Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6162

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3106
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 ongegrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de gemaakte scholingsuitgaven niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank verklaard het beroep tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 gegrond. In lijn met Hof Amsterdam, oordeelt de rechtbank dat, verweerder in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het verbod op willekeur. Ondanks dat wellicht sprake is van repeterende onjuistheden, dienen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 vernietigd te worden op grond van de willekeurige wijze waarop het correctiebeleid is toegepast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2575
V-N 2020/57.31.7
NTFR 2020/3272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3106, HAA 19/3107 en HAA 19/3108

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2012 tot en met 2014 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.560 (2012), € 22.026 (2013) en

€ 21.641 (2014). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft verweerder aan eiser € 82 (2012), € 17 (2013) en € 21 (2014) belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft op 10 januari 2018 bezwaarschriften van eiser ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.524, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen in een geschrift beroepen ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van één van de overgelegde gedingstukken een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Betreffende het geanonimiseerde stuk verwijst de rechtbank naar de ter zitting van 2 juni 2020 gemaakte afspraken in de zaken met nummers HAA 19/2892, HAA 19/2893,

HAA 19/4944 en HAA 19/4946.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde J.A. Klaver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [#] . Eiser heeft geen fiscale partner.

2012 (HAA 19/3106)

2. Eiser heeft op 12 maart 2013 de papieren aangifte ib/pvv over 2012 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.421. De aangifte bestaat uit een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking ter hoogte van € 24.349, waarop een bedrag van € 1.091 aan specifieke zorgkosten, een bedrag van € 257 aan giften en een bedrag van

€ 580 aan studiekosten en andere scholingsuitgaven in aftrek gebracht.

3. Verweerder heeft met dagtekening 18 mei 2013 een voorlopige aanslag ib/pvv 2012 aan eiser opgelegd. Voorts heeft verweerder met dagtekening 6 september 2013 de definitieve aanslag ib/pvv 2012 aan eiser opgelegd. Beide aanslagen zijn conform de ingediende aangifte opgelegd.

2013 (HAA 19/3107)

4. Eiser heeft op 24 maart 2014 de papieren aangifte ib/pvv over 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.721. De aangifte bestaat uit een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking ter hoogte van € 22.840, waarop een bedrag van € 1.119 aan specifieke zorgkosten in aftrek is gebracht.

5. Verweerder heeft met dagtekening 31 mei 2014 de definitieve aanslag ib/pvv 2013 aan eiser opgelegd. De aanslag is conform de ingediende aangifte opgelegd.

2014 (HAA 19/3108)

6. Eiser heeft op 25 maart 2015 de papieren aangifte ib/pvv over 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.140. De aangifte bestaat uit een inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking ter hoogte van € 22.461, waarop een bedrag van € 1.321 aan specifieke zorgkosten en een bedrag van € 257 aan giften in aftrek gebracht.

7. Verweerder heeft met dagtekening 19 juni 2015 de definitieve aanslag ib/pvv 2014 aan eiser opgelegd. De aanslag is conform de ingediende aangifte opgelegd.

Alle aanslagen

8. Verweerder heeft eiser bij brieven met dagtekening 14 maart 2017 om informatie verzocht over de aangifte ib/pvv 2012 tot en met 2014. Hierop heeft eiser bij brief, ontvangen door verweerder op 29 juni 2017, gereageerd.

9. Verweerder heeft eiser bij brieven met dagtekening 4 juli 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om navorderingsaanslagen over de jaren 2012 tot met 2014 op te leggen. Hierop heeft eiser bij brief, ontvangen door verweerder op 13 juli 2017, gereageerd.

10. Verweerder heeft met dagtekening 25 november 2017 de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 aan eiser opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiser geclaimde aftrek specifieke zorgkosten na aftrek van de drempel voor een bedrag van € 814 (2013) en € 820 (2014) geaccepteerd.

11. Verweerder heeft met dagtekening 9 december 2017 de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 aan eiser opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiser geclaimde aftrekbare giften en studiekosten volledig gecorrigeerd en de geclaimde aftrek specifieke zorgkosten na aftrek van de drempel voor een bedrag van € 789 geaccepteerd.

12. Verweerder het op 28 december 2017 het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 ontvangen.

13. Verweerder heeft op 10 januari 2018 het bezwaarschrift van eiser tegen de navorderingsaanslag 2012 ontvangen.

14. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 17 december 2018 een vooraankondiging op de bezwaarschriften aan eiser verstuurd. In navolging hiervan heeft op 4 februari 2019 een hoorgesprek met de gemachtigde van eiser plaatsgevonden. Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt. De gemachtigde van eiser en verweerder hebben afgesproken dat de gemachtigde van eiser binnen vier weken bewijsstukken ter zake van de geclaimde aftrekposten toestuurt aan verweerder.

