Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5870

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
HAA 19-4438
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging loondoorbetalingsverplichting met 52 weken (loonsanctie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/4438

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] ,

eiseres,

(gemachtigde: [naam 1] )

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te [woonplaats] , (hierna: werkneemster).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder werkneemster meegedeeld dat de behandeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) wordt uitgesteld, omdat eiseres niet alle verplichtingen is nagekomen voor haar re-integratie. De periode waarin werkneemster recht heeft op loon is verlengd tot 1 mei 2020.

Bij besluit van 28 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Skypezitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder en werkneemster zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Werkneemster was sinds 2000 werkzaam als [functie 1] voor 24 uur per week bij [# 1] . Op 3 mei 2017 heeft zij zich ziek gemeld.

1.1

Uit het plan van aanpak (pva) van 15 augustus 2017 blijkt dat het doel is dat werkneemster werk hervat in de eigen functie. Uit de bijstellingen pva van 16 november 2017 en april 2018 blijkt dat werkneemster in november 2017 twee keer per week 2 uur administratieve taken heeft verricht en dat dat in november 2017 2,5 uur is geworden.
Uit een formulier ‘eerstejaarsevaluatie’ van 19 juni 2018 en berichten van de bedrijfsarts van 29 januari 2019 over de periode mei 2017 tot januari 2019 blijkt dat werkneemster begin 2018 weer taxiritten is gaan rijden, waarbij het werk is aangepast; het gaat om rustige ritten en steeds dezelfde begin- en eindtijden. Het opbouwschema dat was opgesteld stagneerde al vrij snel. Werkneemster heeft een tijdlang twee dagen per week 6 uur gewerkt. Op het moment dat naar twee volledige dagen zou worden opgebouwd, in mei 2018, is ze geheel uitgevallen. In september 2018 is zij opnieuw gestart in eigen werk met korte ritten op [locatie] .
In de bijstelling pva van 21 augustus 2018 staat dat werkneemster veel stress ervaart door geen standaard begintijd te hebben. Zij heeft drie kleine kinderen die om 08.30 op school moeten zijn en omdat haar partner in de ochtend niet thuis is komt alles op haar neer. Werkneemster wil graag zekerheid over haar begintijd. Het liefste begint zij niet eerder dan 08.30 uur, maar 08.45 uur zou nog beter zijn.

1.2

De arbeidsdeskundige [naam 2] , werkzaam bij ArboNed, heeft op verzoek van eiseres in zijn rapport van 24 augustus 2018 een beoordeling gegeven over de arbeidsmogelijkheden van werkneemster. Zijn conclusie luidt dat ze niet geschikt is voor het eigen werk, maar dat werk is wel gedeeltelijk passend te maken. In dat verband is vermeld dat, naar het zich laat aanzien, het rijden op de bus geen probleem is, maar dat de combinatie werk en privé voor haar nog te belastend is. Uit de informatie van de werkgever is gebleken dat deze wel de mogelijkheid heeft om enigszins de werktijden, inzet op welke bus en welke vorm van vervoer, aan te passen maar er altijd de kans bestaat dat werktijden of omstandigheden wijzigen omdat dit inherent is aan het vervoer op [locatie] . [naam 2] geeft aan dat werkneemster uiteraard de mogelijkheid heeft om verder te re-integreren in het werk voor datum einde wachttijd per 3 mei 2019, maar dat eiseres en werkneemster er goed aan doen om gezamenlijk te kijken op welke werkzaamheden en diensten werkneemster de komende tijd kan worden ingezet die ook kunnen leiden tot structurele werkhervatting. [naam 2] concludeert verder dat gezien het feit dat werkneemster gebaat is bij vaste werktijden, gezien haar gezinssituatie, zonder dat er sprake is van langer moeten doorwerken, een kantoorbaan het meest ideale zou zijn. Binnen de eigen organisatie komen de functie van [functie 2] , [functie 3] en [functie 4] in aanmerking als passend.

1.3

Uit de eindevaluatie van 24 januari 2019 volgt dat werkneemster op dat moment sinds 15 januari 2019 18 uur per week in eigen werk met aanpassingen (er wordt rekening gehouden met werktijden en stress voorkomende werkzaamheden) werkte.

1.4

Op 7 februari 2019 heeft werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd. Hierna heeft het onder ‘Procesverloop’ weergegeven procesverloop plaatsgevonden.

1.5

Bij besluit van 7 januari 2020 heeft verweerder de loonsanctie van eiseres verkort tot en met 16 januari 2020.

