Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6110

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
15.021865.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, meermalen gepleegd en diefstal met geweld. Nadere motivering voorwaardelijk opzet op de dood en medeplegen. Nadere motivering "toebehoren".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.021865.20 en 15.162647.18 (vord tul) (P)

Uitspraakdatum: 11 augustus 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 juli 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.C.M Weijnen en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.E. Post, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:
hij op of omstreeks 23 januari 2020 te Bergen (NH) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
- een of meerdere malen geslagen met een honkbalknuppel en/of
- een of meerdere malen geslagen met een hamer en/of
- een of meerdere malen (met kracht) geslagen met (gebalde) vuist en/of hand tegen de hoofden en/of lichamen en/of
- een of meerdere malen (met kracht) geschopt tegen de hoofden en/of lichamen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 23 januari 2020 te Bergen (NH) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of een gebroken jukbeen, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2]
- een of meerdere malen met een honkbalknuppel te slaan en/of
- een of meerdere malen met een hamer te slaan en/of
- een of meerdere malen (met kracht) met (gebalde) vuist en/of hand tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of
- een of meerdere malen (met kracht) tegen het hoofd en/of lichamen te schoppen,

en/of

hij op of omstreeks 23 januari 2020 te Bergen (NH), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1]
- een of meerdere malen geslagen met een honkbalknuppel en/of
- een of meerdere malen geslagen met een hamer en/of
- een of meerdere malen (met kracht) geslagen met (gebalde) vuist en/of hand tegen de hoofden en/of lichamen en/of
- een of meerdere malen (met kracht) geschopt tegen de hoofden en/of lichamen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2:
hij op of omstreeks 23 januari 2020 te Bergen (NH), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rijbewijs (op naam gesteld van [slachtoffer 1]) en/of een bankpas (op naam gesteld van [slachtoffer 1]) en/of een bromfiets (van het merk Piaggio, type Vespa sprint, voorzien van kenteken [kenteken 1]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]
- een of meerdere malen met een honkbalknuppel te slaan en/of
- een of meerdere malen met een hamer te slaan en/of
- een of meerdere malen (met kracht) met (gebalde) vuist en/of hand tegen de hoofden en/of lichamen te slaan en/of
- een of meerdere malen (met kracht) tegen de hoofden en/of lichamen te schoppen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, met uitzondering van het schoppen tegen de hoofden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie gerekwireerd dat dit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met uitzondering van de diefstal van de bromfiets, nu niet zonder meer bewijsbaar is dat die bromfiets wederrechtelijk is weggenomen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, nu niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte enige geweldshandeling heeft verricht tegen één van de aangevers. Uit het dossier en het verhandelde op de terechtzitting kan onvoldoende worden afgeleid om hem als medepleger van dat geweld aan te merken.

Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die het rijbewijs/het pasje heeft meegenomen en verdachte bovendien in de veronderstelling verkeerde de scooter op rechtmatige gronden mee te nemen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het opzet van verdachte op de samenwerking en het delict “diefstal met geweld” ontbreekt.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsoverweging feit 1 primair:

Op grond van de in de bijlage bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn medeverdachten in de schuur van de aangevers is geweest en dat daar de aangevers ernstig zijn mishandeld, waarbij slagwapens zijn gebruikt tegen beide aangevers.

Het verweer dat de verdachte niet binnen is geweest ten tijde van het geweld wordt als volgt verworpen.

De rechtbank bezigt de verklaringen van de slachtoffers over de gang van zaken. Deze komen op tal van punten overeen. Zo hebben de slachtoffers de zelfde signalementen van de daders opgegeven en hebben zij gelijkluidende verklaringen afgelegd over het geweld dat is toegepast op [slachtoffer 2]. Bovendien heeft [slachtoffer 1] verklaard over de jongste dader (de verdachte) dat hij zijn jas van hem moest uittrekken en dat hij later zijn jas, zonder de pasjes erin heeft teruggevonden in de loods. Verdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij één van de anderen heeft horen zeggen dat iemand zei “trek je jas uit en geef me dit en geef me dat”. De weggenomen pasjes lagen in de bus in het dashboard van de bijrijdersstoel waarop de verdachte zat ten tijde van de aanhouding, kort na het incident.

