Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5880

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5304
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douanerecht. Vlees van runderen, gekoeld en zonder been, met land van oorsprong Uruguay. Kan eiseres ten volle aanspraak maken op het tarief dat verbonden is aan het tariefcontingent ? Is het beginsel van eerbieding van rechten van verdediging geschonden? Immateriële schadevergoeding. Termijnoverschrijding is toerekenbaar aan beroepsfase en daarom dient de Staat de schade te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-08-2020
FutD 2020-2298
DouaneUpdate 2020-0320
NTFR 2020/2477
NLF 2020/1822 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 17/5304, HAA 17/5305 en HAA 17/5306

uitspraak van de meervoudige douane kamer van 29 april 2020 in de zaken tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres

(gemachtigde: A.M. van Lent),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

HAA 17/5304

Verweerder heeft met dagtekening 2 juni 2017 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) uitgereikt voor een bedrag van € 43.070,60 aan douanerechten op industrieproducten.

HAA 17/5305

Verweerder heeft met dagtekening 2 juni 2017 aan eiseres een utb uitgereikt voor een bedrag van € 42.383,83 aan douanerechten op industrieproducten.

HAA 17/5306

Verweerder heeft met dagtekening 2 juni 2017 aan eiseres een utb uitgereikt voor een bedrag van € 45.894,52 aan douanerechten op industrieproducten.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 oktober 2017 de utb’s gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen in één geschrift beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2020 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen [A] en [B] , bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [C] , mr. [D] en [E] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres heeft op 31 mei 2017 een drietal aangiften gedaan om vlees van runderen, gekoeld en zonder been, met land van oorsprong Uruguay, in het vrije verkeer te brengen onder goederencode 0201 30 00 10.
In zaak HAA 17/5304 gaat het om de aangifte van 21.684 kilogram vlees (netto gewicht),
in zaak HAA 17/5305 gaat het om de aangifte van 21.340 kilogram vlees (netto gewicht) en in zaak HAA 17/5306 gaat het om de aangifte van 23.108 kilogram vlees (netto gewicht).
Bij de aangiften heeft eiseres steeds een beroep gedaan op het tariefcontingent met nummer 092202 en heeft zij de preferentiecode 125 vermeld.

2. Verweerder heeft de aanvragen om toepassing van het tariefcontingent op 31 mei 2017 ingediend bij de Europese Commissie (hierna: Commissie).

3. Op 2 juni 2017 heeft de Commissie de aanvragen van eiseres op grond van artikel 308bis van het Douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden toegewezen. Voor 51,50% van de aangevraagde hoeveelheid kon eiseres gebruik maken van het douanetarief behorend bij het contingent.

4. De Commissie maakt elke dag op haar website bekend welke hoeveelheid van het contingent is toegewezen. De website wordt om 19:00 uur ge-update. Op 31 mei 2017 stonden, voor zover hier van belang, de volgende gegevens op de website:

Order number 092202

(…)

Initial amount 12050000 Kilogram

Amount 12088770.33 Kilogram

Balance 422258.33 Kilogram

Transferred 38770.33

Amount Kilogram

(…)

Total awaiting

allocation 325690

(…)”

5. In een e-mail d.d. 8 juni 2017 van het DDS-QUOTA team van de Commissie aan de direct vertegenwoordiger van eiseres staat, voor zover hier van belang, het navolgende:

“ (..)

Furthermore, the balance of 422.258 kg was obtained after the allocation (on 31 May) of alle the requests based on declarations accepted on 29.05.25017 or earlier.

Indeed, on the allocation of 01.06.2017 we treated the requests based on declarations accepted on 30.05.2017 and, then, the balance decreased to 116.827 kg.

It was only on the next day (02.06.2017) that we treated the requestst based on declarations accepted on 31.05.2017 and, therefore, they received a partial allocation of 51,50% of the requested amount.

In conclusion, you have always to take into account 2 working days processing time of the tariff quota allocation.”

6. De betreffende website van de Commissie bevat een disclaimer waarin de gebruiker wordt geïnformeerd dat de Commissie geen verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor de informatie op de website aanvaardt. De informatie is niet noodzakelijk volledig, accuraat of up-to-date.

