Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5962

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5394
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

avordering is niet in strijd met het correctiebeleid. De aftrek van kosten voor Pilateslessen is terecht niet in aanmerking genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-08-2020
FutD 2020-2433
V-N Vandaag 2020/2046
V-N 2020/55.21.22
NTFR 2020/2465
NLF 2020/1950 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/5394

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: M. Collij),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 7 oktober 2017 voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.261.

Verweerder heeft op 7 november 2017 een bezwaarschrift ontvangen.

Op 7 juni 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 oktober 2019 de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.914.

Eiser heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld. Het beroepschrift is door de rechtbank ontvangen op 27 november 2018.

De rechtbank heeft op 21 april 2020 en op 22 juli 2020 nadere stukken van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2020 te Haarlem.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en mr. [B] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 6 maart 2014 aangifte ib/pvv 2013 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.825. In deze aangifte heeft eiser onder meer een aftrek specifieke zorgkosten van € 2.658 in aanmerking genomen.

2. Verweerder heeft met dagtekening 18 februari 2015 de aanslag ib/pvv 2013 opgelegd conform de aangifte.

3. Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 14 maart 2017 ten aanzien van de aanslag over 2013 een vragenbrief verzonden met vragen over de kostenaftrek.

4. Verweerder heeft met dagtekening 7 oktober 2017 een navorderingsaanslag ib/pvv 2013 opgelegd waarbij de aftrek specifieke zorgkosten geheel is gecorrigeerd.

Deze resulteerde in een te betalen bedrag van € 683 (inclusief € 80 belastingrente).

5. Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 17 oktober 2018 deels aan het bezwaar tegemoet gekomen, waarbij de navordering is verminderd tot € 518 (inclusief € 61 belastingrente). Tevens is een kostenvergoeding toegekend van € 498.

Geschil
6. In geschil is of verweerder de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag heeft opgelegd.

7. Eiser stelt dat een nieuw feit ontbreekt dan wel dat sprake is van een ambtelijk verzuim. Subsidiair voert eiser aan de navorderingsaanslag in strijd met het correctiebeleid is opgelegd.

Eiser meent recht te hebben op aftrek voor gevolgde Pilateslessen en de daarmee samenhangende reiskosten.

8. Verweerder neemt het standpunt in dat er wel sprake is van een nieuw feit en niet van een ambtelijk verzuim en dat niet is gehandeld in strijd met het correctiebeleid.

Verweerder betwist dat eiser recht heeft op aftrek van de kosten voor Pilateslessen. Deze lessen zijn immers niet aan te merken als geneeskundige dan wel heelkundige hulp. Aan de voorwaarden van artikel 6.17, eerste en negende lid, van de Wet IB 2001 is namelijk niet voldaan. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

10. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gebleven of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat aan de vereisten van dit artikel is voldaan.

Daarbij heeft volgens vaste jurisprudentie te gelden dat verweerder bij het vaststellen van een aanslag in de ib/pvv mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. De Hoge Raad spreekt ook van ‘een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’. Met andere woorden, verweerder is alleen dan verplicht de aangifte op een punt nader te onderzoeken wanneer het onwaarschijnlijk is dat de aangifte op dit punt juist is.

Ambtelijk verzuim

11. Vaststaat dat eiser op 6 maart 2014 zijn aangifte ib/pvv voor het jaar 2013 heeft ingediend. Dat de aangifte enig gegeven bevatte aan de juistheid waarvan de inspecteur in redelijkheid behoorde te twijfelen, is gesteld noch gebleken. Verder staat vast dat op 18 februari 2015 de aanslag is opgelegd en het onderzoek dat heeft geleid tot het stellen van vragen aan eiser over de aangifte in 2015 is opgestart. Volgens eiser had dit voor verweerder aanleiding moeten zijn om aan de aangifte meer dan de gebruikelijke aandacht te besteden. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat naar aanleiding van de gerezen verdenking in eerste instantie een beperkt onderzoek is ingesteld naar de juistheid van 173 door het kantoor van de gemachtigde ingediende aangiften. Op basis van de beantwoording van de in die zaken met dagtekening 30 juni 2015 verzonden vragenbrieven en het onderzoek naar de juistheid daarvan is vervolgens geconcludeerd dat een uitgebreider onderzoek gerechtvaardigd was. Vanaf begin 2016 werden daarom de digitaal ingediende aangiften die zijn voorzien van het beconnummer van de gemachtigde en waarvan de aftrekposten boven een bepaald bedrag uitkwamen aan een onderzoek onderworpen. In het kader van dit bredere onderzoek is ook de vragenbrief van 14 maart 2017 aan eiser toegezonden. De rechtbank acht deze werkwijze van verweerder zorgvuldig en voldoende voortvarend. Met hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag het onderzoek al zo ver was gevorderd dat er reden was om aan alle door de gemachtigde ingediende aangiften, waaronder die van eiser, meer dan de gebruikelijke aandacht te besteden. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat bij het behandelen van de aangifte en het opleggen van de aanslag geen sprake is geweest van een ambtelijk verzuim en de navorderingsaanslag is opgelegd op basis van een feit dat de verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag niet bekend was en redelijkerwijs ook niet bekend behoorde te zijn. In zoverre is de navorderingsaanslag dus terecht opgelegd.

