Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:6076

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4703
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2021:3227, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aankoop grond en bouwen pand. Bouwen pand wordt, mede door gevolgen economische crisis, gestaakt. Geen sprake van een bron van inkomen. Geen toepassing foutenleer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-08-2020
V-N Vandaag 2020/1997
FutD 2020-2372
V-N 2020/55.2.2
NTFR 2020/2461
NLF 2020/1870 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4703

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 augustus 2020 in de zaak tussen

drs. [X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 17.512 en is verrekend met verlies uit voorgaande jaren.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. De nadere stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020 via een Skype-verbinding. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 25 september 2008 het eigendom verkregen van een stuk grond aan de [C] . Eiser heeft voor de aankoop en bouw van het pand geldleningen afgesloten bij de [d] (€ 357.000 op eigen naam en € 50.000 op eigen naam handelend onder de naam [E] ; voorts is een rekening-courantkrediet verstrekt van € 30.000 op eigen naam handelend onder de naam [E] ). [E] is een onderaannemersbedrijf van eiser. Het pand zou bestaan uit een woning (2/3) met een kantoorruimte (1/3). De gemeente heeft op 22 februari 2008 een bouwvergunning verleend.

2. De aannemer die de ruwbouw van het pand zou uitvoeren is in 2009 failliet verklaard. Eiser heeft vervolgens besloten de ruwbouw zelf uit te voeren.

3. In 2009 is eiser mishandeld en in 2010 is eiser betrokken geweest bij twee ongevallen als gevolg waarvan hij nog steeds klachten ondervindt en had eiser een burn-out.

4. Vanaf april 2010 kon eiser, mede als gevolg van de economische crisis, niet meer voldoen aan de betalingsvoorwaarden van de [d] . Op 3 november 2010 zijn de kredieten door de [d] opgezegd.

5. Rond augustus/september 2010 was het eiser bekend geworden dat de gemeente het voornemen had om de omgevingsvergunning in te trekken omdat er een half jaar geen bouwwerkzaamheden waren verricht.

6. In 2014 is het pand geveild. De totale opbrengst is € 42.000. In de aangifte ib/pvv 2014 heeft eiser een bedrag van € 28.000 aangegeven als bruto resultaat uit overige werkzaamheden. Er is een bedrag van € 194.000 aan kosten opgevoerd. Het netto resultaat uit overige werkzaamheden is € 166.000 negatief. Voorts is bij winst uit onderneming een bedrag van € 4.799 (negatief) aan buitengewone resultaten vermeld.

7. Verweerder heeft naar aanleiding van de ingediende aangifte ib/pvv 2014 vragen gesteld aan eiser. Partijen hebben over en weer gecommuniceerd.

8. Verweerder heeft bij het opleggen van de aanslag het buitengewone resultaat en het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden gecorrigeerd. Volgens verweerder is sprake van privévermogen.

9. In de aangifte ib/pvv 2008 en 2009 heeft eiser bij bezittingen en schulden (box 3) het eigendom van de grond en de daarmee samenhangende geldleningen vermeld.

10. In de aangifte ib/pvv 2010 heeft eiser (een gedeelte van) het pand aangegeven als eigen woning (box 1) en de betaalde hypotheekrente in aftrek gebracht. Voorts is in box 3 een schuld van € 115.000 opgenomen.

11. In de aangifte ib/pvv 2011 en 2012 heeft eiser (een gedeelte van) het pand aangegeven als eigen woning (box 1) en de betaalde hypotheekrente in aftrek gebracht en een gedeelte van de schuld (€ 115.000) aangegeven bij resultaat uit overige werkzaamheden.

12. In de aangifte ib/pvv 2013 heeft eiser aangegeven een onderneming te drijven onder de naam [F] . Op de balans staat als activa een bedrag van € 20.000 aan gebouwen en aan passiva een bedrag van € 115.000 als schulden aan kredietinstellingen. Er is een bedrag van € 95.000 als buitengewone last ten laste van de winst gebracht. Als toelichting staat vermeld: “waarde daling pand 95000”. De fiscale winst is € 95.000 negatief. Voorts heeft eiser (een gedeelte van) het pand aangegeven als eigen woning (box 1) en de betaalde hypotheekrente in aftrek gebracht.