2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat verweerder er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat sprake is van een tekortkoming aan haar zijde. Met name het standpunt ten aanzien van het structurele karakter van de aangeboden werkzaamheden is niet voorzien van een deugdelijke motivering. De vermelding in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 27 augustus 2019 dat zowel eiseres als werkneemster tijdens hun gesprek met de arbeidsdeskundige hebben verklaard dat de aangepaste werkzaamheden niet structureel konden worden aangeboden, is niet correct. Eiseres heeft enkel gezegd dat zij niet kan garanderen dat werkneemster niet voor 08.30 uur wordt ingeroosterd. Mogelijk is daar verwarring ontstaan. Een motivering die gebaseerd is op hetgeen volgens de arbeidsdeskundige ‘indirect’ gezegd zou zijn, is niet voldoende. De werkzaamheden kunnen, worden en zijn structureel aangeboden. Bij twijfel over de standpunten van partijen ligt het op de weg van de arbeidsdeskundige om daar expliciet naar te vragen. Omdat de werkzaamheden die werkneemster verrichte haar eigen werkzaamheden waren, vloeit het gegeven dat eiseres haar die werkzaamheden structureel aanbiedt, voort uit de arbeidsovereenkomst die tussen hen geldt.

Inmiddels is een bekortingsverzoek van eiseres op 7 januari 2020 gehonoreerd. In het bijbehorende arbeidsdeskundige onderzoek is aangegeven dat eiseres wel genoeg aan re-integratie heeft gedaan, omdat het werk structureel wordt aangeboden. Ten aanzien van het structureel aanbieden van werk is echter niets veranderd. Ook nu is er geen nieuwe of aangepaste arbeidsovereenkomst. Waarom de bekorting dan wél is toegekend maar de loonsanctie gehandhaafd wordt, is niet duidelijk.
Voorts verzet eiseres zich er, onder verwijzing naar artikel 25, tiende lid, WIA en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), tegen dat verweerder in de bezwaarprocedure een nieuwe tekortkoming aan de loonsanctie ten grondslag legt. Pas in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 augustus 2019 wordt aangegeven dat eiseres de tekortkoming kan repareren door werkneemster haar uren verder te laten opbouwen naar 24 uur per week. Omdat dit niet eerder is geopperd komt het reparatoire karakter van de loonsanctie in gedrang.

3. Bij de beoordeling van het beroep is de volgende regelgeving van belang.

3.1

Uit artikel 25, negende lid, van de WIA volgt – samengevat en voor zover van belang – dat het UWV het tijdvak waarover de verzekerde recht heeft op loon verlengt, indien blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De werkgever kan vervolgens zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde re-integratie-inspanningen herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.

3.2

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter1 (hierna: Beleidsregels) heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of de werkgever en de werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop.

3.3

Volgens de Beleidsregels dient in dit kader eerst te worden beoordeeld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het resultaat van de re-integratie-inspanningen niet bevredigend is. Van een bevredigend resultaat in de zin van de Beleidsregels is sprake wanneer is gekomen tot een (gedeeltelijke) werkhervatting die min of meer aansluit bij de functionele mogelijkheden van de werknemer. De hervatting moet een structureel karakter hebben, dat wil zeggen: het moet aannemelijk zijn dat de werknemer ook na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan blijven werken. Ook is sprake van een bevredigend resultaat wanneer betrokkene is ingeschakeld in arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van het loon vóór de ziekte. Hier geldt ook dat de hervatting een structureel karakter moet hebben. Als er volgens verweerder geen bevredigend resultaat is bereikt, worden de re-integratie-inspanningen beoordeeld.

3.4

In de Beleidsregels is verder bepaald dat ondanks het uitblijven van een bevredigend re‑integratieresultaat geen loonsanctie wordt opgelegd wanneer het UWV de inspanningen van de werkgever wel voldoende acht. Evenmin wordt een loonsanctie opgelegd wanneer de re‑integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende zijn, maar de werkgever naar het oordeel van het UWV daarvoor een deugdelijke grond heeft.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Zoals ook door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 27 augustus 2019 vermeld, is het uitgangspunt dat verweerder met feiten en omstandigheden die na het primaire besluit bekend zijn geworden, uitsluitend rekening moet houden voor zover deze zien op de datum in geding. De rechtbank neemt bij dit oordeel in aanmerking dat in de wet in de oplegging van een loonsanctie van (maximaal) 52 weken is voorzien, waarbij de uiteindelijke duur afhankelijk is van het herstel van de tekortkoming door de werkgever. In dit verband is inzake de inhoudelijke loonsanctie voorzien van een regeling voor de bekorting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft ook voor de administratieve loonsanctie als uitgangspunt te gelden dat een oordeel over de bekorting of beëindiging van de loonsanctie na herstel, ingevolge de systematiek van de wet niet aan de orde kan komen bij de beoordeling van de vraag of al dan niet terecht een loonsanctie is opgelegd. Zulks omdat het hier dus twee onderscheiden procedures betreft (zie inzake de inhoudelijke loonsanctie in deze zin uitdrukkelijk CRvB 11 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3811).
Uit artikel 25, negende lid, van de WIA volgt dat verweerder een loonsanctie oplegt, indien ten tijde van de behandeling van de uitkeringsaanvraag blijkt dat eiseres onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Feiten en omstandigheden die zich daarna voordoen kunnen op grond van artikel 25, twaalfde lid, van de WIA worden betrokken bij een verzoek om loonsanctiebekorting.

