Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5832

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
C/15/303832 / FA RK 20-2974
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderbijdrage na niet voor herstel vatbaar inkomensverlies.

Ingangsdatum: datum indiening verzoekschrift.

Terugbetalingsverplichting:

Het staat vast dat de man ten onrechte langdurig teveel heeft betaald en dat de vrouw er rekening mee heeft kunnen en moeten houden dat de kinderbijdrage zou worden verlaagd. De vrouw, op de hoogte van de door de man gestarte procedure tot wijziging van de kinderbijdrage, is onverkort doorgegaan met de incasso van de kinderbijdrage door het LBIO. De uitkomst van de beoordeling in deze procedure is dat de vrouw gedurende tien maanden, van september 2019 tot en met juli 2020, op maandbasis een bedrag van ca € 400 meer heeft doen incasseren dan waarop zij recht had. Dat dit bedrag volledig zou zijn opgegaan en / of redelijkerwijs niet al dan niet geheel gereserveerd kon worden, blijkt nergens uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Haarlem

provisionele voorziening ex artikel 223 Rv. zaak-/rekestnr.: C/15/303832 / FA RK 20-2974

alimentatie: zaak-/rekestnr.: C/15/303832 / FA RK 20-2974

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 30 juli 2020

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T.A. Bouman, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [plaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E. Uijt de boogaardt, kantoorhoudende te Lelystad.

1 Procedure

provisionele voorziening

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 10 juni 2020;

bodemzaak

1.2.

Het verloop van de (bodem-)procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 15 augustus 2019;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 25 oktober 2019;

beide zaken

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 3 juli 2020;

- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de man van 10 juli 2020.

1.3.

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018.

2.2.

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige 1] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ; (11 jaar)

- [minderjarige 2] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , ( 9 jaar)

- [minderjarige 3] , op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] . (6 jaar)

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over deze minderjarigen.

De hoofdverblijfplaats van deze minderjarigen is bij de moeder.

2.3.

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 272 per kind per maand voldoen. Door wettelijke indexering is de bijdrage per 1 januari 2019 verhoogd tot € 277 per kind per maand.

2.4.

De man heeft op 15 augustus 2019 een verzoekschrift tot wijziging van kinderbijdrage ingediend. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder zaaknummer 292971/19-4969 en wordt met de voorlopige voorziening behandeld

3 Verzoek

3.1.

De man verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de duur van de bodemprocedure en met wijziging van voornoemde beschikking te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoek maandelijks bij vooruitbetaling € 25 per kind per maand zal betalen aan de vrouw.

3.2.

De man heeft in de bodemzaak verzocht de hiervoor genoemde beschikking van

17 oktober 2018 te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage wordt verminderd tot € 25 per kind per maand met ingang van 28 januari 2019, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (15 augustus 2019). Hij stelt hiertoe dat deze beschikking

door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. De man verzoekt de rechtbank de vrouw een terugbetalingsverplichting op te leggen en te bepalen dat de vrouw de teveel geïncasseerde bijdragen dient terug te betalen. De vrouw is, zonder de beschikking in deze procedure af te wachten, vanaf augustus 2019 begonnen met executie van de volgens de beschikking van 17 oktober 2018 verschuldigde bedragen.

4 Verweer

De vrouw heeft in beide zaken verweer gevoerd.

5 Beoordeling

provisionele voorziening

5.1.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).

5.2.

De rechtbank stelt vast dat aan het vereiste genoemd in het tweede lid van artikel 223 Rv is voldaan, zodat de man in zoverre ontvankelijk is in zijn verzoek.

bodemzaak

5.3.

Op grond van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van de eerdere beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan.

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de man ten opzichte van het inkomen op basis waarvan zijn draagkracht destijds berekend is, substantieel gewijzigd is. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat een wijziging van de huidige onderhoudsverplichting gerechtvaardigd is.

ingangsdatum

5.5.

De rechtbank sluit voor de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de kinderbijdrage aan bij de datum van indiening van het verzoekschrift, in dit geval

15 augustus 2019. Vanaf dat moment heeft de vrouw immers daadwerkelijk rekening kunnen houden met een eventuele verlaging van de kinderbijdrage. De rechtbank ziet in de stellingen van partijen geen aanleiding om voor de ingangsdatum bij een andere datum aan te sluiten. Op een eventuele terugbetalingsverplichting van de vrouw van teveel ontvangen kinderbijdrage komt de rechtbank later in deze beschikking terug.

behoefte

5.6.

In voornoemde beschikking is de behoefte van de kinderen bepaald conform de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen aan de hand van het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) ten tijde van de verbreking van de samenwoning van partijen in 2017. De behoefte was in 2018 – geïndexeerd en afgerond - € 1.398 per maand. Op verzoek van de vrouw is de behoefte vermeerderd met de netto kosten kinderopvang, destijds € 238 per maand. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Uitkomst was dat de behoefte in 2018 € 1.636 per maand, € 545 per kind, is.

5.7.

De man heeft aangevoerd dat de kosten kinderopvang inmiddels redelijkerwijs geacht kunnen worden verdisconteerd te zijn in de behoefte van de kinderen en niet meer behoefteverhogend werken. Hij verzoekt de rechtbank de behoefte te bepalen op € 1.398, geïndexeerd in 2019 op € 1.426 per maand.

5.8.

De rechtbank ziet geen grondslag om de behoefte van de kinderen nader te bepalen. Sprake is van kosten die destijds onweersproken als behoefteverhogend zijn aangemerkt en die, naar de vrouw heeft aangetoond, nog steeds worden gemaakt.

draagkracht man

5.9.

Het geschil tussen partijen spitst zich primair toe op het in aanmerking te nemen inkomen van de man. In de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018 is, uitgaand van een bruto jaarloon van de man van € 78.382 en een reservering arbeidsongeschiktheid van € 2.424, het NBI van de man berekend op € 3.882. De man voerde in 2017 met een compagnon een onderneming, [B.V.] . De aandelen ervan waren ondergebracht in [B.V.] . De man en zijn compagnon waren beide voor 50% aandeelhouder in de onderneming.

5.10.

De man heeft aangevoerd dat hij in november 2018 een burn-out gekregen heeft. Kort voor het vertrek van de vrouw met de kinderen uit de echtelijke woning heeft de man ontdekt dat de vrouw in september 2017 buiten zijn medeweten zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering had opgezegd. De man stelt dat het voor hem onmogelijk was om zich opnieuw met voldoende dekking te verzekeren. Daarom is hij in het najaar 2018 gestopt met de onderneming en in januari 2019 als Payroll-uitzendkracht aan de slag gegaan. Zijn oude inkomen zou hij sindsdien slechts hebben kunnen behalen als hij 55 tot 60 uur per week zou werken, terwijl hij inmiddels al geruime tijd een Ziektewet uitkering heeft.

5.11.

De vrouw erkent dat zij de tussenpersoon heeft bericht dat de man de verzekering wilde opzeggen, maar dit op verzoek van de man, en stelt dat nergens uit blijkt dat sprake is van een definitieve opzegging en dat evenmin blijkt dat de man zich niet opnieuw kon verzekeren. De vrouw betwist dat de man genoodzaakt was om met de onderneming te stoppen, althans om zijn aandelen te verkopen. Volgens de vrouw heeft de man een en ander enkel en alleen bewerkstelligd om een wijziging van omstandigheden te creëren vanwege de op hem rustende alimentatieverplichting. Als al sprake is van inkomensverlies, dan acht de vrouw dit verwijtbaar. De vrouw stelt dat de man voldoende verdiencapaciteit heeft om een inkomen te verwerven dat vergelijkbaar is met zijn ‘oude’ inkomen en dat voor de bepaling van de draagkracht van de man van dit ‘oude’ inkomen moet worden uitgegaan.

5.12.

Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te verwerven. Indien een onderhoudsplichtige door eigen gedragingen een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een inkomensvermindering die wel voor herstel vatbaar is en een inkomensvermindering die niet voor herstel vatbaar is. Er is sprake van een voor herstel vatbare inkomensvermindering indien de onderhoudsplichtige redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich in de naaste toekomst opnieuw het oorspronkelijk inkomen te gaan verwerven en de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.

5.13.

Gezien stukken in het dossier en de verklaringen van de man over het verloop van zijn arbeids(on)geschiktheid is de rechtbank van oordeel dat de man voldoende heeft onderbouwd dat en waarom de man op dit moment is aangewezen op een Ziektewetuitkering. Ter zitting heeft de man gezegd dat hij onvoldoende kracht in zijn linkerhand heeft en niet meer als voorheen in de werkplaats kan sleutelen. Hij zit nu in een werk-fit traject van het UWV, waar wordt onderzocht welke werkzaamheden hij nog kan verrichten. Dat de man nog zijn oude functie en het bijbehorende salaris zou kunnen krijgen, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank concludeert dan ook dat het niet redelijk en realistisch is van de man te verwachten dat hij weer een inkomen in loondienst op zijn oude niveau kan krijgen.

5.14.

Wat het betoog van de vrouw over (de controle op) de arbeidsongeschiktheid van de man in het kader van de Ziektewet betreft is de rechtbank van oordeel dat de door de man overgelegde informatie toereikend is. De door de vrouw hierbij geplaatste kanttekeningen leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel.