15. Verweerder heeft op 1 maart 2019 van eiser bewijsstukken ontvangen ter zake van de aftrektrekposten.

16. Verweerder heeft over het jaar 2012 met dagtekening 22 mei 2019 de motivering van de uitspraak op bezwaar verzonden. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 8 juni 2019 gedaan. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 is gegrond verklaard. Verweerder heeft na aftrek van de drempel een bedrag van € 825 aan aftrekbare zorgkosten geaccepteerd.

17. Verweerder heeft over de jaren 2013 en 2014 met dagtekening 23 mei 2019 uitspraken op bezwaar gedaan. De bezwaren tegen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 zijn ongegrond verklaard.

Geschil
18. In geschil is of verweerder terecht en voor het juiste bedrag navorderingsaanslagen ib/pvv 2012 tot en met 2014 aan eiser heeft opgelegd.

19. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, omdat een nieuw feit ontbreekt, dan wel dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Subsidiair voert eiser aan dat de navorderingsaanslagen in strijd met het correctiebeleid zijn opgelegd. Voorts meent eiser dat uit de overgelegde stukken het recht op aftrek voldoende aannemelijk is geworden. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen.

20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Tevens kan niet gesproken worden van een ambtelijk verzuim en zijn de navorderingsaanslagen niet in strijd met het correctiebeleid opgelegd. Voorts acht verweerder de opgelegde navorderingsaanslagen niet te hoog. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

21. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit & ambtelijk verzuim

22. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

23. Daarbij heeft volgens vaste jurisprudentie te gelden dat verweerder bij het vaststellen van een aanslag ib/pvv mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vgl. Hoge Raad 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3080). Redelijke, tot onderzoek nopende twijfel is niet aanwezig indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte (toch) juist is (Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NLHR:2010:BL7165 en Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082). Er moeten zich met andere woorden omstandigheden voordoen waaraan “een zo sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte (valt) te ontlenen, dat het nalaten van een onderzoek op dit punt (verweerder) als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend” (Hoge Raad 5 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7841).

24. De aangiften ib/pvv 2012 tot en met 2014 van eiser geven op zichzelf beschouwd geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De opgevoerde aftrekbare bedragen zijn niet dermate hoog dat verweerder nader onderzoek had moeten doen en ook overigens bestond tot nader onderzoek op zichzelf geen aanleiding. De omstandigheid dat verweerder de juistheid van de aftrekposten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen heeft onderzocht vormt derhalve in beginsel geen aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim.

25. De vervolgvraag is of het begin 2015 gestarte onderzoek naar de juistheid van door verschillende adviseurs waaronder (het kantoor van) de gemachtigde van eisers ingediende aangiften (waarbij het kantoor van de gemachtigde opviel door het hoge percentage aangiften met zorgkosten), en het verdere verloop van het onderzoek naar (het kantoor van) de gemachtigde tot een ander oordeel moet leiden.

26. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de weergave door verweerder van het verdere verloop van het onderzoek. Samengevat komt het verdere verloop hierop neer dat gestart is met een kleinschalig onderzoek waarbij op 30 juni 2015 173 vragenbrieven werden verstuurd, dat de resultaten daarvan geen aanleiding gaven tot uitbreiding van het onderzoek, dat vanaf begin 2016 alle digitaal ingediende aangiften waarvan de aftrekposten een bepaald bedrag te boven gingen aan onderzoek werden onderworpen en dat dit vanaf 29 april 2016 ook gebeurde met op papier ingediende aangiften voor zover die konden worden herleid tot de gemachtigde van eiser (Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1409).

27. Het ingestelde onderzoek en het verdere verloop daarvan geeft geen aanleiding tot het oordeel dat verweerder in de onderhavige zaken waarin de primitieve aanslagen ib/pvv zijn opgelegd voor de aanvang van het jaar 2016, namelijk op 6 september 2013 (2012), 31 mei 2014 (2013) en 19 juni 2015 (2014), een ambtelijk verzuim heeft begaan door de juistheid van de daarin opgevoerde kosten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen te onderzoeken. Het aanvankelijk op beperkte schaal uitgevoerde onderzoek hoefde verweerder geen aanleiding te geven ook de aangiften van eiser te onderzoeken. Die aangiften konden wel degelijk juist zijn en in ieder geval bestond de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid daartoe.

Correctiebeleid

28. Het door verweerder gehanteerde correctiebeleid van 30 maart 2011, versie 2.1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Context

In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve correctie (op de grondslag) op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt. Hier kan gesproken worden van een bepaalde irritatiegrens bij belastingplichtige die invloed kan hebben op zijn compliant gedrag. Zeker als het “bedrag” voor de belastingplichtige in geen verhouding staat tot de administratieve gevolgen van de correcties.