4.2

Terecht heeft eiseres benadrukt dat de loonsanctie een voor de werkgever belastend karakter heeft, waarbij het aan verweerder is om het opleggen van een loonsanctie van een deugdelijke argumentatie te voorzien.
De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 maart 2019 blijkt dat zowel eiseres als werkneemster tijdens hun gesprek met de arbeidsdeskundige hebben verklaard dat de aangepaste werkzaamheden (aangepaste werktijden en zo min mogelijk wisseling) niet structureel konden worden aangeboden. Eiseres heeft in dit verband toegelicht dat de functie alleen is aangepast in het kader van re-integratie, dat het onvoorspelbaar werk is met ad hoc opdrachten, dat vaste werktijden lastig te plannen zijn en dat werkneemster geen onvoorspelbaar werk kan doen. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige van deze verklaringen uit heeft kunnen gaan. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat het niet juist is dat zij dit heeft verklaard, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit niet gebleken. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het opleggen van de loonsanctie reeds hierom terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van een bevredigend resultaat als bedoeld in de Beleidsregels, omdat geen sprake is van werkhervatting met een structureel karakter.
Eerst in bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat de functie wel structureel aangeboden kan worden, behalve het onderdeel dat werkneemster nà 08.30 uur wordt ingezet. In reactie hierop heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in rapporten van 27 augustus 2019, 22 oktober 2019 en 16 maart 2020 aangegeven dat op het moment waarop het re-intregratieverslag getoetst werd, uit geen enkel ingestuurd document bleek dat er sprake zou zijn van het structureel aanbieden van de re-integratiewerkzaamheden, terwijl uit de verklaringen van eiseres en werkneemster bleek dat de aangeboden werkzaamheden geen structureel karakter hadden. In bezwaar werden, net zo min als in beroep, geen zaken aangevoerd ter onderbouwing van het door eiseres gewijzigde standpunt dat de re-integratiewerkzaamheden structureel aan werkneemster aangeboden kunnen, worden en zijn. Er is geen navraag gedaan, omdat er in casu geen twijfel was over de standpunten van partijen. De stelling dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit dat de werkzaamheden structureel werden aangeboden, omdat de werkzaamheden die werkneemster verrichte haar eigen werkzaamheden waren, wordt niet gevolgd, omdat uit het re-integratieverslag blijkt dat het gaat om aangepast eigen werk met rustige ritten en vaste begin- en eindtijden. Ten tijde van het beoordelingsmoment van de het bekortingsverzoek was er sprake van een veranderde situatie, omdat werkneemster niet meer op de taxi reed, maar op een hopper én zij weer volledig zou zijn hervat in haar eigen werk, zodat hetgeen geconcludeerd werd ten aanzien van het bekortingsverzoek niet één op één gelden kan voor de loonsanctie. De rechtbank ziet, mede gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 4.1 is overwogen, geen aanleiding de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zich op het standpunt kunnen stellen dat, in het licht van de eerdere verklaring van eiseres dat de werkzaamheden niet structureel konden worden aangeboden, de enkele gewijzigde stelling in bezwaar dat het wel zo was, geen voldoende waarborg biedt voor een hervatting met een structureel karakter. Omdat reeds hierom niet kan worden gesproken van een bevredigend resultaat, laat de rechtbank de tegengeworpen tekortkoming ‘het behaalde re-integratieresultaat sluit niet zo dicht mogelijk aan bij de resterende functionele mogelijkheden’ buiten bespreking.

4.3

Over de ‘re-integratie inspanningen’ van eiseres overweegt de rechtbank het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige kunnen overwegen dat eiseres de mogelijkheden in het eerste spoor niet goed heeft benut, omdat zij heeft gere-integreerd in werkzaamheden die niet structureel aangeboden worden. Ook heeft zij niet kenbaar de in het arbeidsdeskundig onderzoek van [naam 2] van 10 augustus 2018 geschikt geachte functies ‘ [functie 3] ’ en ‘ [functie 4] ’, onderzocht en zo ja, aangegeven waarom deze functies wel of niet geschikt worden geacht. De rechtbank volgt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het standpunt dat dit valt onder het door de arbeidsdeskundige vastgestelde ‘extra goed kijken in het eigen bedrijf’, zodat er geen sprake is van een wijziging maar van een verduidelijking van de reparatiemogelijkheden in bezwaar. Uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat zij een deugdelijke grond had.

5. Gelet al op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres terecht een loonsanctie heeft opgelegd en deze loonsanctie bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

6. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 23 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Het besluit van 3 december 2002, Staatscourant 2002, 236