Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5980

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
15/094298-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het aanwezig hebben van ruim 20 kilogram heroïne en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Vrijspraak voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/094298-20 (P)

Uitspraakdatum: 4 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 juli 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] thans gedetineerd in P.I. Nieuwegein.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, advocaat te Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1
hij op of omstreeks6 april 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een woning gelegen aan de [adres 2], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi automatisch pistool, van het merk Ceska Zbrojovka CZ, type 85, kaliber 9 mm Luger zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III, te weten een of meerdere patronen merk S&B, 9 mm Luger voorhanden heeft gehad;
feit 2
hij op of omstreeks 6 april 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een woning gelegen aan de [adres 2], in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 20,567 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 3
hij op of omstreeks 6 april 2020, te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een woning gelegen aan de [adres 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal ongeveer 31.295 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de woning van verdachte is ruim 20 kilogram heroïne aangetroffen. Tevens was verdachte in het bezit van een vuurwapen en munitie. Ook werd er een drukpers in de woning aangetroffen, die doorgaans wordt gebruikt voor het verwerken van verdovende middelen. Bij de medeverdachte, die tijdelijk in de woning van verdachte verbleef, werd ruim dertigduizend euro aan contant geld aangetroffen. Beide verdachten ontkennen dat de verdovende middelen en het wapen met munitie van hen zijn. Deze verklaringen zijn niet overtuigend. Geld, drugs en wapens zijn in het criminele circuit onlosmakelijk met elkaar verbonden. De combinatie van de aangetroffen voorwerpen bij beide verdachten, maakt dat het niet anders kan dan dat beide verdachten wisten van de aanwezigheid van heroïne in de bergplaats op de verdieping van de woning. Het medeplegen van alle drie de ten laste gelegde feiten kan derhalve worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte was er niet van op de hoogte dat de heroïne in de verborgen ruimte in zijn woning aanwezig was. Ditzelfde geldt voor het grote geldbedrag dat in de kamer van zijn medeverdachte is aangetroffen en waarvan deze heeft verklaard de eigenaar te zijn. De enkele omstandigheid dat de heroïne en het geldbedrag zijn aangetroffen in de woning van verdachte, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte hiervan bewustheid heeft gehad. Ten aanzien van het wapen en de munitie stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte wel (kortstondig) wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid daarvan, maar de enkele tegenwoordigheid van verdachte in de woning en het zich niet distantiëren van het aanwezige wapen is onvoldoende voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van het wapen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak feit 3
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In de slaapkamer waar de medeverdachte verbleef, is tussen diens bezittingen een geldbedrag van € 30.660,- in contanten aangetroffen. Het dossier bevat geen aanwijzingen die zien op enige betrokkenheid van verdachte bij dit geld.

In de woonkamer van de door verdachte bewoonde woning is daarnaast een portemonnee van verdachte met daarin een geldbedrag van € 635,- aangetroffen, maar dit bedrag is te klein om hierop enig bewijsvermoeden van witwassen te baseren.

3.3.2

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.3

Nadere bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2

Ten aanzien van feit 1 (het wapen en de munitie)

Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen en die munitie. Voorts houdt het aanwezig hebben van een wapen en de munitie in dat verdachte feitelijke macht over het wapen kan uitoefenen in die zin, dat hij daarover kan beschikken. Of de aanwezigheid zelf voldoende is voor het bewijs van het voorhanden hebben, is afhankelijk van bijvoorbeeld de plaats en de wijze waarop het wapen en de munitie zijn aangetroffen en de vraag wie daartoe toegang had.

Verdachte heeft bij de start van de doorzoeking van zijn woning direct verklaard dat hij in het bezit was van een vuurwapen. Op aanwijzing van verdachte is het voorwerp, met munitie, aangetroffen in een lade van een linnenkast op de slaapkamer en in beslag genomen. Hiermee staat vast dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het wapen. In de linnenkast waarin het wapen is aangetroffen lag ook de kleding van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij het wapen heeft gezien toen hij zijn kleding wilde pakken, maar hij het heeft laten liggen en boodschappen is gaan doen. Nu verdachte naast wetenschap van het wapen daar ook beschikkingsmacht over had, is naar het oordeel van de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 (de verdovende middelen)

Voor de vraag of verdachte opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad, is voldoende dat de onder de Opiumwet vallende middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop.

De ruim 20 kilogram heroïne is aangetroffen in de woning van verdachte. De heroïne was, verdeeld over twee plastic tassen, verborgen in een weggewerkte nis naast de badkamer. Om hierbij te komen moest er eerst een verticale plint worden weggehaald. Deze plint zat vast met schroeven. Na het uitschuiven van een paneel waren de twee plastic tassen zichtbaar. Hierin zaten de 42 verpakte blokken met heroïne voorzien van stickers met opdruk ‘KEBAB’. Verdachte heeft verklaard al sinds 2017 als enige bewoner in de woning te wonen en de huurder daarvan te zijn. De medeverdachte verbleef sinds zes weken bij verdachte als gast. Verder zijn er geen aanwijzingen dat anderen toegang hadden tot deze woning. Als uitgangspunt heeft te gelden dat verdachte als hoofdbewoner bekend kan worden geacht met wat zich in die woning bevindt.