2. Correctiebeleid

Een bedrag van niet meer dan € 225 kan als een “gering bedrag” beschouwd worden. Op basis hiervan geldt het volgende correctiebeleid:

1. Een te hanteren bedrag aan (minimaal) te betalen belasting naar aanleiding van correcties van

€ 225 per individuele belastingaanslag, dus per middel en belastingplichtige;

2. Negatieve correcties in het voordeel van belastingplichtige worden altijd aangebracht.

3. Het te hanteren bedrag bij een inkomenscorrectie bedraagt € 500;

4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden. Dit conform de toezegging in 2009 aan de Tweede Kamer in het kader van de discussie over het ‘nieuw feit’;

(…)

7. Boven de € 225,- kan sprake zijn van een correctie van relatief geringe omvang. Op grond van zijn professional judgement bepaalt de (controle)medewerker of hiervan sprake is en of het achterwege laten van de correctie past binnen de doelstellingen van de Belastingdienst, zoals het voorkomen van irritaties. De medewerker pleegt daartoe collegiaal overleg met een M1’er of een door deze M1’er aangewezen ter zake deskundige gesprekspartner en legt dit overleg traceerbaar vast;

8. Op grond van zijn professional judgement beoordeelt de medewerker of zodra in één van de behandelde jaren de correctiegrens wordt overschreven, ook de andere behandelde jaren gecorrigeerd moeten worden. Een correctie van relatief geringe omvang kan in dit geval een argument zijn om de correctie achterwege te laten;

9. In die gevallen dat belastingplichtige inspeelt op dit interne correctiebeleid is het mogelijk dat hiervan afgeweken kan worden. Bijvoorbeeld dat de belastingplichtige door het verstrekken van onjuiste gegeven inspeelt op het correctiebeleid.

In een werkinstructie zal bovenstaand correctiebeleid zoveel mogelijk nader uitgewerkt worden voor de verschillende middelen.”

29. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat een redelijke en met de tekst van het correctiebeleid overeenstemmende uitleg van het begrip ‘repeterende onjuistheden’ is dat sprake is van repeterende onjuistheden indien bij dezelfde belastingplichtige over meer dan één jaar correcties worden aangebracht die zien op (nagenoeg) dezelfde posten. Die uitleg past ook bij de kennelijke bedoeling van het correctiebeleid om navordering achterwege te laten indien daarmee slechts een betrekkelijk gering bedrag gemoeid is. Van repeterende onjuistheden is derhalve niet al sprake als dezelfde gemachtigde in aangiften van verschillende belastingplichtigen posten heeft opgevoerd die tot correcties aanleiding geven (vgl. Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1409).

30. Vaststaat dat de navorderingsaanslag ib/pvv 2012 is opgelegd voor een te betalen bedrag van meer dan € 450. De navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 bedragen minder dan € 450, waarbij de inkomenscorrectie minder dan € 1.000 bedraagt. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ondanks het geringe bedrag van de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 toch in overeenstemming met het correctiebeleid de navorderingsaanslagen zijn opgelegd. Voor het jaar 2012 heeft verweerder de kosten, welke nagenoeg gelijk zijn aan de kosten voor de jaren 2013 en 2014, voor het eerst gecorrigeerd. Derhalve is volgens verweerder sprake van repeterende onjuistheden ter zake van de jaren 2013 en 2014.

31. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting gewezen op de uitspraak van 28 mei 2020 van Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2020:1409). Ter zake van de repeterende onjuistheden heeft Hof Amsterdam het volgende van belang zijnde overwogen:

“5.3.3.1. Van de zijde van belanghebbende is gewezen op met de onderhavige zaak vergelijkbare gevallen van andere belastingplichtigen waarbij de inspecteur (in ieder geval in 2017 en 2018) van navordering heeft afgezien gelet het daarmee gemoeide geringe bedrag hoewel sprake was van repeterende onjuistheden in de zin van het correctiebeleid. Belanghebbendes gemachtigde heeft een aantal stukken overgelegd die dat betoog ondersteunen en door de inspecteur is ook niet betwist dat dit het geval is geweest.

5.3.3.2. De inspecteur heeft ter zitting van het Hof als verklaring voor het van het correctiebeleid afwijkend handelen betoogd dat sprake was van menselijke fouten in een beperkt aantal zaken. De inspecteur heeft desgevraagd ter toelichting ook aangevoerd dat er uitdrukkelijk voor gekozen is een beperkte groep (10 tot 15 personen) op twee locaties (Amsterdam en Eindhoven) werkzame aanslagregelende ambtenaren met deze zaken te belasten, en dat deze ambtenaren de behandeling van de zaken moesten afstemmen maar dat zij “met niet al te veel instructies aan het werk zijn gezet. Daardoor zijn fouten gemaakt.

