Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5963

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 853
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Indeling van uit kunststeen vervaardigde bloempot. Douane trekt bti in en deelt bloempot in als product van kunststof in GN-code 3926 4000. De rechtbank oordeelt dat bti ten onrechte is ingetrokken en deelt bloempot in GN-code 6810 9990. Een GN-toelichting op een GN-code kan niet de facto de indeling van goederen in een GS-post uitsluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-08-2020
FutD 2020-2300
DouaneUpdate 2020-0323
NTFR 2020/2469
NLF 2020/1856 met annotatie van
Douanerechtspraak 2020/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/853

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: A.P. van Breukelen),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam Rijnmond, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 18 mei 2017 een aan eiseres verstrekte bindende tariefinlichting (hierna: bti) ingetrokken.

Bij uitspraak van 26 januari 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Ter zitting heeft eiseres een exemplaar van het product uit de bti overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020.

Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B] , bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] en [D] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 28 november 2014 heeft verweerder aan eiseres een bti verstrekt voor een goed dat als volgt is omschreven:

“Een bloempot met -volgens opgave- onder andere de volgende kenmerken:

- vervaardigd van gemalen steen en kunststof;

- rond van vorm, taps toelopend;

- voorzien van een gat in de bodem;

- voorzien van een zogenoemd intern waterreservoir;

- een bovenzijde met een doorsnede van ongeveer 20 cm;

- een hoogte van ongeveer 18 cm.

Het wezenlijke karakter wordt bepaald door het calciumcarbonaat waardoor de bloempot wordt ingedeeld als andere werken van kunststeen zoals bedoeld bij GN-onderverdeling 6810 99 00 van de gecombineerde nomenclatuur”

2. Als handelsbenaming en aanvullende gegevens worden omschreven:

“Pot, rond, doorsnee 20 cm, hoogte 18 cm. Bij analyse door het laboratorium bevonden:

- materiaalsoort: polystyreen (43%) en calciumcarbonaat (57%);

- asgehalte/residu 31,8%”

3. De motivering voor de indeling van het goed luidt als volgt:

“De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3b en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 1 op hoofdstuk 39 en de tekst van GN-codes 6810, 6810 99 en 6810 99 00. Laboratorium geraadpleegd d.d. 14 november 2014, aangevraagd onder kenmerk 704222-01 en bekend onder laboratoriumnummer 10772 R 14.”

4. Voorafgaand aan de afgifte van de bti heeft verweerder het Douanelaboratorium geraadpleegd. In de uitslag van het monsteronderzoek van 27 augustus 2014 heeft het Douanelaboratorium de analyse van de (grijze) bloempot vermeld: een niet nader genoemde hoeveelheid polystyreen, 31,8% asgehalte en 19,9% koolstof. In de gecorrigeerde uitslag van 14 november 2014 heeft het Douanelaboratorium het volgende vermeld:

Samenstelling (…) polystyreen en calciumcarbonaat

Asgehalte/residu (…) 31.79%

Gehalte calciumcarbonaat (…) 56.7%

(…) De pot bestaat uit een mengsel van polystyreen (ca 43%) en calciumcarbonaat (ca. 57%).”

5. Bij brief van 3 mei 2017 heeft verweerder aan eiseres zijn voornemen tot intrekking van de bti bekend gemaakt, omdat op basis van een wijziging in de toelichting op de Gecombineerde Nomenclatuur de bloempot moest worden ingedeeld als product van kunststof in GN-code 3926 4000. Bij beschikking van 18 mei 2017 heeft verweerder de bti vervolgens ingetrokken.

6. Van de bloempot die eiseres heeft meegenomen naar de zitting heeft de rechtbank het volgende waargenomen: de bloempot heeft een niet-egale, grijze, licht gemarmerde kleur. Het oppervlak is glad en geeft niet af. Een beschadiging aan de rand van de bloempot kon met de hand eenvoudig worden ingescheurd. Het uiterlijk van de bloempot heeft enig steenachtig karakter. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de bloempot zijn kleur en het gemarmerde effect aan het steenpoeder ontleent.

