Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5806

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
8066486
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Huurkoop of koop van een schip. Mondelinge overeenkomst. Gedaagde heeft door feitelijke levering van het schip aan zijn verplichtingen voldaan. Geen grond voor ontbinding. Wel heeft gedaagde onrechtmatig gehandeld door op enig moment de sloten van het schip te veranderen, maar causaal verband met gevorderde schade is niet aangetoond. Tegenvordering tot betaling van restant koopsom toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2021/7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8066486 / CV EXPL 19-14359

Uitspraakdatum: 5 augustus 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: M. Vischjager

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. Bitter

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 13 september 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en een tegenvordering ingesteld.

1.2.

Nadat de door de kantonrechter bepaalde mondelinge behandeling vanwege de corona-crisis geen doorgang kon vinden, heeft de kantonrechter beslist dat alsnog schriftelijk verder geprocedeerd moest worden. Vervolgens heeft [eiser] schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. Ten slotte heeft [eiser] nog een laatste reactie gegeven op de tegenvordering.

2 De feiten

2.1.

Op 13 januari 2018 hebben [eiser] en [gedaagde] een mondelinge overeenkomst gesloten waarbij een schip, [naam schip] , (een voormalig Brits mijnenveger omgebouwd tot jacht) tegen betaling van een bedrag van € 22.000,- door [gedaagde] aan [eiser] zou worden overgedragen.

2.2.

De sleutels van het schip zijn op of omstreeks 13 januari 2018 aan [eiser] overhandigd. Deze heeft in de daaropvolgende periode (reparatie)werkzaamheden aan het schip verricht.

2.3.

[eiser] mocht de koopsom in termijnen voldoen en heeft tot en met november 2018 een totaalbedrag van € 16.342,69 aan [gedaagde] betaald.

2.4.

Op 29 oktober 2018 heeft [gedaagde] enige sloten aan het schip vervangen zodat [eiser] daartoe niet meer de (onbelemmerde) toegang had. Per e-mail heeft [gedaagde] die dag aan [eiser] laten weten: Ik heb hierdoor alle sloten vervangen, waardoor je geen toegang heb tot het schip. Je heb mijn vertrouwen meer malen geschonden, om dat je van alle toezeggingen niet een bent na gekomen. Je heb tot en met 15 december de tijd om je betaling te voldoen. Maar vanaf nu verbied ik je de toegang tot het schip.

2.5.

In december 2018 is het schip gezonken. [eiser] heeft het schip laten bergen en schade beperkende maatregelen genomen. Hij is geholpen door de havenmeester die over de nieuwe sleutels beschikte.

2.6.

Bij brief van 14 december 2018 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] geschreven:
(…) Aangezien u tot op heden nog steeds in gebreke bent gebleven met een koopcontract alsmede de sleutels en de benodigde documenten, stelt cliënt middels deze u nog eenmaal in de gelegenheid om de boot binnen een termijn van 14 dagen na dagtekening van dit schrijven aan cliënt over te dragen in de staat waarin deze bij aankoop verkeerde alsmede er zorg voor te dragen dat alle benodigde documenten, sleutels alsmede een wettelijk koopcontract aan cliënt ter hand worden gesteld.
Mocht het zo zin dat er na deze termijn niet aan de voorwaarden van cliënt zijn voldaan, stelt cliënt zich op het standpunt dat de voorlopige (mondelinge) koopovereenkomst per 28-12-2018 is ontbonden en zal cliënt het reeds betaalde bedrag ad € 16342,69 terugvorderen.

2.7.

Bij brief van 7 januari 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] terugbetaling van een bedrag van € 16.342,69 van [gedaagde] gevorderd. Bij brief van 22 januari 2019 heeft hij daarnaast nog aanspraak gemaakt op rente en buitengerechtelijke kosten.

2.8.

Bij brief van 7 oktober 2019 heeft de gemachtigde van [gedaagde] betaling van de restant koopsom gevorderd. Daarbij heeft hij ook betaling van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd voor het geval de hoofdsom niet binnen veertien dagen zou zijn betaald.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert - samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt om:
primair:
1. aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.342,69 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2018;
subsidiair:
2. aan [eiser] te betalen een bedrag van € 16.342,69 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2018;
primair en subsidiair:
3. aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.045,- inzake de in opdracht uitgevoerde werkzaamheden inzake berging en schade beheersing, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2019;
4. aan [eiser] te betalen de buitengerechtelijke kosten van € 1.160,24 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;
5. en 6. aan [eiser] te betalen de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis.

3.2.

