Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6157

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3197
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaard het beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een ambtelijk verzuim dat navordering in de weg staat. Tevens heeft bij eiser niet in redelijkheid de indruk kunnen ontstaan dat de specifieke zorgkosten voor de aanslag ib/pvv 2014 ook afgedaan zou worden, zonder het overleggen van betalingsbewijzen. Van opgewekt vertrouwen is dan ook geen sprake. Verder heeft eiser de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-10-2020
FutD 2020-3137
V-N Vandaag 2020/2573
NTFR 2020/3277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3197

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

(gemachtigde: J.A. Klaver),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 met dagtekening 11 november 2017 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.848. Voorts is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 43.

Verweerder heeft op 7 december 2017 een pro-forma bezwaarschrift van eiser ontvangen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.248, met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van één van de overgelegde gedingstukken een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Betreffende het geanonimiseerde stuk verwijst de rechtbank naar de ter zitting van 2 juni 2020 gemaakte afspraken in de zaken met nummers HAA 19/2892, HAA 19/2893,

HAA 19/4944 en HAA 19/4946.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2020 te Haarlem.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde J.A. Klaver. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [#] . Eiser is gehuwd met [C] (hierna: de echtgenote).

2. Eiser heeft op 18 maart 2015 de papieren aangifte ib/pvv over 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.088. De aangifte bestaat uit een inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 13.848, waarop een bedrag van € 2.760 als ‘Uitgaven specifieke zorgkosten’ in aftrek is gebracht.

3. Verweerder heeft met dagtekening 19 juni 2015 een voorlopige aanslag ib/pvv 2014 aan eiser opgelegd. Voorts heeft verweerder met dagtekening 9 april 2016 de definitieve aanslag ib/pvv 2014 aan eiser opgelegd. Beide aanslagen zijn conform de ingediende aangifte opgelegd.

4. Verweerder heeft eiser bij brief met dagtekening 14 maart 2017 om informatie verzocht over de aangifte ib/pvv 2014. Hierop heeft eiser bij brief, ontvangen op 4 april 2017 door verweerder, gereageerd.

5. Verweerder heeft eiser bij brief met dagtekening 12 juli 2017 geïnformeerd over zijn voornemen om een navorderingsaanslag op te leggen. Hierop heeft de gemachtigde van eiser bij brief, ontvangen op 25 juli 2017, gereageerd.

6. Verweerder heeft met dagtekening 11 november 2017 de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 aan eiser opgelegd. Daarbij heeft verweerder de door eiser geclaimde aftrek specifieke zorgkosten volledig gecorrigeerd.

7. Verweerder heeft op 7 december 2017 het bezwaarschrift van eiser tegen de navorderingsaanslag ontvangen. De nadere motivering van het bezwaarschrift is op

16 januari 2018 door verweerder ontvangen.

8. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 5 juni 2018 een vooraankondiging op het bezwaarschrift aan eiser verstuurd.

9 Verweerder heeft op 8 oktober 2018 van eiser bewijsstukken ontvangen ter zake van de aftrek specifieke zorgkosten.

10. Op 18 oktober 2018 heeft een hoorgesprek met de gemachtigde van eiser plaatsgevonden. Van het hoorgesprek is een verslag gemaakt.

11. Verweerder het met dagtekening 28 mei 2019 uitspraak op bezwaar gedaan. Het bezwaar tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 is gegrond verklaard. Verweerder heeft na aftrek van de drempel een bedrag van € 1.600 aan aftrekbare zorgkosten geaccepteerd.

Geschil

12.
In geschil is of verweerder terecht en voor het juiste bedrag de navorderingsaanslag ib/pvv 2014 aan eiser heeft opgelegd.

