan met door de rapporteur bij aangeefster waargenomen spanningen en blokkades.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1 subsidiair.

hij op tijdstippen in de periode van 1 juli 2019 tot en met 26 september 2019 te Grootebroek, gemeente Stede Broec, met [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] , geboren op 1 maart 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en die aan zijn zorg was toevertrouwd, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het

brengen en houden van zijn vinger tegen de clitoris van voornoemde [naam slachtoffer 1] en

strelen en/of wrijven met zijn vinger over de clitoris van voornoemde [naam slachtoffer 1] en

betasten of strelen van de blote vagina van voornoemde [naam slachtoffer 1] en

betasten en strelen van de buik van voornoemde [naam slachtoffer 1] en

strelen met zijn voet van de binnenkant van de het bovenbeen van voornoemde [naam slachtoffer 1]

en strelen met zijn voet van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 1] en

brengen van de hand van voornoemde [naam slachtoffer 1] naar de blote penis van verdachte.

2.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015 te Enkhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] , geboren op
1 oktober 1999, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en die hij verzorgde als behorend tot zijn gezin, een ontuchtige handeling te plegen, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte, terwijl voornoemde [naam slachtoffer 2] op een bed lag met haar benen omhoog, zijn penis in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] trachten te brengen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015 te Enkhuizen en te Zaandam en te Grootebroek, met [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] , geboren op 1 oktober 1999, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt en die hij verzorgde als behorend tot zijn gezin, of die aan zijn zorg was toevertrouwd, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer 2] , hebbende verdachte telkens

zijn vingers in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] gebracht en gehouden en

zijn tong in de vagina gebracht en de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] gelikt.

4.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 september 2015 te Enkhuizen en te Zaandam en te Grootebroek met [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] , geboren op 1 oktober 1999, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt en die hij verzorgde als behorend tot zijn gezin of die aan zijn zorg was toevertrouwd, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

het betasten en strelen van de borsten van voornoemde [naam slachtoffer 2] en

het betasten of strelen van de binnenkant van de benen van voornoemde [naam slachtoffer 2] en

het strelen van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2]

en het laten aftrekken van verdachte door voornoemde [naam slachtoffer 2]

en het tongzoenen van voornoemde [naam slachtoffer 2]

en het likken van de binnenkant van de benen van voornoemde [naam slachtoffer 2]

en het brengen van zijn tong in de vagina en het likken van de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] en het brengen en houden van zijn vingers in de vagina van voornoemde [naam slachtoffer 2] .

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

Feit 2:

poging tot met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind die hij verzorgt als behorend tot zijn gezin.

Feit 3:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt als behorend tot zijn gezin of een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

Feit 4:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt als behorend tot zijn gezin of een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren en met de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden, waaronder een contactverbod ten aanzien van de beide slachtoffers en een locatieverbod, primair voor de gemeente [gemeente] en subsidiair voor de straten in [gemeente] waar slachtoffer [naam slachtoffer 2] verblijft en werkzaam is. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen worden verklaard.

Subsidiair heeft de officier van justitie betoogd om, wanneer de rechtbank niet komt tot de beslissing dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, genoemde contactverboden en locatieverbod op te leggen in de vorm van een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht en deze direct in te laten gaan.

6.2

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman bepleit om, als de rechtbank tot vrijspraak voor de feiten 2 t/m 4 concludeert, aan verdachte een straf op te leggen die niet langer is dan de tijd die reeds door hem in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met daarnaast een fors voorwaardelijke strafdeel en bijzondere voorwaarden.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van [voorletters slachtoffer 1] ( [voornaam slachtoffer 1] ) [naam slachtoffer 1] . [voornaam slachtoffer 1] is de dochter van zijn partner en zij verbleef om de twee weken bij haar moeder en verdachte. Gedurende die momenten heeft het misbruik plaatsgevonden. [voornaam slachtoffer 1] was ten tijde van het seksueel misbruik nog maar
11 jaren oud. Zij was kwetsbaar als gevolg van een verstandelijke beperking. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van [voornaam slachtoffer 1] . Hij heeft misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en de kwetsbaarheid van [voornaam slachtoffer 1] en zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen seksuele lusten. Verdachte heeft een onveilige situatie gecreëerd in een omgeving die voor [voornaam slachtoffer 1] veilig had moeten zijn, namelijk de woning waar haar moeder, die veel medische problemen heeft, verbleef. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan vaak zeer langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat [voornaam slachtoffer 1] , maar ook haar omgeving, ernstig te kampen hebben met gevoelens van verdriet, onveiligheid en machteloosheid.