12. Eiser heeft nog aangevoerd dat de navorderingsaanslag is opgelegd op basis van de bevindingen van een strafrechtelijk onderzoek bij de gemachtigde welk onderzoek ondeugdelijk is geweest, zodat deze resultaten onbruikbaar zijn als basis voor de navorderingsaanslag. De rechtbank kan eiser daarin niet volgen. De navorderingsaanslag is opgelegd op basis van antwoorden op een vragenbrief aan eiser naar een onderbouwing van de aftrekposten. Dat deze vragenbrief is verzonden naar aanleiding van vragen die waren gerezen over aangiftes die waren verzorgd door het kantoor van de gemachtigde eiser, maakt dat niet anders.

Correctiebeleid

13. Het door verweerder gehanteerde correctiebeleid van 30 maart 2011, versie 2.1, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. In de visie van de Belastingdienst past het niet om aan belastingplichtige een belastingaanslag naar aanleiding van positieve1 [voetnoot: Positief vanuit de fiscus gezien, resulterend in een aan de ontvanger te betalen of af te dragen bedrag. Positief hier ook in de zin van een positief saldo van positieve en negatieve correcties.] correcties op de grondslag op te leggen, die slechts een “gering bedrag” aan te betalen belasting inhoudt. Hier kan gesproken worden van een bepaalde irritatiegrens bij belastingplichtige die invloed kan hebben op zijn complient gedrag. Zeker als het “bedrag” voor de belastingplichtige in geen verhouding staat tot de administratieve gevolgen van de correcties.

Tevens moet ook in ogenschouw worden genomen, de verhouding tussen de kosten van het opleggen van een aanslag sec en de opbrengst.

[…]
4. Het te hanteren bedrag bij een navordering bedraagt € 450 (c.q. € 1.000 inkomen), behoudens in gevallen waarin sprake is van kwade trouw of repeterende onjuistheden.

[…]

9. In die gevallen dat belastingplichtige inspeelt op dit interne correctiebeleid is het mogelijk dat hiervan afgeweken kan worden. Bijvoorbeeld dat de belastingplichtige door het verstrekken van onjuiste gegevens inspeelt op het correctiebeleid.”

14. De navorderingsaanslag ib/pvv 2013 resulteert – na bezwaar en dit beroep – in een te betalen bedrag aan belasting van € 457, derhalve een bedrag boven de grens van € 450. De navorderingsaanslag is derhalve niet in strijd met het correctiebeleid opgelegd.

Gelijkheidsbeginsel

15. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel geldt het volgende. Van schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan sprake zijn (1) indien sprake is van een begunstigend beleid of (2) indien ten aanzien van (een) bepaalde belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk van begunstiging of (3) wanneer de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. Voor zover eiser met een beroep op het de zogenoemde meerderheidsregel aanvoert dat de onderhavige navorderingsaanslagen dienen te vervallen omdat in meer gevallen waarin ook niet aan de ondergrens van het correctiebeleid zou zijn voldaan, niet zou zijn nagevorderd, geldt het volgende. Eiser dient in de eerste plaats feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat in minstens twee gevallen die feitelijk en rechtens met haar geval vergelijkbaar zijn een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, waarna het op de weg ligt van verweerder om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat geen sprake is van beleid en de relevante groep groter is en dat in de meerderheid van de vergelijkbare gevallen de wet juist is toegepast (vgl. HR 15 maart 2000, nr. 34.740, ECLI:NL:HR:2000:AA5142, r.o. 3.4 en 3.7 en HR 6 oktober 2006, nr. 40.443, ECLI:NL:HR:2006: AY9489, r.o. 3.3.2).