13. Eiser stelt dat geen sprake is van een nieuw feit dat het opleggen van een navorderingsaanslag mogelijk maakt. Voor zover de definitieve aanslag tot een te laag bedrag is opgelegd is dit volgens eiser te wijten aan een ambtelijk verzuim aan de zijde van verweerder. Voor wat betreft de hoogte van de navorderingsaanslag gaat het om de vraag of verweerder de door eiser beoogde aftrek van de specifieke zorgkosten terecht en op goede gronden heeft beperkt tot € 1.600. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Tevens is geen sprake van een ambtelijk verzuim. Voorts acht verweerder de opgelegde navorderingsaanslag niet te hoog is. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Nieuw feit & ambtelijk verzuim

16. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

17. Daarbij heeft volgens vaste jurisprudentie te gelden dat verweerder bij het vaststellen van een aanslag ib/pvv mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (vgl. Hoge Raad 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3080). Redelijke, tot onderzoek nopende twijfel is niet aanwezig indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte (toch) juist is (Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NLHR:2010:BL7165 en Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082). Er moeten zich met andere woorden omstandigheden voordoen waaraan “een zo sterk vermoeden voor de onjuistheid van de aangifte (valt) te ontlenen, dat het nalaten van een onderzoek op dit punt (verweerder) als een ambtelijk verzuim kan worden aangerekend (Hoge Raad 5 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7841).

18. De aangifte ib/pvv 2014 van eiser geeft op zichzelf beschouwd geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De opgevoerde bedragen aan specifieke zorgkosten zijn niet dermate hoog dat verweerder nader onderzoek had moeten doen en ook overigens bestond tot nader onderzoek op zichzelf geen aanleiding. De omstandigheid dat verweerder de juistheid van de aftrekposten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag heeft onderzocht vormt derhalve in beginsel geen aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim.

19. De vervolgvraag is of het begin 2015 gestarte onderzoek naar de juistheid van door verschillende adviseurs, waaronder (het kantoor van) de gemachtigde van eiser, ingediende aangiften (waarbij het kantoor van de gemachtigde opviel door het hoge percentage aangiften met zorgkosten), en het verdere verloop van het onderzoek naar (het kantoor van) de gemachtigde tot een ander oordeel moet leiden.

20. Er bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de weergave door verweerder van het verdere verloop van het onderzoek. Samengevat komt het verdere verloop hierop neer dat gestart is met een kleinschalig onderzoek waarbij op 30 juni 2015 173 vragenbrieven werden verstuurd, dat de resultaten daarvan geen aanleiding gaven tot uitbreiding van het onderzoek, dat vanaf begin 2016 alle digitaal ingediende aangiften waarvan de aftrekposten een bepaald bedrag te boven gingen aan onderzoek werden onderworpen en dat dit vanaf 29 april 2016 ook gebeurde met op papier ingediende aangiften voor zover die konden worden herleid tot de gemachtigde van eiser (Gerechtshof Amsterdam 28 mei 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1409).

21. Het ingestelde onderzoek en het verdere verloop daarvan geeft geen aanleiding tot het oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak waarin de primitieve aanslag ib/pvv 2014 is opgelegd voor 29 april 2016, namelijk op 9 april 2016, een ambtelijk verzuim heeft begaan door de juistheid van de daarin opgevoerde specifieke zorgkosten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslag te onderzoeken. Het aanvankelijk op beperkte schaal uitgevoerde onderzoek hoefde verweerder geen aanleiding te geven ook de aangifte van eiser te onderzoeken. Die aangifte kon wel degelijk juist zijn en in ieder geval bestond de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid daartoe.

Opgewekt vertrouwen

22. Eiser heeft een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel en heeft daartoe het volgende gesteld. Voor het jaar 2013 heeft verweerder vragen gesteld aan eiser betreffende de aftrek specifieke zorgkosten. Naar aanleiding van de beantwoording van eiser is verweerder niet overgegaan tot het opleggen van een navorderingsaanslag ib/pvv 2013. Ook heeft verweerder bij de op te leggen aanslag 2015 eiser verzocht om de specifieke zorgkosten aannemelijk te maken middels het overleggen van betalingsbewijzen. In de beroepsfase hebben verweerder en eiser voor de aanslag ib/pvv 2015 een compromis gesloten betreffende de in aftrek gebrachte specifieke zorgkosten. Nu de zorgkosten voor het jaar 2014 dezelfde zijn als in 2013 en 2015 stelt eiser dat hij erop mocht vertrouwen dat ook de zorgkosten voor het jaar 2014 in aftrek toegelaten zouden worden, zonder dat de betalingsbewijzen overgelegd hoefde te worden door eiser.