Verdachte heeft bovendien [voorletters slachtoffer 2] ( [voornaam slachtoffer 2] ) [naam slachtoffer 2] gedurende een periode van bijna vier jaren seksueel misbruikt. [voornaam slachtoffer 2] is de dochter van de inmiddels ex-vrouw van verdachte en zij is door hem tijdens deze relatie erkend. [voornaam slachtoffer 2] is door verdachte misbruikt vanaf haar twaalfde tot haar vijftiende levensjaar. Het misbruik heeft veelvuldig en op verschillende locaties plaatsgevonden. Verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [voornaam slachtoffer 2] . Hij heeft misbruik gemaakt van de jonge leeftijd en de kwetsbaarheid van [voornaam slachtoffer 2] en zich ook hier uitsluitend laten leiden door zijn eigen seksuele lusten. Daarbij komt dat hij tevens misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat [voornaam slachtoffer 2] in hem mocht stellen uit hoofde van de door verdachte aangenomen vaderrol. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan vaak zeer langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Uit de schriftelijk slachtofferverklaring van [voornaam slachtoffer 2] blijkt dat zij tot op heden nog dagelijks de psychische gevolgen ondervindt van het handelen van verdachte en dat zij zich hiervoor moet laten behandelen. Ook heeft zij moeite met het aangaan van relaties en het vertrouwen van mannen.

Voorgaande feiten rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet veroordeeld is voor soortgelijke strafbare feiten.

Omtrent de persoon van verdachte is een Pro Justitia rapport d.d. 6 juni 2020 uitgebracht door T. van den Hazel, klinisch psycholoog, waarin wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. Daartoe is voornoemd rapport onder meer het volgende opgenomen:

Bij betrokkene is een autismespectrumstoornis met een lichte mate van ernst (als een

gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens) gediagnosticeerd.

Er is sprake van pedoseksueel gedrag. Er zijn aanwijzingen voor een pedofiele stoornis (als parafilie).

De vastgestelde autismespectrumstoornis werkte voor een belangrijk deel door in beide

tenlasteleggingen.

Betrokkene woonde samen met [voorletter slachtoffer 1] ’s moeder, zij kende meervoudige en blijvende beperkingen. Betrokkene werd mantelzorger, hun seksuele relatie veranderde. Samen zorgden zij in de weekenden voor haar dochter [voorletter slachtoffer 1] . Deze zorgende positie als mantelzorger en omstandig heden leidden tot druk, spanning en seksuele deprivatie.

Betrokkene is duurzaam beperkt in zijn vermogen te communiceren over emoties, beperkt in

zijn empathische vermogens, zelfregulatie en zelfcontrole. In emotionele zin kwam hij meer

op zichzelf te staan.

In het contact met [voorletter slachtoffer 1] in een vertrouwde en veilige situatie met [voorletter slachtoffer 1] verwart hij het zich ontspannen en veilig voelen met seksuele gevoelens. Hij is beperkt in zijn kritische zelfreflectie, in zijn zelfregulatie, in het perspectief nemen en zich afstemmen op en inleven in een kind. Hij kent cognitieve vervormingen. Hij laat zich leiden door zijn beleving (“ik ga dit kind een fijn gevoel bezorgen”) en seksuele opwinding. Vanuit zijn autismespectrumstoornis doorziet hij zijn eigen emoties, onlust en spanning onvoldoende. Hij kent in onvoldoende mate vaardigheden om zijn emoties te bespreken.

Onderzoeker adviseert de voorgestelde ambulante behandeling in het kader van bijzondere

voorwaarden op te leggen.

De rechtbank neemt het advies van de psycholoog over en zal verdachte de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toerekenen.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 8 juli 2020 blijkt onder meer dat de ondersteunende familierelatie enerzijds een beschermende factor is, maar anderzijds ook een risicofactor. Nu er thans nog onduidelijkheid is over de vraag of er bij verdachte sprake is van een pedofiele stoornis, acht de reclassering nader onderzoek van belang. Zij stellen bijzondere voorwaarden voor, waaronder een meldplicht, een behandelverplichting bij de Waag en contact- en locatieverboden ten behoeve van de slachtoffers.