Bovendien zijn de verklaringen van de slachtoffers gedetailleerd op een opvallende wijze; ze komen overeen wat betreft de handelingen die door elk van de verdachten zijn verricht maar bovendien ook waar de verdachte en de mededaders expliciet op onderdelen worden ontlast. In dit licht bezien acht de rechtbank ook de verklaring van [slachtoffer 1] over het gebruik van een hamer door verdachte bruikbaar voor het bewijs.

Voorts had de verdachte bloed aan de broek bij zijn aanhouding. Hij heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven.

Maatstaf

De rechtbank stelt vast dat noch het procesdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de verdachte de dood van aangevers heeft beoogd. Opzet in onvoorwaardelijke vorm kan daarom niet worden aangenomen. De vraag is vervolgens of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangevers.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangevers – aanwezig is indien verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Aanmerkelijke kans op de dood

De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of het gepleegde geweld, waarvan de bewijsmiddelen doen blijken, de aanmerkelijke kans op de dood van één of beide slachtoffers heeft doen ontstaan, geabstraheerd van de vraag welke verdachte voor dit geweld strafrechtelijk verantwoordelijk is te houden.

Het uit de bewijsmiddelen blijkende hevige geweld dat tegen beide slachtoffers is gepleegd levert naar het oordeel van rechtbank de aanmerkelijke kans op dat zij beiden hierdoor zouden komen te overlijden. Daartoe is van belang dat zij meermalen op vele plaatsen van het lichaam met kracht, welbewust en doelgericht zijn geslagen met slagwapens bestaande uit een honkbalknuppel en een hamer. Ook hebben zij vuistslagen gekregen, onder meer tegen het hoofd.

Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel maar ook de andere delen van de lichamen van de slachtoffers die zijn geraakt bevinden zich in enkele gevallen in de directe nabijheid van vitale organen.

Dat het toegepaste geweld aanzienlijk en potentieel fataal was vindt bovendien bevestiging in de aard, ernst en uitgebreidheid van de verwondingen die aangevers, met name [slachtoffer 2], hierdoor hebben opgelopen.

Opzet

Heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangevers bewust aanvaard?

Uit de verklaringen van de verdachte of zijn medeverdachten kan dit niet worden afgeleid. Evenmin biedt het dossier anderszins rechtstreekse aanknopingspunten voor die intentie. Het geweld dat de verdachte heeft toegepast op [slachtoffer 1] (slaan met een hamer op het hoofd) kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm evenwel worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel, dat naar het oordeel van de rechtbank het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van deze aangever als gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties daarvoor is niet gebleken.

Medeplegen

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte als medepleger van poging tot doodslag op beide slachtoffers kan worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en zijn medeverdachten gedrieën gelijktijdig, gedurende enige tijd, in een besloten schuur excessief geweld met slagwapens hebben uitgeoefend tegen de twee aangevers. Dit kan niet anders worden aangemerkt dan als een gezamenlijk optreden, waaraan de verdachte bewust heeft deelgenomen.

Verdachte heeft aan het uitgeoefende geweld, dat voor beide slachtoffers tot de dood had kunnen leiden, bij de uitvoering ervan een wezenlijke bijdrage geleverd. Aldus is sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.

Daar komt bij dat verdachte en zijn mededaders de slachtoffers gehavend en hevig bloedend hebben achtergelaten, met medeneming van de scooter waarom het hen te doen was. Ook dit laatste acht de rechtbank redengevend voor het bewijs van het medeplegen.

De rechtbank wil wel aannemen dat er wellicht een zekere rolverdeling heeft bestaan tussen de daders waar het gaat om de geweldshandelingen en het slachtoffer of slachtoffers op wie zij zich elk in het bijzonder hebben gericht. Dat doet echter niet af aan de uit de bewijsmiddelen blijkende acceptatie aan de zijde van de verdachte van het toegepaste geweld als geheel.

Bewijsoverweging feit 2:

De officier van justitie en de raadsvrouw hebben beiden betoogd dat verdachte en zijn mededaders de bromfiets niet met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen.

Allereerst staat in dit verband ter beoordeling of sprake was van “toebehoren” in de zin van artikel 310 en volgende Sr. Daartoe zijn de civielrechtelijke verhoudingen niet beslissend. Het begrip “toebehoren” dient ruimer, in overeenstemming met het belang dat de strafbaarstelling beoogt te beschermen worden uitgelegd. De bromfiets bevond zich in de beschikkingsmacht van de slachtoffers. Dat is voldoende om toebehoren aan te nemen. Het doet in dit verband niet ter zake dat zij mogelijk niet de rechthebbenden van de bromfiets waren. Daarmee is tevens sprake geweest van wegnemen als bedoeld in de delictsomschrijving.

