Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5773

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
7510801 \ CV EXPL 19-1395
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Luchtvaartzaak. Annulering vlucht. Staking door onderhoudspersoneel luchtvaartmaatschappij levert onder de gegeven omstandigheden een buitengewone omstandigheid op. Luchtvaartmaatschappij heeft alle redelijke maatregelen getroffen om annulering te voorkomen. Verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 7510801 \ CV EXPL 19-1395

Uitspraakdatum: 1 juli 2020

Vonnis in de zaak van:

1 [passagier sub 1] , wonende te [woonplaats]

2. [passagier sub 2] , wonende te [woonplaats]

3. [passagier sub 3] , wonende te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde H. Visser (Yource B.V.)

tegen

de vennootschap naar IJslands recht Icelandair ehf.

statutair gevestigd te Reykjavik (IJsland) mede kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde

hierna te noemen Icelandair

gemachtigde mr. J.J. Croon

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 10 januari 2019 een vordering tegen Icelandair ingesteld. Icelandair heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna Icelandair een schriftelijke reactie heeft gegeven.

1.3.

Bij tussenvonnis van 24 december 2019 heeft de kantonrechter bepaald dat aan Icelandair gelegenheid wordt geboden voor pleidooi.

1.4.

Op 2 juni 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. De passagiers zijn, ondanks daartoe juist te zijn opgeroepen, niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat Icelandair ter toelichting van haar standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met Icelandair een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Icelandair passagier sub 1 diende te vervoeren van New York via Reykjavik naar Amsterdam-Schiphol Airport en passagiers sub 2 en sub 3 van Reykjavik naar Amsterdam-Schiphol Airport op 18 december 2017.

2.2.

Vlucht FI 0500 van Reykjavik naar Amsterdam-Schiphol Airport (hierna de vlucht) is geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt en met vertraging op de eindbestemming aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben compensatie van Icelandair gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

Icelandair heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat Icelandair bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair € 363,00, subsidiair € 326,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat Icelandair vanwege de annulering van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 voor passagier sub 1 en een bedrag van € 400,00 voor zowel passagier sub 2 als passagier sub 3.

4 Het verweer

4.1.

Icelandair betwist de vordering. Zij voert aan dat de vlucht is geannuleerd door een staking van het onderhoudspersoneel. Door de staking konden de vliegtuigen niet worden vrijgegeven uit onderhoud of inspectie voor het uitvoeren van vluchten, wat in verband met de vliegveiligheid verplicht is.

4.2.

Op 31 augustus 2017 eindigde de salarisovereenkomst tussen Icelandair en de Icelandic Aircraft Mechanics Association. Partijen begonnen onmiddellijk met onderhandelen voor een toekomstige overeenkomst. Ondanks dat er 25 formele onderhandelingsgesprekken hebben plaatsgevonden, bleef onenigheid over het salaris bestaan. De vakbond eiste een verhoging van 20%, ongeveer 4 keer hoger dan wat over het algemeen in de IJslandse arbeidsmarkt is afgesproken, te weten 4,9%. Op 8 december 2017 heeft de vakbond vervolgens voor onbepaalde tijd een staking aangekondigd die zou plaatsvinden vanaf 17 december 2017.

4.3.

De situatie, waarin een vakbond met een buitensporig eis komt, valt niet aan te merken als inherent aan de dagelijkse activiteiten van een luchtvaartmaatschappij. Icelandair is tot het uiterste gegaan om tot een compromis te komen. De vakbond bleef vasthouden aan de onredelijke salaris verhoging van 20 %. Het is dus niet Icelandair die daadwerkelijk invloed had op de aard en oorsprong van de staking, maar de vakbond. Van Icelandair kan niet worden verwacht dat de eisen van de vakbond moeten worden ingewilligd om de buitengewone omstandigheden te voorkomen. Voorts kan de balans tussen fundamentele rechten aan de zijde van werknemers om te staken en aan de zijde van de werkgever om in vrijheid een bedrijf te leiden die tot uiting komen in onderhavige kwestie, niet inhoudelijk worden getoetst in een passagierszaak, omdat hierin een andere relatie aan de orde is, te weten die tussen de luchtvaartmaatschappij en de passagier.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

5.2.

