Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5966

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 887
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Indeling van gemalen steen en kunststof vervaardigde bloempot. Douane trekt bti in en deelt bloempot in als product van kunststof in GN-code 3926 4000. De rechtbank oordeelt dat bti ten onrechte is ingetrokken en deelt bloempot in GN-code 6810 9990 als 'andere werken van kunststeen'. Een GN-toelichting op een GN-code kan niet de facto de indeling van goederen in een GS-post uitsluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-08-2020
FutD 2020-2300
DouaneUpdate 2020-0323
NTFR 2020/2468
NLF 2020/1857 met annotatie van
Douanerechtspraak 2020/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 18/887 tot en met HAA 18/891

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 30 juni 2020 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: A.P. van Breukelen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 18 mei 2017 vijf aan eiseres verstrekte bindende tariefinlichtingen (hierna: bti’s) ingetrokken.

Bij uitspraak op bezwaar van 26 januari 2018 heeft verweerder de bezwaren van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Ter zitting hebben eiseres en verweerder exemplaren van de producten uit de bti’s overgelegd. Verweerder heeft daarnaast ter zitting een afschrift van een uitslag monsteronderzoek overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020.

Namens eiseres zijn verschenen de heer [A] en mevrouw [B] , bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. [C] en [D] .

Overwegingen

Feiten

Zaak HAA 18/887

1.1

Op 22 december 2014 heeft verweerder aan eiseres een bti verstrekt voor een goed dat als volgt is omschreven:

“Een bloempot met -volgens opgave- onder andere de volgende kenmerken:

- vervaardigd van gemalen steen en kunststof;

- rond van vorm, iets toelopend naar de onderkant;

- de bodem is in het midden verhoogd en is voorzien van een gat;

- een bovenzijde met een doorsnede van ongeveer 27 cm;

- een doorsnede aan de onderzijde van ongeveer 18 cm;

- een hoogte van ongeveer 27 cm.

Het wezenlijke karakter wordt bepaald door het calciumcarbonaat waardoor de bloempot wordt ingedeeld als een ander werk van kunststeen zoals bedoeld bij GS-post 6810 van de gecombineerde nomenclatuur.”

1.2

Als handelsbenaming en aanvullende gegevens worden omschreven:

“FIT 931, 932, 933, 941, 942, 943

Bij analyse door laboratorium bevonden:

- calciumcarbonaat 58%;

- asgehalte/residu 38,5%

- glasvezel 6%”

1.3

De motivering voor de indeling van het goed luidt als volgt:

“De indeling is vastgesteld op basis van algemene indelingsregels 1, 3b en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 6810, 6810 99 en 6810 99 00. Laboratorium geraadpleegd d.d. 14 november 2014, aangevraagd onder kenmerk 712600-01 en bekend onder laboratoriumnummer 11189 R 14. Met toepassing van GS-toelichting op post 6810 onder 1.”

Zaak HAA 18/888

2.1

Op 22 december 2014 heeft verweerder aan eiseres, op basis van omschrijvingen en monsters, een bti verstrekt voor een goed dat als volgt is omschreven:

“Een bloempot met -volgens opgave- onder andere de volgende kenmerken:

- vervaardigd van gemalen steen, kunststof en glasvezel;

- in de vorm van een cilinder;

- in diverse hoogten en doorsneden.

Het wezenlijke karakter wordt bepaald door het calciumcarbonaat waardoor de bloempot wordt ingedeeld als een ander werk van kunststeen zoals bedoeld bij GS-post 6810 van de gecombineerde nomenclatuur.”

2.2

Als handelsbenaming en aanvullende gegevens worden omschreven:

“FIT 101-102-103-104-105-106”

2.3

De motivering voor de indeling van het goed luidt als volgt:

“De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3b en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 6810, 6810 99 en 6810 99 00. Met toepassing van GS-toelichting op post 6810 onder 1.”

Zaken HAA 18/889, 18/890 en 18/891

3. De aan eiseres op basis van omschrijvingen verstrekte bti’s met kenmerken NL RTD-2014-1545, 1546 en 1547 omschrijven soortgelijke bloempotten als in de hiervoor onder 1 respectievelijk 2 opgenomen bti, met dien verstande dat het telkens gaat om bloempotten met een andere vorm en een andere handelsbenaming.

Alle zaken

4. Bij brief van 3 mei 2017 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen tot intrekking van de bti’s bekend gemaakt, omdat op basis van een wijziging in de toelichting op de Gecombineerde Nomenclatuur de bloempotten moeten worden ingedeeld als producten van kunststof in GN-code 3926 4000. Bij beschikking van 18 mei 2017 heeft verweerder de bti’s vervolgens ingetrokken.