Geschil

7. In geschil is of de utb’s voor het juiste bedrag zijn uitgereikt. Meer in het bijzonder is in geschil of eiseres ten volle aanspraak kan maken op het tarief dat verbonden is aan het tariefcontigent.

8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat op het moment van het doen van de aangiften en het controleren van het contingent er nog voldoende quotum in het contingent aanwezig was en aan haar een volledige toekenning van het aangevraagde quotum toekomt op grond van het recht van “first come, first serve”. Eiseres stelt dat het recht op verdediging alsmede het recht op inzage in de stukken is geschonden. Verweerder weigert inzage te geven in de stukken waaruit de pro-rata verdeling blijkt. Eiseres doet een beroep op artikel 119 van het DWU en meent dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten. Zij verwijst naar een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 november 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AP4580.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb’s. en eiseres maakt aanspraak op vergoeding van de proceskosten en de griffierechten. Ter zitting heeft eiseres zich voorts op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn waarbinnen de zaken moeten worden behandeld is overschreden.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de utb’s terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. De maximale hoeveelheid van het contingent is overschreden op 31 mei 2017. Het contingent is om die reden verdeeld op grond van artikel 51, vierde lid, van de Uitvoeringsverordening van het Douanewetboek van de Unie (hierna: UDWU), dat wil zeggen dat de nog beschikbare hoeveelheid van het contingent wordt uitgedrukt in een percentage van de totaal aangevraagde hoeveelheid in alle op 31 mei 2017 ingediende aanvragen. In dit geval is 51,50% toegewezen. Voor 48,50% is het douanetarief (12,8%) plus € 303,40 per 100 kilogram netto gewicht toegepast. Verweerder stelt dat hij geen stukken heeft en ook niet kan hebben omtrent de berekening van de toewijzing van het contingent en de verdere afhandeling van de aangifte. De aanvraag wordt via automatische systemen doorgeleid naar de Commissie en de Commissie brengt de gegevens weer in het Nederlandse systeem. De Commissie geeft informatie over de stand van en de uitputting van het contingent op haar website. Ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel stelt verweerder dat aan toepassing van artikel 119 van het DWU niet wordt toegekomen. Mocht de rechtbank daar anders over oordelen dan stelt verweerder dat eiseres de vergissing redelijkerwijs kon ontdekken. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Relevante regelgeving

11. Artikel 49, eerste lid, van de UDWU luidt als volgt:

“Tariefcontingenten die zijn geopend in overeenstemming met de Uniewetgeving met betrekking tot de methode van administratie in dit artikel en in de artikelen 50 tot en met 54 van deze verordening worden beheerd overeenkomstig de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften voor het in het vrije verkeer brengen.”

12. Artikel 51 van de UDWU luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De Commissie wijst elke werkdag hoeveelheden toe, maar de Commissie kan op een bepaalde werkdag besluiten geen hoeveelheden toe te wijzen op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hierover van tevoren zijn geïnformeerd.

2. De hoeveelheden in het kader van de tariefcontingenten kunnen niet eerder worden toegewezen dan op de tweede werkdag na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte waarin de aanvrager om toepassing van het tariefcontingent heeft gevraagd.

De Commissie houdt bij elke toewijzing rekening met alle niet beantwoorde aanvragen om tariefcontingenten toe te passen op basis van douaneaangiften die zijn aanvaard tot en met de tweede werkdag voorafgaand aan de dag van toewijzing en die door de douaneautoriteiten zijn doorgestuurd naar het systeem zoals bedoeld in artikel 54 van deze

verordening.

3. De Commissie wijst, in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de betreffende douaneaangiften en voor zover het resterende saldo van het tariefcontingent dit toestaat, voor elk tariefcontingent hoeveelheden toe op basis van de door haar ontvangen aanvragen om dat tariefcontingent toe te passen.

4. Wanneer op de dag van de toewijzing de som van de hoeveelheden van alle aanvragen voor het toepassen van een tariefcontingent voor aangiften die op dezelfde datum zijn aanvaard groter is dan het resterende saldo van het tariefcontingent, wijst de Commissie de hoeveelheden voor deze aanvragen toe in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden.”