Vast staat dat de vlucht van de passagiers is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat Icelandair zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c sub i, ii, of iii van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor Icelandair, tenzij Icelandair kan aantonen dat de annulering is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5, lid 3, van de Verordening, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen, niet voorkomen konden worden. Icelandair beroept zich op buitengewone omstandigheden, omdat de annulering is veroorzaakt door de staking van het onderhoudspersoneel. In de punt 14 van de considerans van de Verordening staat dat omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening zich onder meer kunnen voordoen in geval van stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Niet iedere staking levert een buitengewone omstandigheid op. Het is aan de luchtvaartmaatschappij om aan te tonen dat de staking hoe dan ook niet voorkomen had kunnen worden door het treffen van maatregelen die op het tijdstip van de staking voldoen aan voor de luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat Icelandair voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op 18 december 2017 sprake was van een staking van het onderhoudspersoneel. De passagiers hebben dit ook niet betwist maar stellen dat de staking niet kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid. De vraag die voorligt is aldus of de (aangekondigde) staking geïnitieerd door de vakbond kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid.

5.4.

Icelandair voert aan dat de vraag of een door de vakbond geïnitieerde staking kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid reeds door Duitse, Zweedse en Spaanse rechters is gesteld aan het Hof. Het ligt daarom in de rede dat de zaak wordt aangehouden om na beantwoording van de prejudiciële vragen aan het Hof de zaak verder te beoordelen dan wel om zelf prejudiciële vragen te formuleren en de zaak te verwijzen naar het Hof, aldus Icelandair.

5.5.

Ten aanzien van het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen dan wel het aanhouden van de zaak in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof overweegt de kantonrechter als volgt. Ingevolge artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is de hoogste nationale rechter van de EU-lidstaten verplicht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof indien een vraag over de uitleg van Unierecht wordt opgeworpen. Hierop geldt uitzondering wanneer de nationale rechter vaststelt dat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil of dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Hierin ligt besloten dat de kantonrechter slechts prejudiciële vragen dient te stellen aan het Hof als de kantonrechter zelf zonder uitleg van het Hof niet tot een beslissing kan komen. In de onderhavige zaak ziet de kantonrechter daartoe geen aanleiding, omdat geen twijfel bestaat. Het verzoek van Icelandair wordt dan ook afgewezen en de kantonrechter zal (eind)vonnis wijzen.

5.6.

Icelandair heeft voor het eerst ter zitting, anders dan in de conclusie van antwoord, betoogd dat de criteria die het Hof heeft geformuleerd in het Walletin-Hermann arrest ten aanzien van de vaststelling van buitengewone omstandigheden, alleen van toepassing is op onverwachte technische mankementen. In de situatie dat geen sprake is van een technisch mankement aan een toestel, dient alleen te worden getoetst aan artikel 5 lid 3 van de Verordening. Dit betekent dat alleen hoeft te worden gekeken naar de redelijke maatregelen die Icelandair kon treffen, teneinde daarmee de buitengewone omstandigheid te voorkomen. De beoordeling of een staking te zien moet zijn als een buitengewone omstandigheid en of er voor de werkgever redelijke maatregelen voor handen waren om de staking te voorkomen dient marginaal te zijn en met reservering ten opzichte van de specifieke inhoud van de collectieve onderhandelingen. Anders komen er fundamentele rechten in de knel, aldus Icelandair. Dit heeft ook tot gevolg dat er geen redelijke maatregelen voorhanden zijn voor de Icelandair om de staking te voorkomen. Het ligt volledig buiten de invloed van Icelandair, aldus nog steeds Icelandair.

5.7.

