Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6165

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3078
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep tegen de aanslag ib/pvv 2015 gegrond. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het compromis en de omstandigheid dat verweerder voor de vastgestelde aanslagen van de voorafgaande jaren geen betalingsbewijzen heeft verlangd, dat bij eiser in redelijkheid de indruk is gewekt dat, zonder het overleggen van bewijsstukken, de zorgkosten ter zake van de Surinaamse psychiater jaarlijks voor 2/3 in aftrek gebracht mochten worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, zodat het beroep in zoverre gegrond is. Voor een verdere vermindering van het belastbare inkomen van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding. De gestelde specifieke zorgkosten, met uitzondering van de kosten ter zake van de Surinaamse psychiater, zijn door eiser onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2574
Viditax (FutD), 28-10-2020
FutD 2020-3197
NTFR 2020/3191
NLF 2020/2390 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3078

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 6 oktober 2017 voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.882. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 71.

Verweerder heeft op 14 november 2017 een bezwaarschrift van eiser ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde J.A. Klaver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [#] . Eiser heeft in 2015 geen fiscale partner.

2. Eiser en verweerder hebben ter zake van de aanslag ib/pvv 2008, tijdens de gerechtelijke procedure welke aanhangig was bij het Gerechtshof Amsterdam, ter zitting een compromis gesloten, waarbij is afgesproken dat de specifieke zorgkosten van de psychiater in Suriname voor 2/3 als ziektekosten aftrekbaar zijn (hierna: het compromis).

3. De aanslag ib/pvv 2009 is conform het compromis ambtshalve verminderd en de aanslagen ib/pvv 2010 tot en met 2013 zijn conform het compromis opgelegd.

De aanslag ib/pvv 2014 is conform het compromis opgelegd onder de voorwaarde dat eiser zijn beroep tegen de aanslag ib/pvv 2014 zou intrekken. Verweerder heeft per 1 januari 2017 het vertrouwen, ontleent aan het compromis, opgezegd.

4. Op 22 november 2016 heeft eiser een aangifte ib/pvv 2015 ingediend naar een verzamelinkomen van € 12.260. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 15.882, waarop een bedrag van € 3.622 in aftrek is gebracht als specifieke zorgkosten.

5. Met dagtekening 10 februari 2017 heeft verweerder, conform de ingediende aangifte, de voorlopige aanslag ib/pvv 2015 opgelegd.

6. Op 8 april 2017 heeft verweerder aan eiser een vragenbrief toegezonden, waarbij hem is verzocht bewijsstukken ter zake van de in de aangifte opgenomen specifieke zorgkosten te overleggen. Eiser heeft niet op de vragenbrief gereageerd.

7. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij voornemens is een aanslag op te leggen die afwijkt van de aangifte. Verweerder heeft op 29 augustus 2017 een reactie ontvangen op laatstgenoemde brief.

8. Bij brief van 18 september 2017 heeft verweerder eiser in kennis gesteld bij het opleggen van de aanslag af te zullen wijken van de ingediende aangifte.

9. Met dagtekening 6 oktober 2017 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag ib/pvv opgelegd, waarbij de aftrek specifieke zorgkosten in zijn geheel is gecorrigeerd.

10. Op 14 november 2017 heeft verweerder een bezwaarschrift van eiser ontvangen. Eiser heeft daarbij geen nadere stukken overlegd.

11. Op 13 februari 2018 heeft verweerder zijn vooraankondiging uitspraak op bezwaar aan eiser toegezonden.

12. Op 7 juni 2018 is eiser gehoord naar aanleiding van zijn bezwaarschrift. Met dagtekening 25 juni 2018 is het hoorverslag aan eiser gestuurd, waarbij hem de mogelijkheid is geboden daarop te reageren.

13. Met dagtekening 16 augustus 2018 is aan eiser nogmaals een vragenbrief toegezonden, waarbij hem is verzocht bewijsstukken ter zake van de in de aangifte opgenomen specifieke zorgkosten te overleggen. Verweerder heeft op 12 september 2018 een reactie ontvangen op laatstgenoemde brief. Eiser heeft daarbij geen nadere stukken overgelegd.

14. Bij uitspraak op bezwaar van 24 mei 2019 heeft verweerder geoordeeld dat de aftrek specifieke zorgkosten terecht in zijn geheel is gecorrigeerd.

Geschil

15.
In geschil is of eiser recht heeft op een aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Voorts beroept eiser zich, gelet op het gesloten compromis met verweerder, op het vertrouwensbeginsel.