Beoordeling van het geschil

Contingent

13. Voor de goederen waarop de aangiften van eiseres zien gold een tariefpreferentie voor een vooraf vastgesteld invoervolume, een zogeheten tariefcontingent zoals bedoeld in artikel 56, vierde lid, DWU. Uit artikel 58, eerste lid, DWU volgt dat het toezicht op en bewaken van contingenten een taak van de Commissie is. Daarvoor heeft zij in de artikelen 49-54 UDWU voorschriften gegeven.

14. Uit de artikelen 49-54 UDWU, gelezen in samenhang met hoofdstuk 6.15 van het Handboek Douane en de e-mail van 8 juni 2017 van het TAXUD-DDS-Quota team, leidt de rechtbank het navolgende af.

Het onderhavige tariefcontingent wordt bij de Commissie beheerd door DG-TAXUD in samenwerking met de douanediensten van de lidstaten, op basis van het beginsel “wie het eerst komt, eerst maalt”.

Aan de hand van de gegevens van de AGS-aangiften van eiseres is de aanvraag van het tariefcontingent automatisch aangemaakt en gezonden naar verweerders aanvraagsysteem DTV/Quota. Aanvragen ontvangen vóór 12.00 uur worden dezelfde dag opgevoerd en ingediend bij DG-TAXUD. Aanvragen die na 12.00 worden ontvangen, worden de eerstvolgende werkdag door DG-TAXUD verwerkt. Na twee werkdagen worden de toewijzingen door DG-TAXUD ontvangen in DTV/Quota en direct gezonden naar AGS. DG-TAXUD wijst in chronologische volgorde van aanvaarding van de douaneaangiften en de resterende saldo’s van het tariefcontingent, voor elk tariefcontingent hoeveelheden toe op basis van de ontvangen aanvragen om dat tariefcontingent. Wanneer de som van de hoeveelheden van alle aanvragen voor het toepassen van een tariefcontingent voor aangiften die op dezelfde datum zijn aanvaard groter is dan het resterende saldo van het tariefcontingent, wijst DG-TAXUD de hoeveelheden voor deze aanvragen toe in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden.

Bij toewijzing van een gedeelte van de aangevraagde hoeveelheid wordt de aangifte automatisch gesplitst in 2 aangiften, waarvan de ene betrekking heeft op de toegewezen hoeveelheid met toepassing van het verlaagd- of nulrecht en de ander op de hoeveelheid die niet in aanmerking komt voor het tariefcontingent met toepassing van het algemeen geldend invoerrecht.

Het verloop van de contingenten kan worden gevolgd op een website van DG-TAXUD, waarop iedere werkdag om 19.00 uur een update plaatsvindt. Uit vorenbeschreven werkwijze volgt dat bij de toewijzing van de aanvragen door de Commissie rekening moet worden gehouden met een verwerkingstijd van twee werkdagen.

Uit de gegevens die vermeld staan op de website van de Commissie op woensdag 31 mei 2017 (dat wil zeggen na de update om 19.00 uur) kan worden afgeleid dat na toewijzing van de aanvragen van maandag 29 mei 2017 er nog 422.258,33 kilogram (“balance”) beschikbaar is en dat er aanvragen zijn ontvangen door de Commissie voor een hoeveelheid van 325.690 kilogram (“total awaiting allocation”). De Commissie heeft de aanvragen van eiseres ontvangen op 31 mei 2017.

15. Partijen verschillen van mening over hetgeen in het vorenstaande kan worden gelezen. Eiseres is van mening dat haar drie aanvragen (van in totaal 66.132 kilogram) moeten zijn begrepen in de op die dag op de website van de Commissie vermelde hoeveelheid van 325.690 kilogram aan ‘total awaiting allocation”. Haar aanvragen zouden daarom geheel moeten zijn toegewezen omdat deze hoeveelheid kleiner is dan de vermelde ‘balance”. Volgens de toelichting van verweerder wordt de hoeveelheid aan ‘total awaiting allocation” waarop eiseres duidt echter gevormd door de aanvragen van 30 mei 2017 en de aanvragen van 31 mei 2017 van vóór 12.00 uur. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het Douanehandboek, waarin het werkproces van de Commissie wordt beschreven. Aanvragen gedaan op 31 mei 2017 ná 12.00 uur worden op 1 juni 2017 verwerkt en gaan behoren tot de ‘total awaiting allocation” op 1 juni 2017.