[eiser] voert daartoe het volgende aan.
Primair stelt hij zich op het standpunt dat tussen partijen sprake is van een huurkoopovereenkomst betreffende het schip. Omdat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit deze overeenkomst, heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden en is [gedaagde] gehouden het reeds betaalde deel van de koopsom terug te betalen.
Voor zover geen sprake zou zijn van huurkoop, maar van koop, stelt [eiser] zich subsidiair op het standpunt dat [gedaagde] in de nakoming van de koopovereenkomst is tekort geschoten. Op grond daarvan heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden en is [gedaagde] gehouden tot terugbetaling van het reeds betaalde deel van de koopsom.
Verder heeft [eiser] ter beperking van verdere schade kosten moeten maken in verband met het zinken van het schip. Die kosten komen ook voor rekening van [gedaagde] omdat hij steeds eigenaar is gebleven, althans omdat hij door het veranderen van de sloten, de toegang tot het schip voor [eiser] onmogelijk maakte.

4 Het verweer en de tegenvordering

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat geen sprake is van huurkoop maar van een koopovereenkomst. Het schip is door levering eigendom van [eiser] geworden en het feit dat [gedaagde] enkele sloten heeft veranderd, doet daaraan niets af. Het is niet [gedaagde] maar [eiser] die de overeenkomst niet is nagekomen door niet de gehele koopsom te betalen.

4.2.

Op grond van het voorgaande vordert [gedaagde] betaling van een bedrag van
€ 5.657,31 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2019 en een bedrag van € 796,02 ter zake van buitengerechtelijke kosten, tevens te vermeerderen met de proceskosten, inclusief de nakosten en de wettelijke rente.

4.3.

[eiser] betwist de tegenvordering. Zijn verweer daartegen is gelijk aan hetgeen hij ter onderbouwing van zijn eigen vordering heeft aangevoerd.

5 De beoordeling

5.1.

De vordering en de tegenvordering hangen zozeer met elkaar samen, dat deze hierna gelijktijdig zullen worden behandeld. De kantonrechter stelt verder voorop dat zij er bij de beoordeling vanuit gaat dat het schip niet in Nederland is teboek gesteld, nu geen stukken waaruit registratie blijkt zijn overgelegd en partijen ook niet hebben gesteld dat sprake is van teboekstelling in Nederland. Dat betekent dat het schip moet worden beschouwd als een roerende zaak.

5.2.

Partijen twisten over de vraag of sprake is van huurkoop (waarbij de eigendom pas overgaat zodra de gehele koopsom is voldaan) of van koop op afbetaling (waarbij de eigendom overgaat zodra de feitelijke levering plaatsvindt). Op huurkoop van roerende zaken is artikel 7:86 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Daarin is bepaald dat de overeenkomst van huurkoop (oftewel de overeenkomst van goederenkrediet) op papier of een andere duurzame drager wordt aangegaan. Voorts is daarin geregeld dat indien in de overeenkomst de bedingen betreffende eigendomsvoorbehoud en overgang van de eigendom ontbreken, deze geldt als een koop op afbetaling zonder eigendomsvoorbehoud.

5.3.

Vast staat dat partijen op 13 januari 2018 alleen mondeling afspraken hebben gemaakt,

waarbij zij het in elk geval eens waren over de hoogte van de koopsom en de mogelijkheid om deze in termijnen te betalen. Nu er geen overeenkomst op papier of een andere duurzame drager is aangegaan, zijn dus ook geen bedingen betreffende eigendomsvoorbehoud en overgang van de eigendom vastgelegd, zo partijen daarover überhaupt al hebben gesproken of afspraken gemaakt. Dat betekent dat de mondelinge overeenkomst moet worden beschouwd als een koop op afbetaling waarbij de eigendom overgaat op het moment dat feitelijk is geleverd. Die feitelijke levering moet geacht worden te hebben plaatsgevonden door de overdracht van de sleutels van het schip. Daarmee kreeg [eiser] immers de feitelijke macht over het schip. Dat [gedaagde] op enig moment de sloten eigenhandig heeft veranderd en daarmee de toegang voor [eiser] ernstig belemmerde, doet aan de eigendomsovergang niets af.

5.4.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [eiser] voor zover deze zijn gegrond op zijn stelling dat sprake is van huurkoop, zullen worden afgewezen. Voor het geval geen sprake is van een overeenkomst van huurkoop maar van koop, heeft [eiser] aangevoerd dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden wegens wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] . De wanprestatie bestaat er uit dat [gedaagde] de sloten van het schip verving waardoor [eiser] geen toegang meer tot het schip had. Verder schoot [gedaagde] tekort door [eiser] niet (meer) in het bezit te stellen van de sleutels, de koopovereenkomst en de overige bij het schip behorende documenten. [gedaagde] betwist deze wanprestatie en stelt dat juist [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst door niet de gehele koopsom te voldoen.