5. Van de bloempotten die eiseres en verweerder hebben meegenomen naar de zitting heeft de rechtbank het volgende waargenomen: het gemalen steen in het materiaal bestaat uit steentjes en steenpoeder. Aan de buitenkant van de bloempot zijn de lichtgrijze steentjes in het materiaal duidelijk waarneembaar. De bloempot ontleent zijn kleur aan deze steentjes en aan het steenpoeder. De bloempot heeft een steenachtig uiterlijk. Het oppervlak is ruw en geeft bij aanraking een wit poeder af. Door een beschadiging aan de rand van de bloempot was het raster van glasvezel dat zich in het materiaal bevindt waarneembaar. Eiseres heeft toegelicht dat bij de vervaardiging van de bloempotten het mengsel van steentjes, steenpoeder en kunststof op dit raster wordt gegoten. Op de plek van de beschadiging kon het materiaal met de hand enigszins worden afgebrokkeld: het materiaal kon niet worden opgerekt.

Geschil en standpunten van partijen
6. In geschil is de rechtmatigheid van de intrekking van de bti’s.

7. Eiseres meent primair dat de bloempotten zijn vervaardigd uit kunststeen en nu kunststeen met name is genoemd in het opschrift van GS-post 6810, indeling in die GS-post moet plaatsvinden op basis van indelingsregel 1, dus zonder dat het wezenlijk karakter van – het materiaal van – de bloempot hoeft te worden bepaald. Het materiaal waaruit de bloempotten zijn vervaardigd voldoet aan de omschrijving van ‘kunststeen’ in de GS-toelichting op GS-post 6810, namelijk een imitatie van natuursteen, verkregen door gemalen steen samen te kitten met een bindmiddel, te weten kunststof. Dat het materiaal lijkt op natuursteen is voldoende om het materiaal aan te merken als kunststeen en dus als imitatie van natuursteen. Verdere voorwaarden worden in de toelichting niet genoemd om als kunststeen te worden aangemerkt. Kunststeen kan nooit dezelfde eigenschappen hebben als natuursteen, omdat het nu eenmaal deels bestaat uit kunststof. In de bti’s wordt ten onrechte indelingsregel 3b gebruikt, omdat kunststeen met name wordt genoemd in de GS-post, maar de keuze voor GS-post 6810 was wel correct.

Subsidiair, wanneer geen sprake is van kunststeen, meent eiseres, dat van het product als samengesteld werk het wezenlijk karakter moet worden vastgesteld. Dat het materiaal is samengesteld uit gemalen steen en kunststof betekent niet zonder meer dat de kunststof het wezenlijk karakter van het geheel bepaalt, dit volgt ook niet uit de (nieuwe) GN-toelichting op GN-code 6810 9900. Het wezenlijk karakter van het materiaal is al bij de afgifte van de bti’s vastgesteld: dat is het steen. Een heroverweging zou tot dezelfde uitkomst moeten leiden: het steen overheerst in gewicht, het bepaalt het uiterlijk en vertegenwoordigt een hogere waarde.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verzoekt te bepalen dat voor de bloempotten nieuwe bti’s voor GN-code 6810 9900 worden afgegeven. Eiseres verzoekt vergoeding van proceskosten en griffierecht.

8. Verweerder stelt, dat hij het soort bloempotten als die van eiseres altijd heeft ingedeeld in GS-post 6810, maar dat uit de nieuwe GN-toelichting op GN-code 6810 9900 blijkt dat de Commissie wil dat dit soort bloempotten wordt ingedeeld op basis van het bindmiddel en niet op basis van het gemalen steen. Het steen in het materiaal dient enkel als vulmiddel.

Uit de beschrijving van kunststeen in de GS-toelichting volgt dat het moet gaan om een imitatie van natuursteen. De eigenschappen van kunststeen moeten lijken op die van natuursteen (hardheid, gewicht, hittebestendigheid, druk- en trekvastheid, snijvastheid).

Verweerder meent dat het materiaal zijn objectieve eigenschappen ontleent aan het kunststof en niet aan het gemalen steen, dat slechts dient als vulstof.

Dat het materiaal lijkt op natuursteen is onvoldoende om het aan te merken als een imitatie van natuursteen en dus als kunststeen. Ook al uit de opsomming van de producten in de GS-toelichting blijkt dat producten van kunststeen de eigenschappen moeten hebben van natuursteen en niet alleen erop moeten lijken.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijke regelgeving

10. GN-post 3924 luidt:

“3924 Tafelgerei, keukengerei, andere huishoudelijke artikelen en hygiënische en toiletartikelen, van kunststof:

3924 1000 - keuken- en tafelgerei

3924 9000 - andere”

11. GN-post 3926 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“3926 Andere artikelen van kunststof en artikelen van andere stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914:

3926 1000 - kantoor- en schoolbenodigdheden

3926 2000 - kleding en kledingtoebehoren (handschoenen (met of zonder vingers) en wanten daaronder begrepen

3926 3000 - beslag voor meubelen, carrosserieën en dergelijke

3926 4000 - beeldjes en andere versieringsvoorwerpen

3926 90 - andere

(…)

- - andere

(…)

- - - andere”

12. Toelichting GN op GN-code 3926 4000 luidt (sinds november 2016) als volgt:

“Deze onderverdeling omvat versieringsvoorwerpen voor huis en tuin bestaande uit steenpoeder (ongeveer 59 gewichtspercenten calciumcarbonaat), kunststof (ongeveer 39 gewichtspercenten onverzadigde polyester) en een kleine fractie andere toevoegingsmiddelen waarbij de kunststof de voorwerpen hun wezenlijke karakter verleent. Het steenpoeder is in dit geval een vulmateriaal”.