Vervolgens is de vraag of het bestanddeel “wederrechtelijk” kan worden bewezen. Ook die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend reeds gelet op de wijze waarop de wegnemingshandeling is verricht.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair:
hij op 23 januari 2020 te Bergen (NH), tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
- meerdere malen heeft geslagen met een honkbalknuppel en
- meerdere malen heeft geslagen met een hamer en
- meerdere malen met kracht heeft geslagen met gebalde vuist tegen de hoofden en/of lichamen en
- meerdere malen met kracht heeft geschopt tegen de lichamen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Feit 2:
hij op 23 januari 2020 te Bergen (NH), tezamen en in vereniging met anderen, een bromfiets (van het merk Piaggio, type Vespa sprint, voorzien van kenteken [kenteken 1]), die toebehoorde aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
- meerdere malen met een honkbalknuppel te slaan en
- meerdere malen met een hamer te slaan en
- meerdere malen met kracht met gebalde vuist tegen de hoofden en lichamen te slaan en
- meerdere malen met kracht tegen de lichamen te schoppen.

en

hij op 23 januari 2020 te Bergen (NH), een rijbewijs (op naam gesteld van [slachtoffer 1]) en/of een bankpas (op naam gesteld van [slachtoffer 1]) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

- meerdere malen met een honkbalknuppel te slaan en

- meerdere malen met een hamer te slaan en

- meerdere malen met kracht met gebalde vuist tegen de hoofden en lichamen te slaan en

- meerdere malen met kracht tegen de lichamen te schoppen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een locatie- en contactverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen voor de duur van drie jaren, en daarbij te bepalen dat per overtreding twee weken vervangende hechtenis wordt opgelegd, met bevel van dadelijke uitvoerbaarheid.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de inhoud van het reclasseringsadvies. Verdachte wenst zich te blijven inzetten voor het lopende traject dat de reclassering voor hem heeft uitgezet en hij hoopt dit te mogen voortzetten, zodat hij aan een positieve toekomst kan werken zonder eerst terug de gevangenis in te moeten.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Online werd een scooter te koop aangeboden. De dochter van één van de verdachten, [medeverdachte 1], herkende deze scooter als haar gestolen scooter. Verdachte [medeverdachte 1] wilde de scooter terug. Hij heeft een afspraak gemaakt met [slachtoffer 2] om de scooter te bezichtigen en is vervolgens samen met verdachte [verdachte] naar de woonplaats van de slachtoffers gereden, waar zij zich hebben voorgedaan als vader en zoon en als geïnteresseerden voor de scooter. Verdachte [medeverdachte 2] is ook ter plaatse gegaan. [medeverdachte 1] en [verdachte] bekeken samen met de slachtoffers de scooter. Op het moment dat de slachtoffers onraad roken en de schuur in zijn gevlucht, is [medeverdachte 2], na een seintje van [medeverdachte 1], met medeneming van een honkbalknuppel, uit zijn auto gekomen. Hij heeft het raam van de schuurdeur ingeslagen en zich vervolgens, samen met [medeverdachte 1] en [verdachte], ongeveer tien minuten lang, schuldig gemaakt aan ernstige geweldsuitoefening op twee minderjarige slachtoffers, die daarbij geen kant op konden. Ook is de scooter, na toepassing van al dit geweld, gestolen. De slachtoffers zijn onder meer met slagwapens op het hoofd geslagen. Door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten moesten beide slachtoffers met ernstige verwondingen, onder andere gaten en breuken in het hoofd en in het gezicht, worden opgenomen op de afdeling Eerste Hulp van het ziekenhuis, waarna [slachtoffer 2] is geopereerd. De gelukkige omstandigheid dat beide slachtoffers deze geweldshandelingen hebben overleefd is geenszins aan verdachte en zijn mededaders te danken.

Door zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit van aangevers geschonden en hun leven in gevaar gebracht. Uit de toelichting bij de vorderingen van de benadeelde partijen en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat aangevers getraumatiseerd zijn en nog dagelijks te kampen hebben met de psychische en lichamelijke gevolgen hiervan. Dit wordt verdachte ernstig aangerekend.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 mei 2020, waaruit onder meer blijkt dat verdachte in 2018 is veroordeeld voor diefstal met geweld.