Geschil

13. In geschil is of sprake is van een bron van inkomen en of de foutenleer kan worden toegepast. Voorts is in geschil of verweerder de uitspraak op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd.

14. Eiser stelt - kort samengevat - dat:

  • -

    er sprake is van een onderneming en de foutenleer van toepassing is aangezien er sprake is van een verplicht ondernemingsvermogensbestanddeel;

  • -

    er in 2014 sprake is van (negatieve) winst uit onderneming dan wel (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden;

  • -

    de uitspraak op bezwaar onzorgvuldig tot stand is gekomen, althans onvoldoende is gemotiveerd.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

15. Verweerder stelt - kort samengevat - dat geen sprake is van een bron van inkomen, omdat er geen sprake is van een objectieve voordeelsverwachting. Er kan derhalve geen sprake zijn van een negatief inkomensbestanddeel en dus ook niet van een verlies. Er is nimmer sprake geweest van een onderneming of een resultaat uit overige werkzaamheid, zodat de foutenleer niet van toepassing is. Als wel sprake is van een resultaat uit overige werkzaamheden, dan is deze per 2010 beëindigd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

16. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Bron van inkomen

17. Het (negatieve) resultaat dat eiser heeft behaald met de activiteiten kan slechts als inkomen worden aangemerkt, indien er een bepaalde bron van inkomen aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. Hoge Raad 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770 en Hoge Raad 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8763) worden de volgende drie algemene voorwaarden als uitgangspunt gesteld wil sprake zijn van een bron van inkomen: (1) deelname aan het economische verkeer, (2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en (3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs – in de toekomst – kan worden behaald. Daarbij heeft eiser de bewijslast om aannemelijk te maken dat sprake is van een bron van inkomen.

18. Voor zover tussen partijen in geschil is of sprake is van deelname aan het economische verkeer oordeelt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de enkele omstandigheden dat eiser een overeenkomst is aangegaan met de architect, een bouwaanvraag heeft ingediend en allerlei werkzaamheden heeft uitgevoerd dan wel heeft laten uitvoeren voldoende om te constateren dat eiser heeft deelgenomen aan het economische verkeer. Eisers activiteiten vonden niet plaats in de persoonlijke sfeer.

19. Voorts dient eiser met de deelname aan het economisch verkeer een voordeel te beogen. Dit voordeel dient niet alleen door eiser te zijn beoogd (subjectief), maar ook naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kunnen worden verwacht (objectief). Of aan deze eisen is voldaan, moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen geen wijziging brengen in die situatie, maar kunnen op die situatie wel licht werpen (vgl. Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390).

20. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarde dat eiser het subjectieve oogmerk had om voordeel te beogen. Eiser heeft gesteld dat de onroerende zaak (grond) is gekocht met het oogmerk om een woon-/werkpand te realiseren en deze met winst te verkopen. De rechtbank acht dat voldoende aannemelijk gemaakt met de gedingstukken. Dat eiser in de bezwaarfase heeft gesteld dat hij, indien de huizenmarkt daartoe aanleiding zou geven, zelf het pand zou gaan bewonen totdat hij het pand met winst zou kunnen verkopen, maakt het voorgaande niet anders. Het doel van eiser (het pand bouwen en met winst verkopen) is daarmee immers niet veranderd.

21. Bij het beantwoorden van de vraag of voldaan is aan de voorwaarde dat in objectieve zin sprake was van een redelijke voordeelsverwachting is naar het oordeel van de rechtbank het volgende van belang. Eiser heeft in 2007 voorbereidende werkzaamheden verricht ten behoeve van de aanschaf van een stuk grond en heeft, nadat de gemeente een bouwvergunning heeft afgegeven voor de bouw van een woon-/werkpand, de grond in september 2008 in eigendom verkregen. In 2009 is eiser begonnen met bouwactiviteiten. Als gevolg van de economische crisis, het faillissement van een van de aannemers die betrokken was bij de bouw en persoonlijke omstandigheden is eiser financieel in zwaar weer terecht gekomen (begin 2010). Dat heeft tot gevolg gehad dat de [d] stopte met het financieren van de bouwkosten, de gemeente de bouwvergunning heeft ingetrokken en de onroerende zaak in 2014 via een openbare veiling is verkocht. Naar het oordeel van de rechtbank is er vanaf 2010 in feite niet veel meer gebeurd en kon er reeds vanwege het stopzetten van de financiering en het intrekken van de bouwvergunning niet meer worden gebouwd. Voor zover er ooit sprake is geweest van een bron van inkomen, dan is daarvan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval voor het jaar 2014 geen sprake meer. Er kan dan ook geen sprake zijn van (negatieve) winst uit onderneming dan wel (negatief) resultaat uit overige werkzaamheden.