23. Het voorgaande dient klaarblijkelijk aldus te worden verstaan dat bij eiser door geen navorderingsaanslag ib/pvv 2013 op te leggen en door het compromis voor het jaar 2015, waarbij geen betalingsbewijzen werden verlangd, het vertrouwen is gewekt dat de aftrek ook met betrekking tot het onderhavige jaar door verweerder zou worden gevolgd, en dat verweerder dit vertrouwen heeft geschonden door bij de vaststelling van de aanslag ib/pvv 2014 wel betalingsbewijzen van eiser te verlangen.

24. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande niet dat bij eiser in redelijkheid de indruk heeft kunnen ontstaan dat de specifieke zorgkosten voor de aanslag ib/pvv 2014 ook afgedaan zou worden, zonder het overleggen van betalingsbewijzen. Uit de omstandigheid dat in bepaalde jaren bepaalde aftrekbare uitgaven zijn gedaan en geaccepteerd volgt immers niet dat deze uitgaven ook en tot dezelfde bedragen in een ander jaar zijn gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Aftrek specifieke zorgkosten

25. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, juncto het tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) komen voor aftrek in aanmerking de op eiser drukkende uitgaven voor specifieke zorgkosten, te weten uitgaven wegens ziekte of invaliditeit, zoals die limitatief zijn opgesomd in artikel 6.17 van de Wet IB 2001 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001.

26. Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidde in het onderhavige jaar – voor zover van belang – als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandeling ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

[…]

d. andere hulpmiddelen, voor zover deze hulpmiddelen van een zodanige aard zijn dat zij hoofdzakelijk door zieke of invalide personen worden gebruikt;

[…]

f. de extra kosten van een op medisch voorschrift gehouden dieet tot een bedrag bepaald bij ministeriële regeling;

[…]”

27. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat dergelijke uitgaven zijn gedaan, dat de uitgaven op hem hebben gedrukt en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan.

28. De rechtbank stelt vast dat eiser diverse bewijsstukken heeft ingediend. Verweerder heeft in de motivering van de uitspraak op bezwaar, met dagtekening 14 mei 2019, weergegeven welke zorgkosten door eiser zijn aangevoerd en welke kosten door verweerder zijn gehonoreerd en dit ook ter zitting nader toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet nader heeft gespecificeerd van welke specifieke zorgkosten die door verweerder niet zijn gehonoreerd, hij bewijs heeft geleverd. Nu op eiser de last rust om de kosten aannemelijk te maken en eiser niet in die bewijslast is geslaagd, is er geen grond voor het oordeel dat de uitspraak op bezwaar niet juist is.

29. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Immateriële schadevergoeding

30. Ter zitting heeft eiser een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2015, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.

31. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de aan eiser voor het belastingjaar 2014 opgelegde navorderingsaanslag ontvangen op 16 januari 2018. Verweerder heeft uitspraak op het bezwaar gedaan met dagtekening 28 mei 2019. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 16 januari 2018, tot aan de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2020 is meer dan twee jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake.

32. Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX6666 en 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199 is een termijn van zes maanden voor de behandeling van een bezwaar redelijk en voor de beroepsfase een termijn van anderhalf jaar. De rechtbank zal de toerekening van de overschrijding van de redelijke termijn bepalen met inachtneming van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Gelet op het feit dat de termijn op 16 januari 2018 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 12 augustus 2020, is de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 31 maanden. De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) zeven maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van het tijdsverloop in eerste aanleg dient een periode van zeven maanden te worden toegerekend aan de bezwaarfase.

33. Verweerder heeft het aan hem toe te rekenen deel van de redelijke termijn van een half jaar dus met zeven maanden overschreden. Verweerder dient daarom de schadevergoeding van € 1.000 te betalen.

34. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de eerste fase.

Proceskosten

35. Aangezien aan eiser een immateriële schadevergoeding wordt toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn is er aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak nu de proceskostenveroordeling enkel wordt toegekend omdat aan eiser immateriële schadevergoeding wordt toegekend, zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525.

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. van Doesburg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.