Alles afwegende, met name gelet op het hevige geweld, is de rechtbank van oordeel dat niet anders dan een vrijheidsbenemende straf moet worden opgelegd, in de vorm van gevangenisstraf van 24 maanden. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

De rechtbank ziet geen reden de gevorderde maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7 Vordering benadeelde partijen

7.1.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.596,87 ingediend tegen verdachte wegens een bedrag van € 1.596,87 materiële en een bedrag van € 6.000,- immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 primair ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit kosten nieuwe telefoon, nieuw rijbewijs, therapeutische behandeling en coaching, daggeld ziekenhuis en vervanging ruit alsmede een bedrag aan smartengeld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, met uitzondering van de kosten voor het vervangen van de ruit, moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij moet niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover die ziet op de kosten voor de vervanging van de ruit. Deze ruit behoorde toe aan de vader van benadeelde.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het tegen benadeelde [slachtoffer 2] gepleegde geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 1.108,70 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Tevens komt de rechtbank vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank is van oordeel dat wat betreft de gestelde materiële schade met betrekking tot vervanging van de ruit, groot € 488,17 niet is gebleken dat deze door de benadeelde partij is geleden. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen poging doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.240,72 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten van aanschaf nieuwe telefoon, therapeutisch consult, schade jas en ziekenhuisdaggeldvergoeding.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte moet worden vrijgesproken van het tegen benadeelde [slachtoffer 1] gepleegde geweld.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen poging doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.3.

Vordering benadeelde partij [benadeelde] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 488,17 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit kosten vervanging ruit.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, nu verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De vordering zal dus worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van poging tot doodslag] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 14 december 2018 in de zaak met parketnummer 15.162647.18 heeft de rechtbank Noord-Holland verdachte ter zake van inbraken en opzetheling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 8 januari 2019 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 29 december 2018.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 36f, 45, 47, 57, 287, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst deels toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 7.108,70 (zevenduizend honderdacht euro en zeventig cent), bestaande uit € 1.108,70 als vergoeding voor de materiële en € 6.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.108,70 (zevenduizend honderdacht euro en zeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 3.240,72 (drieduizend tweehonderdveertig euro en tweeënzeventig cent), bestaande uit € 740,72 als vergoeding voor de materiële en € 2.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.240,72 (drieduizend tweehonderdveertig euro en tweeënzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 42 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 488,17 (vierhonderd achtentachtig euro en zeventien cent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 488,17 (vierhonderd achtentachtig euro en zeventien cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15.162647.18 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland d.d. 14 december 2018.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis waarvan de tenuitvoerlegging reeds is geschorst.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mr. I.S. Burggraaff en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juli 2020.

Mr. C.H. de Jonge van Ellemeet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 28 juli 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.

[betrokkene 1] vroeg of ik met haar vader een scooter wilde ophalen. Ik moest doen alsof ik de zoon van [medeverdachte 1] was en alsof ik geïnteresseerd was in de scooter. Ik ben met [medeverdachte 1] in zijn bus naar Bergen gereden. Een jongen bracht ons naar een schuurtje.

Een proces-verbaal van aangifte. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2020 door [aangever], namens aangever [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] afgelegde verklaring (Z1, blz. 1 en 2):

Ik doe aangifte namens mijn zoon [slachtoffer 1] van zware mishandeling, dan wel poging doodslag in Bergen Op 23 januari 2020 omstreeks 20.30 uur, kwam [slachtoffer 1] thuis. Ik zag dat [slachtoffer 1] helemaal onder het bloed zat en hoorde hem zeggen dat hij in elkaar geslagen was. [slachtoffer 1] kwam verward over. [slachtoffer 1] heeft twee gaten in zijn hoofd, welke met krammen dicht zijn gemaakt. Ook heeft hij een enorme bult op zijn hoofd. Hij heeft zeer waarschijnlijk een zware hersenschudding.