Geschil en standpunten van partijen

7. In geschil is de rechtmatigheid van de intrekking van de bti.

8. Eiseres meent primair dat de bloempotten zijn vervaardigd uit kunststeen en nu kunststeen met name is genoemd in het opschrift van GS-post 6810, indeling in die GS-post moet plaatsvinden op basis van indelingsregel 1, dus zonder dat het wezenlijk karakter van – het materiaal van – de bloempot hoeft te worden bepaald. Het materiaal waaruit de bloempotten zijn vervaardigd voldoet aan de omschrijving van ‘kunststeen’ in de GS-toelichting op GS-post 6810, namelijk een imitatie van natuursteen, verkregen door poeder van natuursteen samen te kitten met een bindmiddel, te weten kunststof. Dat het materiaal lijkt op natuursteen is voldoende om het materiaal aan te merken als kunststeen en dus als imitatie van natuursteen. Verdere voorwaarden worden in de toelichting niet genoemd om als kunststeen te worden aangemerkt. Kunststeen kan nooit dezelfde eigenschappen hebben als natuursteen, omdat het nu eenmaal deels bestaat uit kunststof. In de bti wordt ten onrechte indelingsregel 3b toegepast, omdat kunststeen met name wordt genoemd in de GS-post, maar de keuze voor GS-post 6810 was wel correct.

Subsidiair meent eiseres, dat wanneer geen sprake is van kunststeen van het product als samengesteld werk het wezenlijk karakter moet worden vastgesteld. Dat het materiaal is samengesteld uit steenpoeder en kunststof betekent niet zonder meer dat de kunststof het wezenlijk karakter van het geheel bepaalt; dit volgt ook niet uit de (nieuwe) GN-toelichting op GN-code 6810 9900. Het wezenlijk karakter van het materiaal is al bij de afgifte van de bti vastgesteld: dat is het steenpoeder. Een heroverweging zou tot dezelfde uitkomst moeten leiden: het steenpoeder overheerst in gewicht, het bepaalt het uiterlijk en vertegenwoordigt een hogere waarde.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verzoekt te bepalen dat voor de bloempotten een nieuwe bti voor GN-code 6810 9900 wordt afgegeven. Eiseres verzoekt vergoeding van proceskosten en griffierecht.

9. Verweerder stelt, dat hij het soort bloempotten als die van eiseres altijd heeft ingedeeld in GS-post 6810, maar dat uit de nieuwe GN-toelichting op GN-code 6810 9900 blijkt dat de Commissie wil dat dit soort bloempotten wordt ingedeeld op basis van het bindmiddel en niet op basis van het steenpoeder. Het steenpoeder in het materiaal dient enkel als vulmiddel.

Uit de beschrijving van kunststeen in de GS-toelichting volgt dat het moet gaan om een imitatie van natuursteen. De eigenschappen van kunststeen moeten lijken op die van natuursteen (hardheid, gewicht, hittebestendigheid, druk- en trekvastheid, snijvastheid).

Verweerder meent dat het materiaal zijn objectieve eigenschappen ontleent aan de kunststof en niet aan het steenpoeder, dat slechts dient als vulstof.

Dat het materiaal lijkt op natuursteen is onvoldoende om het aan te merken als een imitatie van natuursteen en dus als kunststeen. Ook uit de opsomming van de producten in de GS-toelichting blijkt dat producten van kunststeen de eigenschappen moeten hebben van natuursteen en niet alleen erop moeten lijken.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Toepasselijke regelgeving

11. GN-post 3924 luidt:

“3924 Tafelgerei, keukengerei, andere huishoudelijke artikelen en hygiënische en toiletartikelen, van kunststof:

3924 1000 - keuken- en tafelgerei

3924 9000 - andere”

12. GN-post 3926 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“3926 Andere artikelen van kunststof en artikelen van andere stoffen bedoeld bij de posten 3901 tot en met 3914:

3926 1000 - kantoor- en schoolbenodigdheden

3926 2000 - kleding en kledingtoebehoren (handschoenen (met of zonder vingers) en wanten daaronder begrepen

3926 3000 - beslag voor meubelen, carrosserieën en dergelijke

3926 4000 - beeldjes en andere versieringsvoorwerpen

3926 90 - andere

(…)

- - andere

(…)

- - - andere”

13. Toelichting GN op GN-code 3926 4000 luidt (sinds november 2016) als volgt:

“Deze onderverdeling omvat versieringsvoorwerpen voor huis en tuin bestaande uit steenpoeder (ongeveer 59 gewichtspercenten calciumcarbonaat), kunststof (ongeveer 39 gewichtspercenten onverzadigde polyester) en een kleine fractie andere toevoegingsmiddelen waarbij de kunststof de voorwerpen hun wezenlijke karakter verleent. Het steenpoeder is in dit geval een vulmateriaal”.

14. GN-post 6810 luidt – voor zover van belang – als volgt:

“6810 Werken van cement, van beton of van kunststeen, ook indien gewapend:

- dakpannen, tegels, bouwstenen en dergelijke artikelen:

(…)

- andere werken:

6810 9100 - - geprefabriceerde bouwelementen

6810 9900 - - andere”

15. Toelichting IDR op GS-post 6810 luidt:

“Artificial stone is an imitation of natural stone obtained by agglomerating pieces of natural stone or crushed or powdered natural stone (limestone, marble, granite, porphyry, serpentine, etc.) with lime or cement or other binders (e.g. plastics). Articles of artificial stone include those of “terrazzo”, “granito”, etc.