13. GN-post 6810 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“6810 Werken van cement, van beton of van kunststeen, ook indien gewapend:

- dakpannen, tegels, bouwstenen en dergelijke artikelen:

(…)

- andere werken:

6810 9100 - - geprefabriceerde bouwelementen

6810 9900 - - andere”

14. Toelichting IDR op GS-post 6810 luidt:

“Artificial stone is an imitation of natural stone obtained by agglomerating pieces of natural stone or crushed or powdered natural stone (limestone, marble, granite, porphyry, serpentine, etc.) with lime or cement or other binders (e.g. plastics). Articles of artificial stone include those of “terrazzo”, “granito”, etc.

This heading includes, inter alia, (…); vases, flower pots, architectural or garden ornaments; statues, statuettes, animal figures; ornamental goods”.

15. Toelichting GN op GN-code 6810 9900 luidt (sinds november 2016) als volgt:

“Deze onderverdeling omvat niet:

1. “steenpapier” (zie de toelichting op post 3920);

2. versieringsvoorwerpen voor huis en tuin bestaande uit steenpoeder en kunststof, waarbij de kunststof de voorwerpen hun wezenlijke karakter verleent (zie de toelichting op onderverdeling 3926 4000)”.

Beoordeling van het geschil

16. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie onder meer HvJ 26 april 2017, C-51/16 (Stryker EMEA Supply Chain Services BV), r.o. 39 en 45). De inhoud van GS- en GN- toelichtingen moet in overeenstemming zijn met de GN-bepalingen en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Toelichtingen moeten, indien zij in strijd blijken met de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, terzijde worden geschoven (zie onder meer HvJ 26 november 2015, C-44/15 (Duval GmbH & Co, KG.), r.o. 24).

17. Het begrip “kunststeen” wordt in de posten van het GS en van de GN wel genoemd, maar niet nader gedefinieerd. De GS-toelichting omschrijft kunststeen als imitatie van natuursteen, bestaand uit (bijvoorbeeld) gemalen steen dat is samengevoegd met behulp van (bijvoorbeeld) plastic. Bij gebrek aan wettelijke definitie acht de rechtbank deze omschrijving een nuttige aanwijzing voor de uitlegging van GS-post 6810. Nu kunststeen volgens deze omschrijving kan bestaan uit een mengsel van gemalen steen en kunststof, gaat de rechtbank ervan uit dat kunststeen niet noodzakelijkerwijs dezelfde eigenschappen heeft als natuursteen. De constatering van verweerder dat de onderhavige bloempotten niet dezelfde eigenschappen hebben als natuursteen, is dan ook niet voldoende om te concluderen dat geen sprake is van kunststeen. De bloempotten bevatten in massa en in gewicht meer steen (steentjes en steenpoeder) dan kunststof, het gemalen steen is bovendien zichtbaar in het materiaal aanwezig en verleent de bloempotten hun kleur en hun uiterlijke gelijkenis met natuursteen, waardoor het steen niet slechts dient als vulmiddel en het materiaal voldoet aan de omschrijving van imitatie van natuursteen en dus van kunststeen in de GS-toelichting op GS-post 6810.

18. Uit bovenstaande volgt dat de bloempotten met toepassing van indelingsregel 1 als ‘werken van kunststeen’ moeten worden ingedeeld in GS-post 6810. Vervolgens moeten de bloempotten met toepassing van indelingsregel 6 binnen deze GS-post worden ingedeeld in de juiste GN-code. De bloempotten lijken weliswaar te voldoen aan de beschrijving van de GN-toelichting op GN-code 6810 9990, onder 2, gelezen in samenhang met de GN-toelichting op GN-code 3926 4000, maar een GN-toelichting op een GN-code kan niet de facto de indeling van goederen in een GS-post uitsluiten. Dit betekent dat de stelling van verweerder, dat de bloempotten op grond van de genoemde GN-toelichtingen niet in GS-post 6810 kunnen worden ingedeeld, niet kan worden gevolgd. Deze uitleg zou immers de reikwijdte van GS-post 6810 wijzigen. De bloempotten moeten binnen GS-post 6810 in GN-code 6810 9990 worden ingedeeld als ‘andere werken van kunststeen’. De bti’s zijn derhalve ten onrechte ingetrokken.

19. Gelet op het hiervoor overwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 2.358 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 1; 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261 en een wegingsfactor 1) en toepassing van de factor 1,5 nu sprake is van vier of meer samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 te vergoeden

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikkingen van 18 mei 2017;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.358;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2020 door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter en

mr.drs. C.M. van Wechem en mr. M.P.E. Oomens, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.