5.3.3.3. Naar het oordeel van het Hof kan uit de verklaring van de inspecteur ter zitting worden afgeleid dat de afwijkende behandeling van gelijke gevallen niet zozeer werd veroorzaakt door incidentele vergissingen of andere menselijke fouten van de aanslagregelende ambtenaren maar het directe gevolg was van het onvoldoende instrueren, waaronder het onvoldoende op de hoogte brengen van het te voeren correctiebeleid, van deze groep ambtenaren en het onvoldoende afstemmen van de toepassing van dat beleid tussen deze ambtenaren. Dit terwijl het juist de oorspronkelijke bedoeling was dat door onderlinge afstemming van de afhandeling van de zaken door een beperkte groep ambtenaren eenzelfde gedragslijn in alle gevallen zou worden gevolgd. Het gevolg van die onvoldoende instructie en afstemming is dat toepassing van het correctiebeleid niet consistent maar willekeurig uitpakte, afhankelijk van de toevallige kennisstand van de aanslagregelend ambtenaar. Dit levert strijd op met de in het algemeen rechtsbewustzijn levende beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het verbod op willekeur, en heeft tot gevolg dat ook bij repeterende onjuistheden van navordering moet worden afgezien indien het grensbedrag van € 450 niet wordt gehaald.

Daarbij tekent het Hof aan dat voor dit geding betekenis mist dat de ambtenaren later beter zijn geïnstrueerd zoals de inspecteur heeft verklaard.”

32. De rechtbank vat dit op als een beroep op de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het verbod op willekeur. In lijn met Hof Amsterdam, oordeelt de rechtbank dat, verweerder in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met het verbod op willekeur. Ondanks dat wellicht sprake is van repeterende onjuistheden, dienen de navorderingsaanslagen ib/pvv 2013 en 2014 vernietigd te worden op grond van de willekeurige wijze waarop het correctiebeleid is toegepast. De vraag of eiser terecht aanspraak maakt op meer kostenaftrek dan door verweerder bij de uitspraken op bezwaar is aanvaard, behoeft voor de jaren 2013 en 2014 geen beantwoording.

33. De navorderingaanslag ib/pvv 2012 is naar het oordeel van de rechtbank wel in overeenstemming met het correctiebeleid opgelegd, nu het te betalen bedrag meer bedraagt dan € 450. Derhalve dient de vraag beantwoord te worden of eiser terecht aanspraak maakt op meer kostenaftrek dan door verweerder bij de uitspraak op bezwaar is aanvaard.

Scholingsuitgaven 2012

34. Ingevolge artikel 6.27 van de Wet op inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking scholingsuitgaven welke door eiser zijn gemaakt voor de te volgen opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning.

35. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat dergelijke uitgaven zijn gedaan, dat de uitgaven op hem hebben gedrukt en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de gemaakte scholingsuitgaven niet aannemelijk gemaakt. Nu op eiser de last rust om de kosten aannemelijk te maken en eiser niet in die bewijslast is geslaagd, is er geen grond voor het oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet juist is.

Immateriële schadevergoeding

36. Ter zitting heeft eiser een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. Wanneer sprake is van samenhangende zaken wordt per fase van de procedure voor alle zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd (vgl. Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2016:252).

37. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 ontvangen op 28 december 2017 en het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag 2012 op 10 januari 2018. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar voor het jaar 2012 gedaan op 8 juni 2019 en voor de jaren 2013 en 2014 op 23 mei 2019. Vanaf de datum van ontvangst van het eerste bezwaarschrift, 28 december 2017, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake.

38. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 28 december 2017 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 12 augustus 2020, is de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 32 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) acht maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van het tijdsverloop in eerste aanleg dient een periode van zeven maanden te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

39. Verweerder heeft het aan hem toe te rekenen deel van de redelijke termijn van een half jaar dus met zeven maanden overschreden. Verweerder dient daarom de schadevergoeding van € 1.000 te betalen.

40. Nu sprake is van samenhangende zaken stelt de rechtbank de totale vergoeding voor eiser voor de jaren 2012 tot en met 2014 vast op € 1.000. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste fase.

Proceskosten

41. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting in beroep met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1). Gegeven de samenhang met het beroep van eiser dat is geregistreerd onder de nummers HAA 19/3107 en HAA 19/3108 wordt het bedrag mede toegekend voor de in die procedure door eiser gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de navordering over het jaar 2012 ongegrond;

- verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen 2013 en 2014 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar tegen de navordering over 2013 en 2014;

- vernietigt de navorderingsaanslag over het jaar 2013;

- vernietigt de navorderingsaanslag over het jaar 2014;

- veroordeelt verweerder in betaling van immateriële schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.