Verdachte heeft verklaard niets af te weten van de aangetroffen heroïne in zijn woning.

De rechtbank betrekt de volgende feiten en omstandigheden in de overwegingen. Verdachte had in de woning een vuurwapen voorhanden. Daarnaast is in de gangkast van de woning van verdachte een hydraulische drukpers aangetroffen, met een zichtbaar residu bruin poeder, waarvan na onderzoek bleek dat dit heroïne betrof. Aangenomen moet worden dat deze pers is dan wel wordt gebruikt bij het verpakken van drugs. Verder is in de portemonnee van verdachte een bedrag van € 635,- aangetroffen. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij onder bewind staat en moet rondkomen van
€ 45,- per week. Deze combinatie van het aantreffen van een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen, een vuurwapen en een contant geldbedrag dat niet past bij het reguliere inkomen van verdachte, wijst erop dat de verdachte verkeert in een criminele setting.

Tot slot valt niet in te zien welk belang een ander, voor de verdachte niet bekend persoon, zou hebben om een dergelijke hoeveelheid verdovende middelen in de woning van verdachte te verbergen, zonder daar de beschikking over te hebben en daarbij het risico te lopen dat verdachte dit zou ontdekken.

Gelet op al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen en daarmee deze aanwezig heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is feit 2 daarom wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het medeplegen. Voor bewijs van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. De medeverdachte moet een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict. De enkele omstandigheid dat de medeverdachte tijdelijk verbleef in de woning, is onvoldoende om te spreken van een wezenlijke bijdrage aan het delict.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1

hij op6 april 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een woning gelegen aan de [adres 2], een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi automatisch pistool, van het merk Ceska Zbrojovka CZ, type 85, kaliber 9 mm Luger zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III, te weten patronen merk S&B, 9 mm Luger voorhanden heeft gehad;

feit 2

hij op 6 april 2020 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een woning gelegen aan de [adres 2], opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 20,567 kilogram van een materiaal bevattende heroïne;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

feit 2

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder de feiten 1 tot en met 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 39 maanden, waarvan 13 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, rekening dient te worden houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte verliest zijn woning als hij nog langer gedetineerd blijft.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft ruim 20 kilo heroïne aanwezig gehad. Harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid in de woning is er sprake van een zogenaamde handelsindicatie. De verspreiding van en handel in heroïne gaat veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit, terwijl ook het gebruik ervan gepaard gaat met door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof, hetgeen overlast voor de samenleving met zich mee brengt. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het wapen was geladen en derhalve gereed voor gebruik. Dit levert een ernstig feit op nu ongecontroleerd wapenbezit onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving met zich mee brengt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op

-het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 juni 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie.

-het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 14 juli 2020 van [reclasseringsmedewerker] als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met Reclassering Nederland noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden. De overige door de reclassering geadviseerde voorwaarden zijn van zodanige onbepaaldheid dat de rechtbank deze niet zal overnemen.

7. Beslissingen met betrekking tot in beslag genomen, niet teruggegeven goederen

Bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn onder andere aangetroffen en in beslaggenomen 42 pakken heroïne, een drukpers , een wapen en € 635,-.

Onttrekken aan het verkeer (artikel 36c wetboek van strafrecht)

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen op de beslaglijst te weten:

- 1 STK Wapen (goednummer 1134384)

- 42 PAK Heroïne (goednummer 1134391)

dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan. De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit van voormelde voorwerpen in strijd met de wet en het algemeen belang.

Onttrekken aan het verweer (artikel 36d wetboek van strafrecht)

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten

-1 STK Drukpers (1134385)

dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit voorwerp behoort verdachte toe en is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit van voormeld voorwerp in strijd met de wet en het algemeen belang.

Teruggave aan beslagene

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten € 635,-, dient te worden teruggegeven aan verdachte.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 57 van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

artikel 2 en 10 van de Opiumwet

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich binnen drie dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis, dan wel na einde detentie, tussen 09.00 uur en 12.00 uur persoonlijk meldt bij het Leger des Heils op het volgende adres: Weesperzijde 70, 1091 EH, Amsterdam. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Onttrekt aan het verkeer:

42 PAK Heroïne (1134391)

1. STK Wapen (1134384)

1. STK Drukpers (1134385)

Gelast de teruggave aan verdachte van € 635,-.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,

mrs. N.O.P Roché en M.S. Lamboo, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M. van Fraeijenhove,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2020.

Mr. M.S. Lamboo is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.