This heading includes, inter alia, (…); vases, flower pots, architectural or garden ornaments; statues, statuettes, animal figures; ornamental goods”.

16. Toelichting GN op GN-code 6810 9900 luidt (sinds november 2016) als volgt:

“Deze onderverdeling omvat niet:

1. “steenpapier” (zie de toelichting op post 3920);

2. versieringsvoorwerpen voor huis en tuin bestaande uit steenpoeder en kunststof, waarbij de kunststof de voorwerpen hun wezenlijke karakter verleent (zie de toelichting op onderverdeling 3926 4000)”.

Beoordeling van het geschil

17. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de postonderverdelingen, de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken en de algemene indelingsregels. Het is vaste jurisprudentie van het HvJ, dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen en de hoofdstukken zijn omschreven. Hierbij vormen de GS- en de GN-toelichtingen nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie onder meer HvJ 26 april 2017, C-51/16 (Stryker EMEA Supply Chain Services BV), r.o. 39 en 45). De inhoud van GS- en GN- toelichtingen moet in overeenstemming zijn met de GN-bepalingen en mag de strekking daarvan niet wijzigen. Toelichtingen moeten, indien zij in strijd blijken met de tekst van de GN-posten en de aantekeningen bij de afdelingen of hoofdstukken, terzijde worden geschoven (zie onder meer HvJ 26 november 2015, C-44/15 (Duval GmbH & Co, KG.), r.o. 24).

18. Het begrip “kunststeen” wordt in de posten van het GS en van de GN wel genoemd, maar niet nader gedefinieerd. De GS-toelichting omschrijft kunststeen als imitatie van natuursteen, bestaand uit (bijvoorbeeld) steenpoeder dat is samengevoegd met behulp van (bijvoorbeeld) plastic. Bij gebrek aan wettelijke definitie acht de rechtbank deze omschrijving een nuttige aanwijzing voor de uitlegging van GS-post 6810. Nu kunststeen volgens deze omschrijving kan bestaan uit een mengsel van steenpoeder en kunststof, gaat de rechtbank ervan uit dat kunststeen niet noodzakelijkerwijs dezelfde eigenschappen heeft als natuursteen. De constatering van verweerder dat de onderhavige bloempotten niet dezelfde eigenschappen hebben als natuursteen, is dan ook niet voldoende om te concluderen dat geen sprake is van kunststeen. De bloempotten bevatten in massa en in gewicht meer steenpoeder dan kunststof, het steenpoeder is bovendien zichtbaar in het materiaal aanwezig en verleent de bloempotten hun kleur en het gemarmerde effect, waaruit de rechtbank de bedoeling van een imitatie van natuursteen afleidt, zodat het steenpoeder niet slechts dient als vulmiddel en het materiaal voldoet aan de omschrijving van imitatie van natuursteen en dus van kunststeen in de GS-toelichting op GS-post 6810.

19. Uit bovenstaande volgt dat de bloempotten met toepassing van indelingsregel 1 als ‘werken van kunststeen’ moeten worden ingedeeld in GS-post 6810. Vervolgens moeten de bloempotten met toepassing van indelingsregel 6 binnen deze GS-post worden ingedeeld in de juiste GN-code. De bloempotten lijken, zoals verweerder stelt, weliswaar te voldoen aan de beschrijving van de GN-toelichting op GN-code 6810 9990, onder 2., gelezen in samenhang met de GN-toelichting op GN-code 3926 4000, maar een GN-toelichting op een GN-code kan niet de facto de indeling van goederen in een GS-post uitsluiten. Dit betekent dat de stelling van verweerder, dat de bloempotten op grond van de genoemde GN-toelichtingen niet in GS-post 6810 kunnen worden ingedeeld, niet kan worden gevolgd. Deze uitleg zou immers de reikwijdte van GS-post 6810 wijzigen. De bloempotten moeten binnen GS-post 6810 in GN-code 6810 9990 worden ingedeeld als ‘andere werken van kunststeen’. De bti is derhalve ten onrechte ingetrokken.

20. Gelet op het hiervoor overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 1; 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 338 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking van 18 mei 2017;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.572;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 338 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2020 door mr. W.M.C. Schipper, voorzitter, en mr.drs. C.M. van Wechem en mr. M.P.E. Oomens, leden, in aanwezigheid van

mr. W.G. van Gastelen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.