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde bewijsstukken niet aannemelijk gemaakt dat de door hem genoemde belastingplichtigen feitelijk en rechtens in vergelijkbare omstandigheden verkeerde(n) als hij zelf, en dat bij de meerderheid van deze belastingplichtigen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Eiseres heeft met het enkel noemen van de namen van deze belastingplichtigen en het inbrengen van stukken uit hun zaken onvoldoende gemotiveerd waarom deze belastingplichtigen in met eiser vergelijkbare feitelijke en juridische omstandigheden verkeerden, en bovendien heeft verweerder onweersproken gesteld dat de 29 aanvankelijk door eiseres genoemde gevallen deel uitmaken van een groep van 54 gevallen en dat er in 1 geval wel is nagevorderd, in 19 gevallen geen sprake is van strijd met het correctiebeleid, 9 gevallen waarin de aftrek alsnog door belastingplichtige onderbouwd is en 9 gevallen waarin de gecombineerde heffingskorting hoger was dan de na correctie verschuldigde belasting. Ten aanzien van de 8 bij nader stuk door eiser ingebrachte gevallen geldt eveneens dat ofwel geen sprake is van strijd met het correctiebeleid, ofwel het wel (deels) alsnog onderbouwen van aftrekposten ofwel dat sprake is van (deels) andere aftrekposten en omstandigheden van belastingplichtigen ten opzichte van eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de meerderheid van de gevallen die feitelijk en juridisch in vergelijkbare omstandigheden als die van eiser verkeerden, een juiste toepassing van het correctiebeleid achterwege is gebleven.

17. Evenmin heeft eiser met hetgeen hij heeft overgelegd aannemelijk genaakt dat verweerder met betrekking tot andere belastingplichtigen het correctiebeleid niet dan wel op andere wijze heeft toegepast hetgeen heeft geleid tot achterwege laten van navordering. Verweerder heeft dit ter zitting expliciet bestreden. Dat verweerder in vergelijkbare gevallen heeft gehandeld op grond van begunstigend beleid dan wel met het oogmerk van begunstiging is derhalve niet gebleken.

Nu geen sprake is van begunstigend beleid, van handelen met het oogmerk van begunstiging en ook de meerderheidsregel niet is geschonden, verwerpt de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

18. Met betrekking tot de geclaimde aftrek kosten in verband met de Pilateslessen van de echtgenote geldt het volgende:

Artikel 6.17 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Uitgaven voor specifieke zorgkosten zijn de uitgaven die wegens ziekte of invaliditeit zijn gedaan voor:

a. genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen ter vervanging van bril of contactlenzen;

b. vervoer;

(…)

9. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder genees- en heelkundige hulp verstaan:

a. een behandeling door een arts;

b. een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts door een paramedicus;

c. een behandeling door een bij ministeriële regeling aan te wijzen paramedicus, mits voor de behandeling een verklaring door de paramedicus is afgegeven die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.”

19. Artikel 39 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 luidt als volgt:

“1 Als paramedicus als bedoeld in artikel 6.17, negende lid, onderdeel c, van de wet wordt aangewezen de persoon die bevoegd is tot het voeren van de titel:

a. fysiotherapeut;

(…)

2 (…)”

20. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan en dat deze uitgaven op hem (of zijn partner) hebben gedrukt. Om voor aftrek in aanmerking te kunnen komen moet een direct verband bestaan tussen de uitgaven en de ziekte of invaliditeit.