16. Of de aanvragen van eiseres al dan niet begrepen waren in de vermelde hoeveelheid aan ‘total awaiting allocation” op 31 mei 2017 kan naar het oordeel van de rechtbank hier in het midden blijven, nu ervan moet worden uitgegaan dat deze “total awaiting allocation” op 31 mei 2017 niet de totale hoeveelheid aan aanvragen is geweest die op 1 juni 2017 (aanvragen geaccepteerd op 30 mei 2017) en vervolgens op 2 juni 2017 (aanvragen geaccepteerd op 31 mei 2017, zowel vóór als na 12.00 uur) voor toewijzing voorlag. Met die aanvragen werd het resterende saldo overschreden, waardoor op 2 juni 2017 toewijzing naar rato aan de orde is, als bedoeld in artikel 51, vierde lid, UDWU.

17. Naar het oordeel van de rechtbank mocht eiseres er op grond van de informatie die zij op 31 mei 2017 (na de update van 19.00 uur) ontleende aan de website van de Commissie niet van uitgaan dat haar aanvraag volledig zou worden toegewezen.

Beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging

18. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) volgt dat de verplichting van de lidstaten om de rechten van de verdediging te eerbiedigen een beginsel van Unierecht is, dat geldt wanneer bezwarende besluiten worden genomen die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Europese Unie vallen. Het beginsel brengt in het bijzonder mee dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord alvorens een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden en vereist dat de adressaten van besluiten die hun belang aanmerkelijk raken in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Bezwarende besluiten zoals een utb vallen binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie.

19. Het beginsel van eerbiediging van rechten van verdediging heeft echter geen absolute gelding maar kan beperkingen bevatten, mits deze beperkingen beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd én geen sprake is van een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. Aan de eerste voorwaarde wordt voor beschikkingen van de douaneautoriteiten altijd voldaan, omdat het algemeen belang van de EU is gediend bij een snelle inning van de eigen middelen. Wat betreft de tweede voorwaarde geldt dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van eerbieding van de rechten van verdediging als de adressaat de mogelijkheid heeft om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de douaneautoriteiten tot de eventuele herziening daarvan te krijgen, voor zover de voorwaarden van artikel 244, tweede alinea, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) voor opschorting van de tenuitvoerlegging niet te eng worden toegepast (zie HvJ 20 december 2017, C-276/16 (Prequ’Italia Srl), ECLI:EU:C:2017:1010).

20. De omstandigheid dat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld zich uit te laten voorafgaand aan het opleggen van de utb’s leidt gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging is geschonden.

21. Eiseres beklaagt zich voorts over het feit dat verweerder geen stukken heeft overgelegd dan wel inzage heeft gegeven in de stukken waaruit blijkt dat er op het tijdstip van aanvaarding van de aangiften geen quotum onder het contingent beschikbaar was en waarom en hoe de pro-rata toedeling tot stand is gekomen en stelt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 41 en 42 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2016/C 202/02) (hierna: Handvest).

22. In het arrest Hof van Justitie 9 november 2017, C-298/16, (Ispas, ECLI:EU:C:2017:843) is onder meer overwogen:

25. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat particulieren in nationale administratieve procedures voor de controle en de vaststelling van de maatstaf van heffing van de btw toegang hebben tot alle informatie en documenten in het administratieve dossier die de overheidsinstantie in aanmerking heeft genomen bij het nemen van haar besluit [onderstreping Hof].

(…)

32. Zoals de advocaat-generaal in de punten 121 en 122 van zijn conclusie heeft opgemerkt, rust op de nationale belastingautoriteiten daartoe geen algemene verplichting om volledige toegang te geven tot het dossier waarover zij beschikken of om de documenten en informatie ter ondersteuning van het voorgenomen besluit ambtshalve te verstrekken.

33. In het kader van een belastingcontrole, die ertoe strekt na te gaan of belastingplichtigen aan hun fiscale verplichtingen hebben voldaan, kan immers worden verwacht dat die belastingplichtigen toegang tot die documenten en informatie vragen om, in voorkomend geval, toelichtingen te verstrekken of middelen aan te voeren tegen het standpunt van de belastingdienst.