Foutenleer/Etikettering

22. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de foutenleer toegepast moet worden hetgeen ertoe leidt dat het verlies als winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden moet worden aangemerkt. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van verplicht ondernemingsvermogen. Verweerder betwist dat en heeft gesteld dat nimmer sprake is geweest van een onderneming en dus ook niet van verplicht ondernemingsvermogen. Aangezien de rechtbank reeds tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een bron van inkomen wordt het navolgende ten overvloede overwogen.

23. Voor constatering van een fout in de zin van de foutenleer is vereist dat bij de vaststelling van het eindvermogen van het vorige boekjaar bepaaldelijk een fout is gemaakt in die zin dat dit vermogen in enig opzicht niet aan de hand van de ten tijde van de vaststelling daarvan aan de belastingplichtige ten dienste staande gegevens, naar de voorschriften van de wet én overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 oktober 1952, nr. 11064, B. 9293 en Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:673).

24. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een pand deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige, zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uitdrukking is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn overschreden (vgl. Hoge Raad 20 juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:AX8064 en Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:477).

De foutenleer kan niet worden toegepast indien een vermogensbestanddeel weliswaar onjuist is geëtiketteerd, maar het vermogensbestanddeel niet langer tot het ondernemingsvermogen behoort.

25. De foutenleer had gelet hierop ook in het geval wel een bron van inkomen zou kunnen worden aangewezen niet toegepast kunnen worden. Vermogensetikettering vindt plaats op het moment van aanschaf. In het jaar van aanschaf van de grond heeft eiser het object als privévermogen (box 3) aangemerkt. Dat stond eiser ook vrij. Herziening van die keuze is slechts geoorloofd indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in deze zaak geen sprake van. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven of hebben kunnen geven om die keuze te herzien.

26. Heretikettering is verplicht als de aard, de functie of het gebruik van het vermogensbestanddeel is gewijzigd en het niet redelijk is om het vermogensbestanddeel tot dezelfde sfeer te blijven rekenen. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake. De aard, de functie of het gebruik van het vermogensbestanddeel is immers niet gewijzigd.

Zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel

27. Eiser heeft gesteld dat verweerder zijn stelling dat geen sprake is van een onderneming niet heeft gemotiveerd. Verweerder heeft niet aangegeven hoe en in hoeverre niet is voldaan aan de vereisten, aldus eiser. De uitspraak op bezwaar bevat een onzorgvuldige en onvolledige weergave van de feiten en omstandigheden. Eiser heeft aangegeven dat hij niet wil dat de zaak wordt teruggewezen.

28. De rechtbank stelt voorop dat hetgeen in de uitspraak op bezwaar staat niet allesbepalend is voor de vraag of deze voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Hetgeen eiser heeft aangevoerd tijdens de bezwaarfase komt inderdaad niet integraal naar voren in de uitspraak op bezwaar maar dat is ook niet nodig. Uit de gedingstukken blijkt dat tussen eiser en verweerder over en weer zeer uitvoerig is gecorrespondeerd. Verweerder heeft veel vragen gesteld en eiser heeft die vragen beantwoord en nadere uitleg gegeven. De rechtbank acht het aannemelijk dat verweerder een zorgvuldige afweging heeft gemaakt en daarbij alle stukken en argumenten van eiser heeft betrokken.

29. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

30. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Koenis, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Marinus, griffier. De uitspraak is gedaan op 11 augustus 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.