Een proces-verbaal van aangifte. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2020 door [benadeelde] namens aangever [slachtoffer 2] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 2] afgelegde verklaring (Z2, blz. 1 t/m 3):

Ik doe aangifte van poging doodslag op mijn zoon, die gisteravond 23 januari 2020 heeft plaatsgevonden in Bergen. [slachtoffer 2] ligt op dit moment in het Noordwest ziekenhuis in Alkmaar. [slachtoffer 2] zijn kaak en zijn linker jukbeen zijn gebroken. [slachtoffer 2] heeft over zijn hele lichaam klappen gekregen met een honkbalknuppel.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 26 januari 2020 door aangever [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] afgelegde verklaring (Z1, blz. 5 t/m 9):

[slachtoffer 2] werd in de middag van 23 januari 2020 gebeld of hij iemand een scooter kon laten bezichtigen. [slachtoffer 2] kon dat wel en ik zou er bij zijn. [slachtoffer 2] kwam aanrijden en diegene met wie hij had afgesproken bij de loods in Bergen. Het waren er 2, het leken wel vader en zoon. Ze kwamen bij de scooter kijken. Ze wilden even overleggen buiten. Omdat ik het al niet vertrouwde ging ik ook buiten staan. Toen riep [slachtoffer 2] ineens: “[slachtoffer 1] ”. Ik rende naar binnen en ik dacht dat [slachtoffer 2] de deur op slot deed. Die mannen kwamen nu met z’n drieën. Ik zag 1 honkbalknuppel. Daar sloegen ze het raam van de deur mee in en toen kwamen ze binnen. Het ging toen heel snel allemaal. [slachtoffer 2] en ik renden richting de nooddeur maar die kregen we niet open. Daar achterin de loods werden we helemaal in elkaar geslagen. Ze sloegen meerdere keren met een hamer en met een honkbalknuppel. Ik werd getrapt in mijn ballen en geslagen op mijn hoofd. Ze sloegen mij met die honkbalknuppel in mijn buik, maar doordat ik mijn spieren aanspande brak die knuppel. Eén pakte toen het voorste deel van de honkbalknuppel en één pakte het achterste gedeelte van de knuppel. Ik geloof dat ik met het achterste gedeelte hierna 2 keer op mijn hoofd ben geslagen. Na die eerste klap, ik had toen mijn handen over mijn hoofd, keek ik naar mijn handen en zag ik alleen maar bloed. Toen ik dit zag werd ik nog een keer op mijn hoofd geslagen. Ze sloegen [slachtoffer 2] ook helemaal in elkaar hetzelfde als bij mij eigenlijk.

Dader 1 (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) en 2 (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) kwamen op mij over als vader en zoon. Ik zag de honkbalknuppel bij dader 3 (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) in zijn handen. Dader 2 had de hamer en dader 1 en 3 een deel van de honkbalknuppel die dus door midden was gebroken. Ik dacht echt dat ik dood zou gaan. Ze hebben een minuut of 10 met zijn drieën op ons ingeslagen met een hamer en een honkbalknuppel. Er is meerdere keren met die knuppel op mijn hoofd geslagen, waarbij ik mij heb verweerd met mijn handen. Ondanks dat ben ik wel meerdere keren geraakt op mijn hoofd en ook veel keren op mijn handen, op mijn rug en benen ben ik ook meerdere keren geslagen. Ze hebben alle 3 die knuppel vast gehad, of delen daarvan en ze hebben mij er alle drie mee geslagen. Ik heb dader 2 een hamer uit de loods zien pakken en daar sloeg hij mij mee op mijn hoofd. Ik heb dader 3 voornamelijk [slachtoffer 2] zien slaan.

Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 5 februari 2020 door aangever [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisant afgelegde nadere verklaring (Z1, blz. 10):

Ik heb dader 2 de hamer zien pakken. Deze lag op het witte tafeltje aan de rechterzijde in de loods. Vervolgens liep hij met de hamer op mij af. Hij hield de hamer laag in zijn rechterhand. Ik ging vervolgens in de verdedigingsmodus. Ik boog mij voorover, sloot mijn ogen en deed mijn armen ter bescherming over mijn hoofd. Daarop voelde ik een klap op mijn achterhoofd. Ik ben er 99,9% zeker van dat dader 2 mij met de hamer op mijn hoofd heeft geslagen.

Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 4 maart 2020 door aangever [slachtoffer 1] ten overstaan van verbalisant afgelegde nadere verklaring (Z1, blz. 10a):

Ik moest van de jongste dader ([verdachte]) mijn jas uittrekken. Deze heb ik toen op de grond gegooid. Nadat de daders waren vertrokken, vond ik mijn jas terug in de loods. In mijn jas zaten zes pasjes, waaronder mijn bankpassen. Deze waren eruit gehaald.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 26 januari 2020 door aangever [slachtoffer 2] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 5] afgelegde verklaring (Z2, blz. 4 t/m 7):

Ik heb op 23 januari 2020 telefonisch gesproken met degene die mijn scooter wilde kopen. Ik heb een afspraak gemaakt om 20.00 uur. Toen heb ik samen met [slachtoffer 1] de scooter laten zien aan twee mannen, een wat jongere en een wat oudere. Toen zeiden ze dat ze even 5 minuten gingen overleggen over de scooter. Toen zag ik opeens drie mannen. Eentje had iets achter zijn rug, dat was een knuppel. Ik zag de man met die knuppel . Toen deed ik gelukkig de deur heel snel dicht, net voor hun neus en toen dacht ik dat we veilig waren maar in plaats dat ze de deur gewoon open maakten, sloegen ze gelijk het raam van de deur in.
Op dat moment begonnen ze te slaan met de knuppel, een hamer en hun vuisten. Ik weet dat ik alleen maar geslagen ben door een man met een knuppel. Ik heb vuisten gezien. Ik hoorde van [slachtoffer 1] over die hamer. Ik ben heel veel geslagen en ik heb heel veel geblokt, afgeweerd. Ik denk dat we zeker wel 7 minuten binnen zijn geweest met die mannen.

Ik heb mijn pinpas moeten geven met mijn code.
Toen zag ik [slachtoffer 1] op de grond liggen en toen kwamen ze met zijn tweeën op mij af. Ik was in de hoek gedreven. Niet de man met de knuppel maar een andere man, zwaaide met iets in zijn handen, naar mijn knieën toe. Uit reflex probeerde ik dat 'iets' af te wenden met mijn handen en toen kreeg ik van de man met de knuppel, een klap met die knuppel tegen mijn hoofd. Dit was de hardste klap die ik gehad heb. Ik zag daarna bijna niets meer. Ik zag alles vierdubbel. Ik weet dat de honkbalknuppel kapot is geslagen. De man met de knuppel riep tussendoor ook steeds dat ik de scooter buiten moest zetten.

De oudere man uit de bus heeft meer bij [slachtoffer 1] gedaan en op het laatst waren de twee oudere mannen bij mij. De oudere man uit de bus sloeg mij met iets tegen mijn knieën en de man met de knuppel sloeg mij toen met die knuppel tegen mijn hoofd. De man uit de bus sloeg [slachtoffer 1] wel vaak. Deze man heeft mij denk ik, twee keer geslagen, een keer tegen mijn knieën en een keer met zijn vuist. De man met de knuppel zei tegen mij dat ik op mijn knieën moest gaan zitten. Ik denk dat deze man mij ongeveer 30 keer heeft geslagen met die knuppel.

Een schriftelijke bescheid van forensisch arts B. Kruyver, inhoudende de letselrapportage betrekking tot [slachtoffer 1] . Dit geschrift houdt onder meer in (Z1, blz. 12 t/m 21):

datum letselonderzoek 26-01-2020

De gemelde toedracht past goed bij het letsel.
toelichting:
Er is sprake van huidverkleuringen passende bij een stompe geweldsinwerking, zoals bv door slaan/schoppen al of niet met een voorwerp.
De lijnvormige huidbeschadigingen aan de behaarde hoofdhuid kunnen bij een stompe geweldsinwerking passen als dit scheur/splijtwonden betreffen. Eventueel kunnen deze huidbeschadigingen ook passen bij een contact met een scherprandig voorwerp, als het meer snijwonden zouden betreffen.
De lijnvormige huidbeschadigingen aan de rechterhand kunnen passen bij een contact met een scherprandig voorwerp.

Een schriftelijke bescheid, inhoudende een brief verslag van forensisch arts B. Kruijver inhoudende een bericht van de afdeling Spoedeisende Hulp van het Noordwest ziekenhuis in [geboorteplaats] inhoudende (Z1, blz. 22 en 23):

[slachtoffer 1] bezocht op 23 januari 2020 de afdeling Spoedeisende hulp.