21. Eiser heeft ter onderbouwing van deze kosten een verklaring overgelegd van een revalidatiegeneeskundige gedateerd 11 augustus 2015, inhoudende dat patiënte (de echtgenote) is geadviseerd Pilatestraining te starten. Hiermee is niet aannemelijk geworden dat de echtgenote ook reeds in het jaar 2013 Pilatestraining heeft gevolgd. Voorts kunnen de Pilateslessen niet worden aangemerkt als een behandeling onder begeleiding van een arts of paramedicus. Het enkele feit dat een fysiotherapeut deze lessen geeft is daartoe onvoldoende. Niet in geschil is dat de onderhavige Pilateslessen in groepsverband werden gegeven door een pilatesinstructeur die niet in hoedanigheid van fysiotherapeut voor de groep staat. Dit betekent nog niet dat sprake is van een behandeling op voorschrift en onder begeleiding van een arts of paramedicus. Bovendien is de verklaring van de revalidatie geneeskundige eerst in 2015 afgegeven en is dit onvoldoende om aannemelijk te maken dat hier ook in 2013 reeds sprake van was. Gelet op het voorgaande en de gemotiveerde betwisting door verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat recht bestaat op een aftrek voor genees- en heelkundige hulp.

22. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het niet langer beschikken over de verzochte bewijsstukken hem niet kan worden tegengeworpen, nu voor deze bewijsstukken geen wettelijke bewaarplicht geldt, en hij er na ontvangst van de definitieve aanslagen over 2013 en 2014 vanuit mocht gaan dat geen vragen meer zouden worden gesteld, overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWR bevoegd is van een belastingplichtige de gegevens en informatie te verzoeken die in het kader van de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn. Deze bevoegdheid eindigt niet na oplegging van een definitieve aanslag. Daarnaast rust op eiser, nu hij de in geschil zijnde specifieke zorgkosten en kosten in verband met ROW in aftrek heeft gebracht, de last aannemelijk te maken dat dergelijke uitgaven zijn gedaan, op hem hebben gedrukt en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan. Niet aannemelijk is geworden dat eiser als gevolg van overmacht niet de beschikking heeft over deze bewijsstukken. Dat eiser kennelijk niet meer over bewijsstukken beschikt, komt dan ook geheel voor zijn rekening en risico.

23. Voor zover eiser voorts bedoelt te stellen dat hij het in rechte te beschermen vertrouwen mocht hebben, dat een definitief opgelegde aanslag ook definitief is en niet kan worden herzien als in de optiek van de aanslagregelend ambtenaar diens vragen niet correct beantwoord zijn. Voor in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder de aangiftes op een bepaald punt heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van omstandigheden die bij eiser de indruk hebben kunnen wekken dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling (zie Hoge Raad 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179). Nu de aangifte in eerste instantie geautomatiseerd is afgedaan leidt het volgen van die aangifte in dit geval niet tot het gerechtvaardigde vertrouwen dat verweerder een bewust standpunt heeft ingenomen over de aanvaardbaarheid van de aftrekposten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de zienswijze van eiser inhoudt dat nooit zou kunnen worden nagevorderd nadat er een definitieve aanslag is opgelegd. Gelet op artikel 16, eerste lid, van de AWR kan die zienswijze niet als juist worden aanvaard.

Immateriële schadevergoeding

24. Eiser heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding voor de schade die hij heeft geleden en lijdt in de vorm van de spanning en frustratie als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar.

25. Het bezwaarschrift is ingediend op 7 november 2017, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 17 oktober 2018, en de rechtbank doet uitspraak op 21 augustus 2020, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden is overschreden met (afgerond) 10 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Aangezien de bezwaarfase, gelet op de datum van de uitspraak op bezwaar (17 oktober 2018), (afgerond) 11 maanden heeft geduurd, is een periode van 5 maanden daaraan toe te rekenen. Het restant is toe te rekenen aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom 5/10e deel van € 1.000 te betalen (€ 500) en de Staat (de minister voor Rechtsbescherming) 5/10e deel (€ 500).

26. Gelet op het vorenoverwogene dient het ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. Omdat een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenvergoeding tot te kennen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de immateriële schadevergoeding.

28. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.2 zal de vergoeding van dit bedrag deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de Minister voor Rechtsbescherming, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt. Hetzelfde heeft te gelden voor de vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt de Staat (de minister voor Rechtsbescherming) tot betaling van de immateriële schade van eiser tot een bedrag van € 500;

- veroordeelt verweerder en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) in de proceskosten van eiser, ieder tot een bedrag van € 262,50; en

- draagt verweerder en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) op het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden, ieder tot een bedrag van € 23.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is gedaan op 21 augustus 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.