16. Eiser stelt dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op advies van een Nederlandse psychiater drie keer per jaar onder behandeling staat van een in Suriname gevestigde psychiater. Gelet op het compromis mocht eiser erop vertrouwen dat de specifieke zorgkosten ter zake van de Surinaamse psychiater, conform het compromis, voor 2/3 in aftrek gebracht konden worden. De aanslagen ib/pvv 2008 tot en met 2014 zijn opgelegd conform het compromis, waarbij enkel een berekening van de kosten werd verlangd. Gelet op het compromis en de handelswijze van verweerder mocht eiser erop vertrouwen dat de overgelegde berekening bij de aangiften voldoende is om de kosten in aftrek te kunnen brengen. Eiser heeft dan ook de betalingsbewijzen niet bewaard. Per 1 januari 2017 heeft verweerder het vertrouwen, ontleent aan het compromis, opgezegd, waardoor pas vanaf die datum, naast de berekening van de kosten, aanvullende bewijsstukken verlangd kunnen worden om de kosten aannemelijk te maken. Verweerder handelt in strijd met het vertrouwensbeginsel door voor het jaar 2015 van eiser meer te verlangen dan de overgelegde berekening. Voorts dient te worden beoordeeld of eiser aanspraak maakt op een vergoeding van door hem geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandelingstermijn. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag 2015 tot een berekend bedrag met inachtneming van een aftrek specifieke zorgkosten van € 3.622.

17. Verweerder stelt dat geen recht op aftrek van specifieke zorgkosten bestaat. Ook de specifieke zorgkosten van de psychiater in Suriname komen niet voor aftrek in aanmerking. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat hij recht heeft op aftrek voor specifieke zorgkosten. Nu eiser de specifieke zorgkosten niet aannemelijk heeft gemaakt, stelt verweerder zich op het standpunt dat de specifieke zorgkosten niet in aftrek toelaatbaar zijn. Niet in geschil is dat, indien eiser de specifieke zorgkosten van de psychiater in Suriname aannemelijk maakt, dit conform het compromis in aftrek toelaatbaar is. Derhalve is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

18. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Vertrouwensbeginsel

19. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder de aangifte op een bepaald punt heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van omstandigheden die bij eiser de indruk hebben kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling (vgl. Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179).

20. Klaarblijkelijk is bij eiser door het gesloten compromis en de handelswijze van verweerder in de voorgaande jaren het vertrouwen gewekt dat aftrek van de specifieke zorgkosten ter zake van de Surinaamse psychiater ook met betrekking tot het onderhavige jaar door verweerder zou worden geaccepteerd.

21. Verweerder heeft ter zitting een proces verbaal overgelegd. Ten tijde van de gerechtelijke procedure is ter zitting een compromis gesloten, welk compromis is vastgelegd in het proces verbaal.

22. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het compromis en de omstandigheid dat verweerder voor de vastgestelde aanslagen van de voorafgaande jaren geen betalingsbewijzen heeft verlangd, dat bij eiser in redelijkheid de indruk is gewekt dat, zonder het overleggen van bewijsstukken, behoudens de berekening, de zorgkosten ter zake van de Surinaamse psychiater jaarlijks voor 2/3 in aftrek gebracht mochten worden. Verweerder heeft door over het haar 2015 betalingsbewijzen te verlangen, alvorens het vertrouwen opgezegd te hebben, in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt, zodat het beroep in zoverre gegrond is.

Overige specifieke zorgkosten

23. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, juncto het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiser drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten, te weten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, zoals die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

24. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidde in het onderhavige jaar – voor zover van belang – als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandeling ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

[…]

d. andere hulpmiddelen, voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt;

[…]

f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling;

g. extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels;

[…]”

25. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat dergelijke uitgaven zijn gedaan, dat de uitgaven op hem hebben gedrukt en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan.

26. De rechtbank overweegt dat verweerder de overige specifieke zorgkosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door hem gestelde kosten heeft gemaakt en op hem drukken. Eisers blote stelling dat hij deze kosten heeft gemaakt, acht de rechtbank, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, daartoe onvoldoende.

27. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, waarbij de betreffende kosten van € 2.698 ter zake van de Surinaamse psychiater in mindering dienen te worden gebracht op het door verweerder bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde verzamelinkomen. Voornoemde aftrek is als volgt berekend:

Reiskosten € 2.100

Behandeling € 1.500

Totaal € 3.600

2/3 van € 3.600 = € 2.400

40% verhoging van reiskosten € 560

Totaal € 2.960

Drempel € 262

Totaal aftrekbaar € 2.698

28. Voor een verdere vermindering van het belastbare inkomen van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding. De gestelde specifieke zorgkosten, met uitzondering van de kosten ter zake van de Surinaamse psychiater, zijn door eiser onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft deze kosten daarom terecht niet in aftrek toegelaten.

Immateriële schadevergoeding

29. Ter zitting heeft eiser een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

30. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aan eiser voor het belastingjaar 2015 opgelegde navorderingsaanslag ontvangen op 14 november 2017. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar gedaan met dagtekening 24 mei 2019. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 14 november 2017, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

31. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 14 november 2017 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 12 augustus 2020, is de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 33 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) negen maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. van het tijdsverloop in eerste aanleg dient een periode van negen maanden te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

32. Verweerder heeft de redelijke termijn van een half jaar dus met (afgerond) negen maanden overschreden. Verweerder dient daarom de schadevergoeding van € 1.000 te betalen.

33. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste fase.

Proceskosten

34. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572(1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting in beroepmet een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.184 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.000

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.