Met de reclassering en de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat er nadere behandeling nodig is voor verdachte. Echter dient eerst straf te volgen voor de door verdachte gepleegde feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal daarbij bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit, met daaraan verbonden een meldplicht en behandelverplichting.

De rechtbank zal de officier van justitie niet volgen in de vordering tot het opleggen van een proeftijd van vijf jaren, nu zij van oordeel is dat niet is voldaan aan de in artikel 14b, tweede lid, Sr gestelde voorwaarden daarvoor.

De rechtbank acht het verder op dit moment niet opportuun om contact- en locatieverboden op te leggen als bijzondere voorwaarden. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verdachte al enige tijd geen contact meer heeft met de beide slachtoffers, terwijl er geen concrete aanwijzingen zijn om aan te nemen dat verdachte dit contact - tegen de wil van de slachtoffers- zal gaan opzoeken.

De rechtbank komt evenmin tot oplegging van voornoemde verboden in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht genoemde voorwaarden hiervoor.

Het door de reclassering voorgestelde contactverbod met ‘alle minderjarigen’ is naar het oordeel van de rechtbank geen passende reactie, gelet op de bewezenverklaarde feiten. Het misbruik, hoe naar en ernstig dit ook geweest is, vond immers alleen plaats binnen de gezinsverbanden waar verdachte destijds deel van uitmaakte.

Tot slot is de rechtbank de noodzaak van het opleggen van de voorwaarde dat de reclassering toestemming dient te krijgen van verdachte voor overleg met familie en behandelaar, buiten de aanwezigheid van verdachte, niet gebleken.

De rechtbank komt niet tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden, nu uit de opgemaakte psychologische rapportage en het reclasseringsadvies niet zonder meer is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

7 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

[voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1]

Namens de minderjarige benadeelde partij [voorletters slachtoffer 1] heeft [vader slachtoffer 1] (vader van de benadeelde partij) als wettelijk vertegenwoordiger een vordering tot schadevergoeding van € 25.519,39 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit gemaakte reis- en parkeerkosten ten behoeve van opsporing, rechtsbijstand en hulpverlening ter hoogte van € 191,-, verletkosten ter hoogte van € 328,39 en € 25.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde reis- en parkeerkosten kunnen worden toegewezen ten behoeve van [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] , als verplaatste schade. Dit zijn kosten die door een ander zijn gemaakt ten behoeve van [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] en die zij, als zij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, had kunnen vorderen.

Ten aanzien van de gevorderde verletkosten ligt dit anders, nu dit ziet op vergoeding voor de door de vader van de benadeelde partij opgenomen vrije arbeidsuren ten behoeve van begeleiding en ondersteuning van de benadeelde partij. Deze kosten kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden gekenmerkt als verplaatste schade ten behoeve van [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] . Het gaat om schade die geacht moet worden te zijn geleden door de vader van [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] en die niet is geleden door laatstgenoemde zelf. Dat betekent dat deze schade ook niet kan worden verplaatst naar de vader van de benadeelde partij.

Dit heeft tot gevolg dat de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering in zoverre afstuit op het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, Sv. Voor dit deel van de vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Tevens komt de rechtbank vergoeding van de immateriële schade ten behoeve van [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] tot een bedrag van € 5.000 billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zullen de vorderingen dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met een minderjarige] aanleiding ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] en [vader slachtoffer 1] de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

[voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2]

De benadeelde partij [voorletters slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van de onder 2 t/m 4 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De rechtbank komt vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen

[kort gezegd: poging tot ontucht met seksueel binnendringen, ontucht met seksueel binnendringen en ontucht, steeds gepleegd jegens een minderjarige] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde zich:

- op uitnodiging van de reclassering meldt bij Reclassering Nederland en zich hierna zal blijven melden gedurende een door de reclassering te bepalen periode, zo frequent als de reclassering dit nodig acht. Gedurende voornoemde periode moet de veroordeelde zich

houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

- laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra betrokkene uit detentie komt. De behandeling

duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene dient zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ten aanzien van de vordering van [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] :

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 5.191,-, bestaande uit € 191,- als vergoeding voor de materiële en € 5.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [voorletters slachtoffer 1] [naam slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.191,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Ten aanzien van de vordering van [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] :

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 10.000,-, bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [voorletters slachtoffer 2] [naam slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. N.O.P. Roché en mr. A. Buiskool, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A.K. Ramdjan,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 augustus 2020.