Conclusie:

17-jarige man met blanco voorgeschiedenis presenteert zich na een handgemeen waarbij opgelopen:

1. Trauma capitis (hoofdtrauma) met multipele hematomen (meerdere bloeduitstortingen), amnesie (geheugenverlies), bewustzijnsverlies

2. Barstwond 2x behaarde hoofdhuid wv gesloten middels agraves (nietjes).

3. Pijnklachten hand links; contusie.

4. Pijnklachten hand rechts; contusie. .

5. Pijnklachten hemithorax (1 zijde borstkas) / scapula blad (schouderblad); contusie .

6. Strangulatie; striem in hals rechts, CTa hals; 7. CK (bepaalde labwaarde) verhoogd tgv multipele verwondingen.

Een schriftelijke bescheid van forensisch arts B. Kruyver, inhoudende de letselrapportage betrekking tot [slachtoffer 2]. Dit geschrift houdt onder meer in (Z2, blz. 10 t/m 18):

datum letselonderzoek 26-01-2020
de gemelde toedracht past goed bij het letsel
toelichting:
Er is sprake van letsel passende bij een stompe geweldsinwerking, zoals bv door slaan/schoppen al of niet met een voorwerp.
De lijnvormige huidbeschadigingen in het aangezicht kunnen bij een stompe geweldsinwerking passen als dit scheur/splijtwonden betreffen. Eventueel kunnen deze huidbeschadigingen ook passen bij een contact met een scherprandig voorwerp, als het meer snijwonden zouden betreffen.
De huidverkleuringen aan de linkerzijde van de rug, buitenzijde linker bovenarm en linker bovenbeen vertonen de specifieke kenmerken van letsel dat het gevolg kan zijn van een geweldsinwerking met een cilindrisch voorwerp, zoals bv door slaan met een knuppel. Het zogenaamde "tramline-bruisíng".

Een schriftelijke bescheid, inhoudende een brief verslag van forensisch arts B. Kruijver inhoudende een bericht van de afdeling Spoedeisende Hulp van het Noordwest ziekenhuis in Alkmaar met betrekking tot [slachtoffer 2], inhoudende (Z2, blz. 19 t/m 22):

Bovengenoemde patiënt bezocht op 23-01-2020 de afdeling Spoedeisende hulp.
Conclusie:
17 jarige man met status na mishandeling met:
1. Trauma capitís (hoofdtrauma) zonder traumatisch intracranieel letsel (zonder afwijkingen schedelinhoud).
2. Lefort type lll eenzijdig links met uitgebreide aangezichtsfracturen links.
3. Contusie thorax (borstkas) links.

Mond-Kaak-Aangezicht Chirurgie:
24-01-2020 Kliniek: vervolgconsult
Lichamelijk onderzoek:
Laceratie (scheurwond) infra-orbitaal links, reeds gehecht, enkele excoriaties (huidbeschadigingen) aangezicht.

Diagnose:
Zygomafractuur (breuk jukbeen) links met dislocatie en functionele stoornis.

24-01-2020 | Operatie verslag.
Samenvatting OK Verslag:
Repositie en fixatie linker zmc-fractuur, plaatje laterale orbita rand links.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6], gedateerd 23 januari 2020 (E5, blz 1 en 2):

Op 23 januari 2020 omstreeks 2020 hoorde ik dat de meldkamer de melding uitgaf dat er op de [adres 2] zou zijn gevochten. Op dat moment hoorde ik dat hoofdagent [verbalisant 7] aangaf dat hij op de plaats van het incident en witte gesloten bestelbus met hoge snelheid zag wegrijden Ik zag dat de bestelbus voorzien van het kenteken [kenteken 2] stopte.

Ik zag dat de bestuurder van de bestelbus een bezweet voorhoofd had en zich nerveus gedroeg. Ik zag dat de man bebloede handen had. De man gaf mij een rijbewijs op naam van: [medeverdachte 1] Ik zag in de cabine van de bestelbus dat op de passagiersstoel een man zitten die ik direct ambtshalve herkende als: [verdachte].
Ik hoorde dat [medeverdachte 1] tegen mij zei: "Het is zojuist fout gegaan, er is gevochten. De scooter van mijn dochter, ter waarde van 3000 euro, is gisteren gestolen. Deze scooter is vandaag te koop aangeboden op internet voor 400 euro, en ik ben naar de verkoper gegaan om de scooter te halen. Vervolgens zijn we gaan vechten. Het bloed op mijn handen is van die ander".
Ik zag in de bestelbus een donkergrijze scooter staan. Ook zag ik een bebloede knuppel liggen naast de scooter.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] gedateerd 23 januari 2020 (E1, blz. 1 t/m 3):