34. De daadwerkelijke eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist evenwel het bestaan van een reële mogelijkheid van toegang tot die documenten en informatie, tenzij een beperking van die toegang gerechtvaardigd is door doelstellingen van algemeen belang.

23. Verweerder heeft toegelicht dat hij niet beschikt over de door eiseres gevraagde gegevens. De aanvraag wordt via de automatische systemen van de Nederlandse douane doorgeleid naar de Commissie waar de toewijzing (of afwijzing) plaatsvindt, die vervolgens wordt ingebracht in het Nederlandse systeem. Daarna vindt de automatische afhandeling plaats.

Gegeven de hierboven onder overweging 14 beschreven aanvraagprocedure, is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat verweerder het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging is geschonden doordat hij eiseres niet kan voorzien van de door haar gevraagde gegevens.

24. Ten slotte heeft eiseres zich onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 26 november 2002 op het standpunt gesteld dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten en haar een beroep toekomt op gerechtvaardigd vertrouwen. Anders dan eiseres heeft gesteld, mist artikel 119 DWU in dit geval toepassing. Er is immers geen sprake van navorderingen. Deze grond kan daarom niet slagen.

25. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding van immateriële schade

26. Eiseres heeft verzocht om vernietiging van de uitspraken op bezwaar wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de zaken moeten worden behandeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252) kan in belastingzaken aanspraak bestaan op schadevergoeding met overeenkomstige toepassing van artikel 8:73 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), indien het belastinggeschil niet binnen een redelijke termijn wordt beslecht. De wet en de vaste jurisprudentie voorziet niet in de mogelijkheid om in een dergelijk geval om die reden tot vernietiging van een besluit over te gaan. De rechtbank zal daarom beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor schadevergoeding. De redelijke termijn is overschreden als na indiening van het bezwaar meer dan twee jaren zijn verstreken voordat op dat bezwaar en, indien vervolgens beroep is ingesteld, op dat beroep is beslist. Er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die aanleiding geven tot verkorting of verlenging van die termijnen. Als de bezwaar- en beroepsfase samen te lang hebben geduurd, vindt de toerekening als volgt plaats. De bezwaarfase heeft onredelijk lang geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

De redelijke termijn is aangevangen op 26 juni 2017 (indiening bezwaarschriften) en zal eindigen met de datum van de uitspraak van de rechtbank op 29 april 2020. Verweerder heeft niet gesteld en het is de rechtbank ook niet gebleken dat bij het bepalen van de overschrijding een bepaalde periode buiten beschouwing moet blijven. Er is sprake van een tijdsverloop van afgerond 2 jaar en 11 maanden, in totaal 35 maanden. De redelijke termijn is derhalve met 11 maanden overschreden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. Van dit tijdsverloop dient een periode vanaf de datum van de uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2017 tot de datum van de uitspraak van de rechtbank op 29 april 2020 van 2 jaar en 7 maanden, derhalve een tijdsverloop van afgerond 31 maanden, te worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (35 – 31) 4 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. In dit geval dient de totale overschrijding van 11 maanden aan de rechtbank te worden toegerekend. De termijnoverschrijding is daarom geheel toerekenbaar aan de beroepsfase. De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) dient aan eiseres € 1.000 te vergoeden.

Proceskosten

27. Nu de rechtbank een vergoeding van immateriële schade aan eiseres heeft toegekend vanwege overschrijding van de redelijke termijn, is er aanleiding de Staat op de voet van artikel 8:75 van de Awb en het bepaalde in rechtsoverweging 3.14.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding nu eiseres in de hoofdzaak in het ongelijk is gesteld. De rechtbank merkt de onderhavige zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskoten bestuursrecht (het Besluit). De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525 en een factor 0,5 voor het gewicht van de zaak), nu de Staat slechts wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres omdat aan haar een vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend (vgl. Hoge Raad 20 maart 2015, nr. 14/01332, ECLI:NL:HR:2015:660). De rechtbank ziet voorts aanleiding de Staat op te dragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 333 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op een bedrag van € 1.000;

  • -

    veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 525;

  • -

    draagt de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie) op het betaalde griffierecht zijnde een bedrag van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Kleefmann, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr.drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van mr. W.G. van Gastelen, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.