Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5854

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-07-2020
Datum publicatie
05-08-2020
Zaaknummer
HAA 20/706 en HAA 20/804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

vernietiging kapvergunning omdat in bezwaar is erkend dat een deel van de bomen kan blijven staan zonder dat het bezwaar gegrond is verklaard en vanwege een gebrekkige motivering van de herplantplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 20/706 (voorlopige voorziening) en HAA 20/804 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 31 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser en verzoeker (hierna: eiser),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Hollands Kroon (hierna: vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 162 populieren langs de Wieringerrandweg in Slootdorp.

Eiser heeft op 12 augustus 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Op 10 februari 2020 heeft eiser een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening (zaaknummer 20/706).

Bij brief van 10 februari 2020 heeft de heer [naam 1] , kennelijk namens vergunninghouder, onder meer een besluit van 5 november 2019 van verweerder op het bezwaar van eiser (hierna: besluit op bezwaar) aan de rechtbank gezonden.

Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft eiser bij beroepsschrift van 13 februari 2020, ontvangen op 17 februari 2020, beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar (zaaknummer 20/804).

Op 25 februari 2020 heeft verweerder op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en de stand van zaken toegelicht.

Eiser heeft het beroep bij brief van 26 februari 2020, met bijlagen, toegelicht.

Bij brieven van 28 februari 2020 en 4 maart 2020 heeft verweerder telefonische vragen van de rechtbank beantwoord.

Op 5 maart 2020 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft partijen 17 april 2020 vragen gesteld. Eiser heeft bij brief van 26 april 2020, met bijlagen, geantwoord. Verweerder heeft 30 april 2020 geantwoord.

Vergunninghouder heeft 27 mei 2020 meegedeeld niet als derde-partij aan het geding deel te nemen.

Eiser heeft 8 mei 2020 gereageerd op het antwoord van verweerder van 30 april 2020.

Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting in de beroepszaak - en in de zaak met betrekking tot de voorlopige voorziening - achterwege gebleven. Vervolgens is het onderzoek in beide zaken gesloten.

Overwegingen

Over het beroep

Beoordeling ontvankelijkheid van het beroep

1. De rechtbank moet eerst onderzoeken of eiser het beroep tijdig heeft ingesteld en het beroep ontvankelijk is.

2. In de stellingen van verweerder ligt besloten dat hij het besluit op bezwaar op 11 november 2019 aan eiser zou hebben gezonden. Er was geen sprake van aangetekende verzending of uitreiking.

3. Op grond van artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, Awb vangt de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41 Awb geschiedt de bekendmaking van een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht, zoals onderhavige besluit op het bezwaar van eiser, door toezending of uitreiking aan hen.

4. Als het besluit op bezwaar op 11 november 2019 is toegezonden aan eiser, dan is het op 17 februari 2020 ontvangen beroepschrift na afloop van de termijn van zes weken en – in beginsel – te laat ingediend. Eiser heeft echter aangevoerd dat hij regelmatig bij de gemeente heeft geïnformeerd naar de stand van zaken, maar het poststuk van 11 november 2019 niet heeft ontvangen.

5. Voor beantwoording van de vraag of de beroepstermijn vanaf 11 november 2019 is gaan lopen, zijn de artikelen 6:8 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van belang. In geval van niet aangetekende verzending – of uitreiking – zoals in dit geval, ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat het besluit op bezwaar door overdracht aan een (extern) postbezorgingsbedrijf is verzonden. Dat besluiten met gebruikmaking van een extern, professioneel postbezorgingsbedrijf dat is geregistreerd bij de Autoriteit Consument en Markt, in de meeste gevallen op het daarop vermelde adres worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst op dat adres. Dit brengt mee dat verweerder in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van de verzending naar het juiste adres. Dat bewijs kan hij in beginsel leveren door het aannemelijk maken van de juiste adressering, de verzenddatum en een deugdelijke verzendadministratie waaruit blijkt dat hij het poststuk aan het professionele, bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerde postbezorgingsbedrijf uit handen heeft gegeven. Indien verweerder die verzending aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om het vermoeden van correcte verzending en daarmee bekendmaking te ontzenuwen, bijvoorbeeld door geloofwaardige betwisting van ontvangst (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2018:358).

6. Verweerder heeft - desgevraagd - over de verzending het volgende gesteld en de daarbij genoemde bewijsmiddelen overgelegd. Verweerder stelt dat hij het besluit op bezwaar heeft verstuurd via postverzorgingsbedrijf Probezorgt te Schagen. Het besluit is per mail aangeleverd bij “uitgaandepost@hollandskroon.nl”. Het besluit is ingeboekt en uitgeprint en voorzien van een datum en een registratienummer. Een digitaal pdf-document is opgeslagen in het dossier. Verweerder verwijst daarbij naar het (interne) besluit van verweerder van 5 november 2019 dat als gedingstuk B-7 is overgelegd, maar kennelijk doelt hij op gedingstuk B-8, het besluit op bezwaar zoals dat op 11 november 2019 aan eiser zou zijn gezonden. Daarop staan als verzenddatum 11 november 2019 en een registratienummer. Het geprinte besluit is vervolgens, zo stelt verweerder, in een postbak gedeponeerd en aan Probezorgt meegegeven. Verweerder heeft voorts gesteld dat uit gps-gegevens blijkt dat de postbezorger op 11 en 12 november 2019 in de buurt van het woonadres van eiser is geweest. Hij heeft daarbij een (niet ondertekende) verklaring bijgevoegd van Probezorgt waarin aan “ [naam 2] ” wordt verklaard dat zij gebruik maken van gps-units voor het nauwkeurig en betrouwbaar bezorgen van post en dat zij uit de daarmee verkregen gegevens kunnen aflezen of een bezorger op een specifieke dag op een specifiek adres is geweest. Uit die gegevens blijkt, zo verklaart Probezorgt verder, dat op 10-11, 11-11 en 12-11-2019 een bezorger op of nabij het adres van eiser poststuk(ken) heeft bezorgd, zodat met grote mate van zekerheid wordt geconcludeerd dat zij daar hebben gepost. Verder heeft verweerder overgelegd een “overzicht bezorgzekerheid en bezorgtijdigheid” van Business Post Schagen van november 2019.

7. Verweerder heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij het besluit op bezwaar aan eiser heeft verzonden. Hij stelt weliswaar dat het besluit in enig systeem voor uitgaande post zou zijn ingeboekt, maar bewijs daarvan heeft hij niet overgelegd. Ook blijkt niet dat dat een verzendadministratie is dat voldoende deugdelijk is om daar de overdracht van het besluit (met verzenddatum) aan het externe postbezorgingsbedrijf uit af te leiden. De enkele print van het pdf-bestand is daarvoor ook niet toereikend. Overigens is ook niet gebleken dat Probezorgt staat geregistreerd in het openbare register van Telecom- en postbedrijven bij de Autoriteit Consument en Markt. Dat Probezorgt zelf verklaart op 10 november 2019, een in elk geval niet relevante datum, en op 11 en 12 november 2019 in de buurt van het adres van eiser post te hebben bezorgd, betekent nog niet dat verweerder het besluit op bezwaar aan Probezorgt heeft afgegeven, laat staan dat het besluit toen bij eiser is bezorgd. Dat betekent dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt, dat hij het besluit op bezwaar op 11 november 2019 op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. De beroepstermijn is toen dus nog niet gaan lopen. Op 11 februari 2020 heeft de griffier het van verweerder ontvangen besluit op bezwaar aan eiser toegezonden. Het op 17 februari 2020 ingezonden beroepschrift is derhalve binnen de termijn van zes weken na bekendmaking aan eiser ingediend, zodat het beroep tijdig is ingesteld en daarmee ontvankelijk is.

Beoordeling van het beroep

8. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

a. Vergunninghouder is eigenaar van 162 populieren langs de Wieringerrandweg in Slootdorp. De bomenrij staat langs het Robbenoordbos. Eiser woont circa 150 meter van de dichtstbijzijnde populier en heeft vanaf zijn erf (vrij) uitzicht op de populieren.

b. Op 12 juni 2019 heeft Groenadvies Amsterdam B.V. advies uitgebracht over de toestand van de populieren. Het advies bevat een beschrijving met foto’s van een aantal bomen en uitgebroken takken. In dat advies is vermeld dat het om Canadese populieren gaat. Canadese populieren zijn, aldus het advies, vooral in de vijftiger tot zeventiger jaren van de twintigste eeuw geplant. Zij zijn gekweekt als bosboom voor productiebossen. Canadese populieren van 40 jaar of ouder kennen het probleem dat bij hogere windsnelheden zwakke takken kunnen uitbreken. Het maakt Canadese populieren gevaarlijker dan even oude bomen van andere soorten. In het advies is verder vermeld dat van de 162 bomen 38 bomen als veilig zijn beoordeeld en 124 als risicobomen.

c. Op 10 februari 2020 heeft Bureau Aandacht Natuur aan vergunninghouder een “Quickscan Wet Natuurbescherming kapwerkzaamheden Wieringerrandweg, gemeente Hollands Kroon” uitgebracht. De conclusie van het rapport luidt samengevat als volgt. Negatieve effecten van de kapwerkzaamheden voor Natura 2000 gebieden kunnen worden uitgesloten en een nadere of uitgebreide toetsing aan gebiedsbeschermingsregels uit de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen. Mogelijke nestlocaties van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid, zijn niet waargenomen op en rond de projectlocatie, zodat niet verwacht wordt dat met de kapwerkzaamheden nesten of leefgebieden van dergelijke soorten worden verstoord. Er zijn wel algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen en te verwachten, zodat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen mogen worden uitgevoerd. Er zijn op de projectlocatie een aantal beschermde zoogdieren te verwachten, met name marterachtigen. De kap zal echter niet van wezenlijke invloed zijn op het leefgebied van marterachtigen. Als de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode worden uitgevoerd, acht het Bureau nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag niet nodig. Voorts kan worden verwacht dat de projectlocatie van belang kan zijn voor vleermuizen. Niet wordt echter verwacht dat de kap een negatieve effect kan hebben op het fourageergebied van vleermuizen. De populieren maken geen deel uit van de windsingel en de bosrand langs het Robbenoordbos. Een functie als vliegroute is niet aan de orde. Er zijn geen plaatsen aangetroffen die geschikt kunnen zijn als vaste rust- of verblijfplaats voor vleermuizen. Een nader onderzoek of ontheffingsaanvraag voor vleermuizen acht het bureau ook niet noodzakelijk. Andere beschermde zoogdieren of andere beschermde soorten planten of dieren worden op de projectlocatie niet verwacht. Bij alsnog constatering van beschermde soorten tijdens de activiteiten kan alsnog de noodzaak om maatregelen te treffen of ontheffing te vragen, ontstaan. De bomenrij van Canadese populieren valt zelf niet onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming, aldus het Bureau.

9. Bij het besluit op bezwaar heeft verweerder het advies van de Commissie bezwaarschriften gevolgd en de omgevingsvergunning voor de kap van de bomen gehandhaafd. Als voorwaarde in de vergunning is de verplichting opgenomen minimaal 75% van de verwijderde beplanting te compenseren binnen de gemeentegrenzen van Hollands Kroon. De locatie en soort zal in overleg worden bepaald. Verweerder heeft aangegeven dat 38 bomen niet worden gekapt omdat zij veilig zijn.

10. Eiser voert in beroep het volgende aan. Er zou nog nader ecologisch onderzoek worden gedaan en hij zou daarvan op de hoogte worden gesteld. Doordat de rij bomen langs het Robbenoordbos staat, zitten daar beschermde vogels en vleermuizen. De populieren voorzien in een behoefte en spelen een rol in de instandhouding van bedreigde insecten. Eiser betwist de conclusie over de vleermuizen in het rapport van Bureau Aandacht Natuur. 38 bomen mankeren niets en hoeven niet te worden gekapt. Herplant moet plaatsvinden op dezelfde plek. Voor de kap van bomen in het buitengebied is een ontheffing van de provincie nodig. Door de kap heeft eiser meer geluidsoverlast van de snelweg A7 die daar ook achter loopt. De indruk van eiser van de bomen is veel positiever dan in het rapport van Groenadvies Amsterdam is geconcludeerd. Populieren kunnen tot 150 jaar oud worden. Dat de bomen een gevaar vormen, acht eiser overdreven. Er moet goed onderhoud plaatsvinden, aldus eiser.

11. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) geldt een bepaling in een gemeentelijke verordening op grond waarvan een vergunning is vereist om een houtopstand te vellen, als een verbod om een project dat bestaat uit het vellen van houtopstanden, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 4:11 van de Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon 2014 (Apv) luidt:

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op bijlage 1 (Bomenlijst).

2. De vergunning kan worden geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

3. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Op de Bomenlijst staan onder meer de gemeentelijke bomen in het buitengebied met een stamdiameter groter dan 30 cm.

Op grond van artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is als activiteit waarvoor op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, Wabo ook een omgevingsvergunning is vereist, aangewezen – samengevat en voor zover hier relevant – het realiseren van een project waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) een ontheffing of vergunning is vereist, als die ontheffing of vergunning niet eerder is aangevraagd. De bepaling wordt ook wel aangeduid als “aanhaakplicht”.

Een vergunning is op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb vereist – voor zover van belang – als het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Ontheffingen zijn op grond van hoofdstuk 3 Wnb vereist voor – samengevat – het doden of verstoren van of het beschadigen van broed- en verblijfplaatsen van (beschermde) vogels en andere (beschermde) dieren.

12. De rechtbank vat alle beroepsgronden van eiser die zien op de bescherming van planten en dieren op als een beroep op de aanhaakplicht van artikel 2.2aa Bor. De stellingen van eiser komen er op neer dat er volgens hem sprake is van (beschermde) diersoorten en dat daarom voor het kappen, waardoor hun leefgebied wordt verstoord, ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan wel dat een vergunning is vereist in verband met effecten van de kap op (beschermde) planten of natuurgebieden. Nu die vergunning of ontheffing niet vooraf is gevraagd bij gedeputeerde staten van Noord-Holland kan, zo begrijpt de rechtbank die beroepsgronden, de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen niet in stand blijven.

13. De rechtbank volgt eiser niet in die beroepsgronden. Weliswaar is het advies van Bureau Aandacht Natuur (de quickscan) eerst op 10 februari 2020 en dus ver na het verlenen van de omgevingsvergunning, uitgebracht, en is dat een niet zorgvuldige voorbereiding van dat besluit, maar in die quickscan concludeert dat bureau dat geen ontheffing of vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist. Eiser heeft wel kanttekeningen geplaatst bij die conclusies, maar de juistheid van het rapport heeft hij niet weerlegd. Hij heeft ook geen door deskundigen opgestelde (tegen)rapportage overgelegd waarmee de conclusies van het bureau overtuigend worden weersproken. Zijn stelling dat de vleermuisroute niet stopt bij het naar rechts buigen van de Wieringerrandweg, doet er niet aan af, zoals Bureau Aandacht Natuur beschrijft en hij zelf ook stelt, dat vleermuizen de bosrand van het Robbenoordbos volgen, zodat het kappen van de populieren daarvoor geen relevante verstoring oplevert. Voorts weerlegt hij met zijn stelling dat de bomenrij in de buurt van een gebied ligt dat deel zal gaan uitmaken van Natuurnetwerk Nederland, nog niet de constatering van het bureau, dat de rij populieren niet in of direct bij een Natura 2000 gebied is gelegen en geen onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Dat plan van de provincie, waar eiser op doelt, om natuurgebieden in de buurt (Robbenoordbos en Voorboezem) daar wel deel van te laten uitmaken, betekent nog niet dat de populieren langs de Wierringerrandweg daarmee die beschermde status zullen krijgen, zodat er geen aanleiding is met die plannen rekening te houden. Voorts verwijst eiser naar een lijst van waarnemingen over beschermde vogels, zonder die overigens toe te lichten, maar ook daaruit valt niet een weerlegging van de conclusie in het rapport van Bureau Aandacht Natuur te destilleren. Die conclusie houdt in dat van ontheffingsplichtige activiteiten ten aanzien van (beschermde) vogels - buiten het broedseizoen - geen sprake is. Dat overigens een ontheffing van de provincie voor de kap zou zijn vereist, heeft eiser niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. Gelet op het vorenstaande is van een aanhaakplicht geen sprake zodat daarin geen grond is gelegen de omgevingsvergunning voor het kappen van de populieren in strijd met de wet te achten.

14. De beroepsgrond dat de vergunning niet in stand kan blijven, omdat van 38 bomen vaststaat dat die niet hoeven te worden gekapt, treft doel. Verweerder heeft ook erkend dat 38 bomen vooralsnog moeten blijven staan. Verweerder heeft dat ook wel opgemerkt in het besluit op bezwaar, maar daar ten onrechte geen aanleiding in gezien de omgevingsvergunning te herroepen. Het bestreden besluit kan reeds daarom niet in stand blijven.

15. Dat de andere 124 bomen het einde van hun levensduur hebben bereikt en een risico zijn gaan vormen, is onderbouwd met het rapport van Groenadvies Amsterdam. Eiser heeft ook de conclusies in dat rapport betwist, maar geen door deskundigen opgestelde (tegen)rapportage overgelegd. Zijn stelling dat populieren een levensduur tot wel 150 jaar hebben, overtuigt niet. In het rapport van Groenadvies is vermeld dat er meer typen (soorten) populieren zijn (waaronder abelen en balsempopulieren) en dat die andere soorten niet het soort problemen kennen als Canadese populieren waar het hier om gaat. Volgens Groenadvies hebben Canadese populieren vanaf 40 jaar problemen met het uitbreken van takken, waardoor zij rond die leeftijd risico’s gaan opleveren. De positieve visie van eiser op de staat van de bomen acht de rechtbank onvoldoende overtuigend om de met foto’s en deskundige toelichting getrokken conclusie van Groenadvies Amsterdam over de 124 risicobomen te weerleggen. In die risico’s heeft verweerder gelet op zijn bevoegdheid tot vergunningverlening in artikel 4.11 Apv aanleiding kunnen zien tot verlening van de vergunning voor het kappen. Bedacht moet daarbij worden dat verweerder de nodige beleidsvrijheid toekomt bij de verlening van de kapvergunning en dat het gevaar van de bomen voor de omgeving een redelijke grond voor vergunningverlening vormt. In dat kader verwijst de rechtbank ook naar de Bomenlijst (met name paragraaf 7) die bij de Apv hoort. Dat de bomen een risico vormen voor de omgeving, staat genoegzaam vast. De beroepsgrond van eiser dat de kapvergunning niet kan worden gebaseerd op het gevaar dat de 124 bomen opleveren, slaagt niet.

Verweerder zal in zijn nieuwe besluit nog moeten aanduiden welke de 124 bomen zijn die wel mogen worden gekapt. In zoverre is het besluit nog wel gebrekkig.

16. Eiser heeft voorts - ook reeds in bezwaar - nog aangevoerd dat een verplichting tot herplant op dezelfde plaats zou moeten worden opgelegd. Ook deze beroepsgrond treft doel, althans in zoverre dat verweerder niet heeft gemotiveerd, laat staan onderbouwd, waarom herplant op die plek niet mogelijk zou zijn en als dat wel mogelijk is in het licht van het derde lid van artikel 4.11 Apv niet als voorwaarde aan de vergunning moet worden verbonden, maar dat volstaan is met een nog nader in te vullen gedeeltelijke herplantplicht elders. Juist gelet op de belangen die genoemd zijn in het tweede lid van dat artikel en het feit dat een herplantplicht op grond van paragraaf 3.4 van de Bomenlijst bij de Apv voor gemeentelijke bomen in het buitengebied uitgangspunt lijkt, dient dit punt gelet op de grieven van eiser beter te worden onderzocht en afgewogen. In zoverre kleeft er een voorbereidings- en motiveringsgebrek aan zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar.

17. De beroepsgrond dat eiser door de kap meer geluidsoverlast van de snelweg A7 zal ervaren, treft geen doel. Indien en voor zover er al sprake zou zijn van een toename van geluidhinder bij het perceel van eiser na de kap, heeft verweerder in redelijk aan het beëindigen van het gevaar dat de bomen veroorzaken doorslaggevende betekenis mogen hechten. Bovendien is voorkoming of beperking van geluidhinder niet een belang dat is genoemd in het tweede lid van artikel 4.11 Apv, zodat daaraan geen bijzonder gewicht kan toekomen.

conclusie in het beroep

18. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het besluit op bezwaar vernietigen. Verweerder heeft artikel 4.11 Apv en de artikelen 3.4, 3:46 en 7.12, eerste lid, Awb geschonden. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken. De rechtbank gaat er vanuit dat vergunninghouder geen (verdere) kapwerkzaamheden verricht voordat het nieuwe besluit is genomen.

19. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem in het beroep betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende (andere) proceskosten.

Over het verzoek om voorlopige voorziening

20. Omdat de rechtbank in het beroep beslist, is er voor de voorzieningenrechter geen grond meer om een voorlopige voorziening te treffen.

21. De voorzieningenrechter ziet gelet op de uitkomst in het beroep aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening betaalde griffierecht vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ook hier geen aanleiding, omdat er geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn.


Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, (voorzieningen)rechter, en medeondertekend door mr. J. Poggemeier, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan -voor zover deze betrekking heeft op het beroep- binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.