5.15.

Gelet op al het vorenstaande zal de rechtbank voor de draagkrachtberekening ervan uitgaan dat het inkomen van de man slechts bestaat uit een Ziektewetuitkering, een uitkering die in lijn is met het inkomen dat de man voorheen op basis van het Payroll-contract had. In 2019 was de uitkering € 463 per week, € 26.002 per jaar. Hiermee hangt samen een NBI van € 1.832 en een draagkracht voor kinderbijdrage van € 232.

In 2020 is de uitkering € 468 per week, het jaarinkomen € 26.283, het NBI € 1.878 en de draagkracht € 238.

5.16.

Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat op de datum van indiening van het verzoekschrift een door de man te betalen bijdrage van € 77 per kind per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven was. Dit betekent dat de bijdrage van € 277 per kind per maand die de man op grond van de beschikking van 17 oktober 2018 verschuldigd was, niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

5.17.

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in rechtsoverweging 5.3 geformuleerde vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat de vastgestelde bijdrage gewijzigd moet worden. Voldoende duidelijk is daarbij dat de vader al geruime tijd feitelijk geen draagkracht meer heeft om de vastgestelde bijdrage volledig te blijven betalen.

5.18.

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van het NBI van de man. Een afschrift ervan is aan deze beschikking gehecht.

terugbetaling

5.19.

De rechtbank zal – zoals hiervoor overwogen – 15 augustus 2019 als ingangsdatum voor de wijziging van de kinderbijdrage bepalen.

De vrouw heeft verzocht om geen terugbetalingsverplichting op te leggen als de alimentatie lager wordt vastgesteld, omdat de kinderbijdrage is gebruikt voor de dekking van de kosten van de kinderen. Dat zij een zodanig laag inkomen heeft en / of geen middelen zou hebben om met terugwerkende kracht eventueel teveel ontvangen alimentatie terug te betalen, is niet gesteld.

5.20.

De rechtbank acht van belang dat de vrouw, hoewel zij op de hoogte was van de door de man gestarte procedure tot wijziging van de kinderbijdrage, onverkort is doorgegaan met de incasso van de kinderbijdrage door het LBIO. Tot en met de maand juli 2020 heeft zij de kinderbijdrage door het LBIO laten incasseren. De vrouw heeft een brief van het LBIO overgelegd waaruit blijkt dat er op 13 juli 2020 een openstaand bedrag van € 1.492,52 was.

5.21.

De rechtbank heeft 15 augustus 2019 als ingangsdatum voor de wijziging van de kinderbijdrage bepaald. Dat betekent dat de man vanaf die datum teveel kinderbijdrage aan de vrouw heeft voldaan. De rechtbank hanteert bij de beoordeling of de vrouw de teveel ontvangen bijdrage moet terugbetalen de maatstaf zoals neergelegd in de uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1001).

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Daartoe is het volgende redengevend.

De uitkomst van de beoordeling in deze procedure is dat de vrouw gedurende tien maanden, van september 2019 tot en met juli 2020, op maandbasis een bedrag van ca € 400 meer heeft doen incasseren dan waarop zij recht had. Dat dit bedrag volledig zou zijn opgegaan en / of redelijkerwijs niet al dan niet geheel gereserveerd kon worden, blijkt nergens uit.

Het staat vast dat de man ten onrechte langdurig teveel heeft betaald en dat de vrouw er rekening mee heeft kunnen en moeten houden dat de kinderbijdrage zou worden verlaagd.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak een terugbetalingsverplichting voor de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard tot een bedrag van in totaal € 2.000. De man kan dit verrekenen met de toekomstige termijnen in die zin dat hij gedurende 20 maanden € 100 per maand in mindering kan brengen op de te betalen kinderbijdrage.

5.22.

De rechtbank wijst er - ten overvloede - op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

Het is vaste jurisprudentie dat voor indexering van rechtswege van alimentatie niet de ingangsdatum van de periode waarover alimentatie betaald dient te worden bepalend is, maar de datum waarop de alimentatie is vastgesteld. Per 1 januari nadien zal voor het eerst van rechtswege de alimentatie worden geïndexeerd. Voormelde kinderbijdrage zal daarom voor het eerst worden geïndexeerd per 1 januari 2021.

6 Beslissing

De rechtbank:

in beide zaaknummers

6.1.

bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2018 dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarigen] :

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,

dient te voldoen € 77 per kind per maand, met ingang van 15 augustus 2019 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen, onder verrekening wegens terugbetaling van hetgeen teveel is betaald van twintig keer € 100 per maand;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.C. Bakker, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2020.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.