Op donderdag 23 januari 2020, omstreeks 20.20 uur, was ik ter plaatse op de Oosterweg. Ik zag dat collega [verbalisant 6] met de bestuurder van de witte bestelauto, naast die auto stonden te praten. Ik hield de passagier staande. De passagier gaf mij daarna gevraagd op te zijn genaamd: [verdachte]
Ik zag in de bestelbus een Piaggio scooter liggen. Ook zag ik naast de scooter een deel van een houten honkbalknuppel liggen. Ik zag dat er rode strepen, van vermoedelijk bloed, op de knuppel zaten. Aan het bureau van politie heb ik op verzoek van de afdeling Forensische Opsporing de kleding van verdachte [verdachte] in beslag genomen. Ik zag dat er vermoedelijk bloed op de rechterknie van de broek van de verdachte zat.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] (E2, blz. 1 en 2):

[verbalisant 6] vroeg mij om het voertuig [kenteken 2] over te brengen naar het bureau van politie in Alkmaar. Ik zag dat in een open gedeelte van het dashboard enkele pasjes lagen. Ik zag dat er een rijbewijs tussen lag. Ik pakte het rijbewijs en ik zag dat de houder van het rijbewijs een [slachtoffer 1] van [geboortedatum 2] moest zijn. Achter in het voertuig zag ik een grijze scooter liggen. Ik zag dat de scooter als gestolen gesignaleerd stond.
Verder zag ik dat er nabij de achterdeuren, daar waar ik de scooter had weg getild, een gedeelte van een honkbalknuppel lag. Ik herkende het uiteinde van de knuppel als het gedeelte waar je je handen omheen doet om de knuppel vast te houden. Ik zag dat er gedeelten rood gekleurd waren. De knuppel lag in een stuk handdoek.

Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (E8):

Op 24/01/2020 heb ik in het voertuig gekeken waarin de verdachten zijn aangehouden. Ik zag dat bovenop het dashboardkastje een groene ABN-AMRO bankpas lag. Dit was bij het gedeelte waar de passagier zit. Ik zag dat het bankpasje op naam stond van: [betrokkene 2] en [betrokkene 3]

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2020 door verdachte [verdachte] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 10] afgelegde verklaring (C10 t/m C13):

De jongen liep naar een schuurtje. In dat schuurtje zag ik nog een jongen en ik zag meerdere scooters. De vader van [betrokkene 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) herkende de scooter van [betrokkene 1] en vroeg aan de jongens of wij even vijf minuten bedenktijd mochten hebben. Toen wij terug liepen richting het busje kwam er een andere man aanlopen.
We hebben de scooter met zijn drieën achter in het busje gelegd.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 24 januari 2020 door verdachte [medeverdachte 1] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] afgelegde verklaring (B 9 t/m B15):

Ik ben met [verdachte] naar Bergen gegaan. Ik heb klappen uitgedeeld en een oude bekende was met hout aan het zwaaien. De scooter kwam in mijn bus door optillen en erin schuiven. Dat heb ik gedaan met [verdachte] en de bekende. Ik heb gevochten met die kleine en de bekende was met beiden bezig. We hebben de scooter gewoon opgetild en in mijn bus geschoven. We hebben de scooter meegenomen.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 12 februari 2020 door verdachte [medeverdachte 1] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] afgelegde verklaring (B 16 t/m B20):

Die derde persoon is de oom van mijn dochter, zwager.

V: Heb je op beiden jongens geweld gebruikt?
A: Jaik heb ze alle 2 in mijn handen gehad. Die ene heeft een wond in zijn gezicht, op zijn wang, ik heb namelijk foto's gezien. Die heb ik meerdere keren met de vuist in zijn gezicht geslagen ongeveer 2 a 3 keer. En die andere heb ik een paar keer mee gegooid.

V: Van beide slachtoffers zijn pasjes weggenomen. Wie heeft dit gedaan?
A: Ik heb op de achtergrond gehoord: 'trek je broek uit, trek je jas uit en geef me dit en geef me dat’.