5.5.

Bij gebreke van een schriftelijk en door beide partijen ondertekend contract moet er van uit worden gegaan dat de koopovereenkomst voor [gedaagde] alleen de verplichting om het schip feitelijk te leveren behelsde en voor [eiser] om de gehele koopsom te voldoen. Dat partijen jegens elkaar nog andere verplichtingen hadden, is door [eiser] onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet komen vast te staan. Het is ook niet duidelijk op welke documenten [eiser] doelt nu het, zoals in 5.1. overwogen, gaat om een roerende zaak. Nu wel vast staat dat feitelijke levering op 13 januari 2018 heeft plaatsgevonden, heeft [gedaagde] daarmee aan zijn verplichtingen voldaan. Dat hij later de sloten van het schip heeft vervangen, levert een inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser] op maar heeft voor de koopovereenkomst geen gevolgen. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, zodat [eiser] niet gerechtigd was de koopovereenkomst te ontbinden. De daarop gebaseerde vorderingen stranden dan ook.

5.6.

Vast staat wel dat [eiser] , ondanks sommaties, niet de gehele koopsom heeft betaald. Het openstaande deel van € 5.657,31 zal alsnog door hem voldaan moeten worden. Zijn verweer dat hij niet betaalde omdat hij de benodigde documenten niet ontving, gaat, gelet op hetgeen in 5.5. is overwogen, niet op. De tegenvordering tot betaling van het restant van de koopsom ligt dan ook voor toewijzing gereed.

5.7.

[eiser] vordert verder nog betaling van een bedrag van € 2.045,- wegens de door hem uitgevoerde werkzaamheden inzake berging en schade beperking. Voor zover [eiser] aan deze vordering ten grondslag legt dat [gedaagde] nog eigenaar van het schip is, faalt dit betoog gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Voor zover [eiser] aanvoert dat deze kosten voor rekening komen omdat [gedaagde] de sloten van het schip eigenhandig heeft veranderd, faalt het betoog eveneens.

Weliswaar heeft [gedaagde] daardoor inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser] en daarom onrechtmatig jegens hem gehandeld, maar zonder nadere toelichting die ontbreekt, is niet vast te stellen wat het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de betreffende kosten is. Gesteld noch gebleken is immers dat het schip is gezonken omdat [eiser] geen toegang tot het schip had. Evenmin is gesteld of gebleken dat de kosten voor het bergen van het schip en ter beperking van verdere schade zijn ontstaan of toegenomen doordat [eiser] de toegang tot het schip was ontzegd. Daarbij is van belang dat de havenmeester kennelijk wel over de nieuwe sleutels beschikte en [eiser] er op die wijze (en met behulp van de havenmeester) in slaagde het schip te bergen. De vordering tot betaling van de betreffende kosten zal dus worden afgewezen.

5.8.

Nu geen van de vorderingen van [eiser] slaagt, kan ook de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten niet slagen. [eiser] heeft in zijn conclusie van dupliek in reconventie de kantonrechter nog verzocht om een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle schade die hij door zijn handelen heeft veroorzaakt waarbij de hoogte van de schade bij nadere akte door een onafhankelijke expert zal worden opgemaakt. Voor zover [eiser] hiermee heeft beoogd een eisvermeerdering in te stellen, gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Deze eisvermeerdering is te laat ingesteld en daarmee in strijd met de eisen van een goede procesorde.

5.9.

Zoals hiervoor overwogen zal de tegenvordering tot betaling van het restant van de koopsom worden toegewezen. [gedaagde] heeft daarnaast betaling van rente en incassokosten gevorderd, welke nevenvorderingen door [eiser] zijn betwist. De (gemachtigde van) [gedaagde] heeft aan [eiser] op 7 oktober 2019 een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal derhalve worden toegewezen De wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf 21 oktober 2019.

5.10.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij ongelijk krijgt. Daarbij wordt [eiser] ook veroordeeld tot betaling van het nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [gedaagde] worden gemaakt. Gelet op de samenhang tussen de vordering en de tegenvordering zal het salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] voor wat betreft de tegenvordering op nihil worden begroot. De gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

6.1.

wijst de vordering af;

In reconventie:

6.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van € 5.657,31 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, tevens te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 796,02;

In conventie en in reconventie:

6.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 600,00 (2 punten) aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.4.

veroordeelt [eiser] tot betaling van € 120,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door [gedaagde] worden gemaakt vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en op in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter