Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5856

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-08-2020
Datum publicatie
06-08-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

in afwachting van eventueel nader onderzoek hangende beroep naar de risico's van het werken met kinderen kan niet worden vooruitgelopen door verzoeke nur te behandelen als ware hij in het bezit van een VOG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1100
Onderwijs Totaal 2020/1121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3399

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. K. Cras, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Rechtsbescherming, verweerder,

gemachtigde: mr. P. Trijsburg, werkzaam als juridisch adviseur bij het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van het verzoek van 15 oktober 2019 geweigerd om aan verzoeker een verklaring omtrent het gedrag (vog) te verlenen voor de functie van docent bij [naam 1] ( [naam 1] ) te [plaats 1] .

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 6 februari 2020.

Bij besluit van 15 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bij beroepschrift van 16 juni 2020 beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Mr. Cras werd vergezeld door collega mr. E.K.B. Bijl. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2 Ten aanzien van het griffierecht.

2.1

Verzoeker heeft bij brief van 14 juli 2020 verzocht om vrijstelling van het griffierecht in verband met betalingsonmacht. De griffier heeft dit verzoek bij brief van 16 juli 2020 voorlopig toegewezen. Voordat aan de inhoudelijke behandeling kan worden toegekomen, dient de voorzieningenrechter eerst vast te stellen of terecht vrijstelling is verleend.

2.2

Ingevolge artikel 8:41, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, Awb, juncto artikel 8:82, eerste en tweede lid, Awb is voor het verzoek € 178,-- aan griffierecht verschuldigd. Van de verplichting tot betaling van griffierecht kan vrijstelling worden verleend, indien sprake is van betalingsonmacht. Daartoe dient verzoeker aannemelijk te maken dat op de betaaldatum van het griffierecht zijn maandelijks netto-inkomen minder is dan 90% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden en hij niet beschikt over vermogen waaruit het griffierecht kan worden betaald.

2.3

De griffier heeft verzoeker om een onderbouwing gevraagd van het verzoek om ontheffing van de griffierechtverplichting in verband met betalingsonmacht. Verzoeker heeft de door de rechtbank toegezonden verklaring voor wat betreft zijn inkomen ingevuld en daarbij gevoegd een bankafschrift waaruit blijkt dat hij op 27 februari 2020 € 894,47 aan bijstandsuitkering heeft ontvangen, op 5 februari 2020 € 692,49, op 28 januari 2019 € 974,27, op 27 december 2018 € 904,97, op 29 november 2018 € 886,94, op 31 oktober 2018 € 886,94 en op 27 september 2018 € 886,94. Bewijsstukken van recente betalingen van de maandelijkse bijstandsuitkering of uitkeringsspecificatie heeft verzoeker niet overgelegd. Een schriftelijke opgave van spaargeld/vermogen heeft verzoeker ook niet gedaan.

2.4

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter een nadere toelichting op de door verzoeker verstrekte summiere gegevens gevraagd. Verzoeker heeft verklaard dat hij een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangt naar de norm van een alleenstaande, maar dat daar maandelijks een inhouding op plaats vindt vanwege eerder te veel ontvangen uitkering. Over zijn vermogen heeft hij verklaard dat hij een spaarrekening heeft met een saldo van ongeveer € 3.500,-- maar dat hij ongeveer € 4.000,-- moet terugbetalen vanwege ten onrechte ontvangen uitkering.

2.5

Uit de gegevens die het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verstrekt over de normbedragen voor bijstandsuitkeringen blijkt dat de norm voor een alleenstaande vanaf 1 januari 2020 tot 1 juli 2020 zonder vakantietoeslag per maand € 999,70 en met vakantiebijslag € 1.052,32 bedroeg. Gelet op de datum van het verzoek om betaling van het griffierecht in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening, rekent de voorzieningenrechter met die bedragen. Vrijstelling wordt verleend als het maandelijks inkomen (inclusief vakantiebijslag) minder bedraagt dan 90% van de netto-bijstandsuitkering inclusief vakantiebijslag - 90% van € 1.052,32 is € 947,08 - en er geen vermogen is.

2.6

Hoewel zulks uit de stukken niet blijkt, houdt de voorzieningenrechter het er voor dat verzoeker ook thans, na de verrekening met de eerder teveel ontvangen uitkering, een bijstandsuitkering geniet met een gelijk bedrag als de uitkering van € 894,47 op 27 februari 2020. Dan is dat minder dan 90% van de normuitkering voor een alleenstaande inclusief vakantietoeslag. Gelet op het verschil tussen € 947,08 en € 894,47 gaat de voorzieningenrechter er vooralsnog vanuit dat het maandelijks vakantiegeld € 52,62 wordt verrekend. In aanmerking genomen dat nader onderzoek achterwege moet blijven vanwege het spoedeisend karakter wordt de vrijstelling verleend.

2.7

In de beroepsprocedure wordt van verzoeker verwacht dat hij bij zijn beroep op betalingsonmacht complete, recente bewijsstukken over zijn uitkering en zijn vermogen verstrekt, zodat een volledige beoordeling kan worden gemaakt.

3 Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.

3.1

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend om afgifte van een vog voor de functie van docent bij [naam 1] te [plaats 1] .

3.2

Verweerder heeft op de aanvraag het specifieke screeningsprofiel onderwijs toegepast en de afgifte van de vog geweigerd gelet op het justitiële gegeven dat in de justitiële documentatie (hierna: jds) over verzoeker is opgenomen. In het jds staat over verzoeker het volgende justitiële gegeven geregistreerd. Verzoeker is op 5 oktober 2015 in eerste aanleg door de rechtbank veroordeeld en op 2 februari 2018 is hij in hoger beroep (na terugverwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 12 september 2017) door het gerechtshof veroordeeld wegens belaging in de periode mei-juli 2014 en april 2015 (artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht) tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Deze proeftijd is nog van kracht tot 5 maart 2022. Daarnaast is hem een maatregel van schadevergoeding opgelegd van € 1.102,65, subsidiair 21 dagen hechtenis. Het arrest van het gerechtshof is op 5 maart 2019, door verwerping van daartegen ingesteld cassatieberoep, onherroepelijk geworden. Verweerder heeft overwogen dat het op verzoekers naam aangetroffen justitiële gegeven valt buiten de toepasselijke terugkijktermijn van vier jaren, maar heeft besloten gebruik te maken van de bijzondere weigeringsmogelijkheid neergelegd in paragraaf 3.4 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, omdat verzoeker in de twintig jaren voorafgaand aan zijn vog-aanvraag is veroordeeld wegens een strafbaar feit dat volgens verweerder betrekking heeft op een justitieel gegeven over een misdrijf dat is gepleegd tegen een kind, waarvoor hij is veroordeeld en de vog wordt aangevraagd voor een functie die ziet op het werken met kinderen. Verweerder heeft ook nog andere omstandigheden in zijn beoordeling betrokken.

3.3

Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend omdat hij het aanstaande schooljaar aan de slag kan als wiskundeleraar waartoe hij de vog nodig heeft. Kort en zakelijk weergegeven heeft hij betoogd dat niet is voldaan aan de formele voorwaarden voor de toepassing van de in het beleid opgenomen bijzondere weigeringsgrond. Verzoeker voert aan dat hij is veroordeeld voor het stalken van een volwassene en niet van een minderjarige. Hij stelt geen misdrijf te hebben gepleegd tegen een kind. Zijn belang weegt zwaarder dan het belang van bescherming van de samenleving. Daarbij heeft verzoeker gewezen op het lange tijdsverloop sinds het gepleegde strafbare feit en heeft hij gesteld dat dit feit hem licht is aangerekend, dat er geen ander feit is vermeld in de jds en dat er geen sprake is van recidive. Tot slot heeft verzoeker er op gewezen dat hij de afgelopen 5 jaar zonder problemen telkens enkele maanden – tot een vog werd geweigerd - les heeft gegeven op verschillende scholen en dat hij relevante persoonlijke ontwikkelingen heeft doorgemaakt.

4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1

Het verzoek om een voorlopige voorziening is connex aan het beroep (HAA 20/3350) gericht tegen het besluit op bezwaar van 15 mei 2020. Verzoeker heeft ook een vog aangevraagd voor het vervullen van de functie van onderwijsassistent bij de [naam 2] te [plaats 2] . Ook in die zaak heeft verweerder onder verwijzing naar hetzelfde justitiële gegeven de vog in primo geweigerd (besluit van 12 augustus 2019) en deze weigering in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 december 2019. Ook tegen dit laatste besluit heeft verzoeker beroep (HAA 20/168) bij deze rechtbank ingesteld.

4.2

Verzoeker heeft gevraagd meteen op het beroep te beslissen met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb (aangeduid als: kortsluiten). De voorzieningenrechter acht het echter niet uitgesloten dat in het beroep nog nader onderzoek zal moeten worden verricht. Ter zitting bleek immers dat partijen over en weer nog niet over alle overgelegde stukken beschikken. De door verzoeker overgelegde stukken van derden – met name de Reclassering en/of De Waag – zijn niet alle even goed leesbaar. Bovendien lijkt uit de stukken niet zonder meer een toereikend (deskundig) oordeel af te leiden van die instanties, of enige andere deskundige, over het risico op recidive in verband met het justitieel gegeven, zoals dat door verweerder voor de beoordeling relevant wordt geacht. Als dat gegeven inderdaad in beroep relevant blijkt te zijn, dienen partijen dus in de gelegenheid te worden gesteld hun standpunten ter zake – desgewenst - (nader) te onderbouwen. Het is voorts aangewezen de beide beroepen gelijktijdig op zitting te behandelen. De voorzieningenrechter kan daarom geen toepassing geven aan artikel 8:86 Awb.

4.3

Gelet op de toelichting op het verzoek wordt daarmee kennelijk primair beoogd de afdoening van de beroepszaak te bespoedigen met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, Awb. Verzoeker heeft niet aangegeven wat hij met het verzoek beoogt indien niet wordt kortgesloten. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat hij in dat geval bedoeld heeft verweerder te gelasten om verzoeker hangende het beroep te behandelen als ware hij in het bezit van een vog voor de beoogde functie bij [naam 1] te Delft. Dat is een verstrekkende voorziening. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter gelet op de betrokken belangen onvoldoende aanleiding voor het treffen van een dergelijke verstrekkende voorziening. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, is het immers niet uitgesloten dat bij de behandeling van de beroepen nader onderzoek plaatsvindt als het gaat om een inschatting van de risico’s als verzoeker als onderwijzer aan de slag zou gaan en kan zonder dat onderzoek niet worden vooruitgelopen op de kans van slagen van het beroep. Voorts is het belang van bescherming van kinderen een groot belang aan de zijde van verweerder. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat verzoeker niet geheel verstoken is van inkomen.

4.4

Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.