Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5871

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2997
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlaging WW in verband met prepensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2020/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2997

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Bosch),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Nicolai).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat de uitkering die eiser met ingang van 1 januari 2019 in het kader van de Werkloosheidswet (WW) ontvangt, moet worden verlaagd omdat eiser vanaf 1 juni 2018 een prepensioen ontvangt.

Bij besluit van 11 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 1 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 31 december 2018 heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2019 een WW-uitkering toegekend.

Verweerder heeft vervolgens in het primair besluit beslist zoals hiervoor weergegeven.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt waarna verweerder heeft beslist in het bestreden besluit.

2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 3:5, vijfde lid van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).

Verweerder verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Op basis hiervan wordt prepensioen niet tot het inkomen gerekend dat door de uitkeringsgerechtigde werd ontvangen en dat betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren. Dit is een uitzondering op de hoofdregel en moet daarom restrictief worden uitgelegd. Deze uitzonderingsbepaling is alleen van toepassing als het prepensioen samenhangt met dezelfde (resterende) dienstbetrekking als waaruit de werknemer werkloos is geworden. Alleen in die situatie wordt een prepensioen niet gekort op de WW-uitkering.

Eiser heeft aangegeven dat zijn prepensioen voortgekomen is vanuit aanspraken die bij zijn vorige werkgever [werkgever 1] zijn opgebouwd.

Dit betekent dat zijn prepensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan met als gevolg dat dit prepensioen in mindering moet worden gebracht op zijn WW-uitkering.

3. Eiser heeft aangevoerd dat hij wel voldoet aan een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 3:5, vijfde lid van het AIB. Hij vindt dat verweerder in het bestreden besluit een beperking heeft opgelegd die niet volgt uit de wet of jurisprudentie.

Eiser heeft ter zitting toegelicht dat het standpunt van verweerder dat het prepensioen voortkomt enkel uit de inleg bij een vorige werkgever - [werkgever 1] – onjuist is.

Hij heeft van 1980 tot 2002 gewerkt bij [werkgever 1] en van 1 juli 2002 tot 1 januari 2019 bij [werkgever 2] B.V. In verband met een teruggang van arbeidsuren van 36 naar 20 heeft hij dit verlies aan uren gecompenseerd met prepensioen. Eiser heeft sinds 1 juni 2018 recht op prepensioen van Nationale Nederlanden.

De inleg voor dit pensioen ziet derhalve op verschillende jaren en meerdere dienstbetrekkingen. Hij heeft de totale inleg samengevoegd en ondergebracht bij Nationale Nederlanden omdat hij daar een goed product kon krijgen waaronder een nabestaandenpension voor zijn vrouw. Van de totale inleg van € 261.000 is € 111.000

opgebouwd bij [werkgever 2] .

4. Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerder terecht eisers prepensioen in mindering heeft gebracht op zijn WW-uitkering.

5. Ingevolge artikel 47, tweede lid, van de WW wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald wat onder inkomen in verband met arbeid, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan. Die algemene maatregel van bestuur is het AIB.

6. Op grond van artikel 3:5, vierde lid onder a van het AIB – ten tijde in geding - wordt voor de Werkloosheidswet als inkomen in verband met arbeid beschouwd een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot het inkomen in verband met arbeid gerekend de uitkering, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, indien die uitkering door de uitkeringsgerechtigde voor het intreden van de werkloosheid werd ontvangen en die samenhangt met een eerder verlies van arbeidsuren.

Ingevolge het zevende lid van dit artikel wordt in afwijking van het vierde lid, onderdeel a, niet tot inkomen in verband met arbeid gerekend een uitkering die door de uitkeringsgerechtigde reeds werd ontvangen voorafgaand aan het ontstaan van de dienstbetrekking waaruit het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet is ontstaan.

7. Volgens rechtspraak van de CRvB wordt een ontvangen prepensioen alleen dan niet gekort op de WW-uitkering, als dit prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies aan arbeidsuren in de dienstbetrekking waaruit het WW-recht is ontstaan. In alle overige gevallen waarin een prepensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, wordt dit prepensioen in mindering gebracht op de WW-uitkering (zie in dit kader de uitspraken van de CRvB van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2865 en van 25 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:300).

8. Niet in geschil is dat het prepensioen dat eiser vanaf 1 juni 2018 ontvangt een uitkering is als bedoeld in artikel 3:5 van het AIB. Evenmin in geschil is dat in de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan - [werkgever 2] B.V. – sprake was van een arbeidsurenverlies en dat deze dienstbetrekking een andere is, dan de dienstbetrekking waaruit zijn prepensioen voortkomt, te weten [werkgever 1] . In geschil is ook niet dat beide dienstbetrekking voor het intreden van de werkloosheid niet naast elkaar bestonden.

9. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het prepensioen ook is opgebouwd uit de inleg van zijn laatste werkgever [werkgever 2] B.V. en dat hij al zijn pensioenaanspraken heeft bijeengebracht bij één uitvoerder Nationale Nederlanden.

Nog daargelaten dat eiser deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd treft deze beroepsgrond geen doel. Uit artikel 3:5 van het AIB en de jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2017:300) volgt dat voor alle gevallen geldt dat als een pensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, het pensioen in mindering moet worden gebracht op de WW-uitkering. Op basis hiervan wordt niet voldaan aan de uitzondering op grond van artikel 3:5, vijfde lid van het AIB met als gevolg dat verweerder terecht het prepension op eisers WW-uitkering heeft gekort.

De ongunstige gevolgen voor eiser bieden niet de mogelijkheid om de regelgeving buiten toepassing te laten of andere uitzonderingen aan te nemen.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van

E.A.D. Horn, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.