Anders dan Icelandair is de kantonrechter van oordeel dat uit het arrest Walletin-Herman niet volgt dat de geformuleerde criteria in het arrest slechts gelden indien sprake is van een technisch mankement. In overweging 23 van het arrest staat immers “Ofschoon de gemeenschapswetgever „onverwachte vliegveiligheidsproblemen [...] die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering” in de genoemde lijst heeft opgenomen, en een technisch probleem bij een luchtvaartuig als een dergelijk probleem kan worden beschouwd, neemt dit niet weg dat de omstandigheden die een dergelijk voorval vergezellen alleen dan als „uitzonderlijk” in de zin van artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 kunnen worden aangemerkt wanneer zij verband houden met een gebeurtenis die, net als die welke in punt 14 van de considerans van deze verordening zijn opgesomd, niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en laatstgenoemde hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis.” Hieruit volgt dat voor de toetsing van “uitzonderlijk” in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening moet worden getoetst of de omstandigheid (1) niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en (2) de luchtvaartmaatschappij hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van die gebeurtenis. Het Hof heeft bovenstaande ook bevestigd in onder andere het arrest Krüseman tegen TUIfly Gmbh (arrest van het Hof van 17 april 2018, ECLI:EU:C:2018:258, punt 32) en het Peŝková en Peŝka arrest (arrest van het Hof van Justitie van 4 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:342, punt 22).

5.8.

De kantonrechter overweegt voorts dat een staking van eigen personeel in de regel een protestgeluid is om een wens tot verbetering van het loon of andere arbeidsvoorwaarden kracht bij te zetten of om duidelijk te maken dat men het oneens is met (aangekondigd) beleid van de werkgever. In het voorliggende geval zijn partijen na het aflopen van de overeenkomst (veelvuldig) gaan onderhandelen en heeft het onderhoudspersoneel verstrekkende looneisen neergelegd. Anders dan Icelandair is de kantonrechter van oordeel dat de inhoud van de collectieve onderhandelingen van belang kan zijn voor de toetsing of sprake is van buitengewone omstandigheden. Het is aan de kantonrechter om zoals hiervoor overwogen te toetsen of de omstandigheden inherent zijn aan de uitoefening van de luchtvaartmaatschappij en of de luchtvaartmaatschappij invloed heeft kunnen uitoefenen. Het enkel onderhandelen met een vakbond zal Icelandair niet vreemd zijn. Pas indien er factoren zijn die maken dat het geen gebruikelijke onderhandeling over salaris betreft kan de kantonrechter tot de conclusie komen dat de omstandigheden niet inherent zijn aan de uitoefening van de luchtvaartmaatschappij. Voor de beoordeling kan dus van belang zijn, zoals Icelandair ook bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd, dat sprake is van een buitensporige hoge looneis alsmede andere factoren die de kwestie uitzonderlijk kunnen maken.

5.9.

Gelet op alle feiten en omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheden in het onderhavige geval niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van een luchtvaartmaatschappij. Het betreft een aangekondigde staking door een vakbond na het van rechtswege beëindigen van een naar de kantonrechter begrijpt loonovereenkomst. Icelandair is vrijwel meteen met de vakbond in onderhandeling getreden om tot een overeenkomst te komen. Uit het feit dat partijen 25 keer met elkaar om de tafel hebben gezeten leidt de kantonrechter af dat Icelandair zich heeft ingespannen om tot een akkoord te komen met de vakbond. Weliswaar had Icelandair hier invloed op kunnen uitoefenen door direct in te stemmen met de looneis de staking kunnen voorkomen, maar in onderhavige geval is de kantonrechter van oordeel dat redelijkerwijs niet van Icelandair kon worden verwacht dat zij zonder in onderhandeling te treden akkoord zou gaan met de eisen.

5.10.

Icelandair heeft voorts tegenover de betwisting van de passagiers gemotiveerd onderbouwd dat de vlucht als direct gevolg van de staking is geannuleerd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de vlucht is geannuleerd als gevolg van buitengewone omstandigheden.

5.11.

Vervolgens ligt de vraag voor of Icelandair alle redelijke maatregelen heeft genomen om de annulering te voorkomen. De passagiers stellen dat Icelandair onvoldoende maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op te eindbestemming te voorkomen. Icelandair wist immers al op 8 december dat er gestaakt zou worden. De passagiers stellen voorts dat Icelandair naast het aanbieden van een vervangende vlucht geen andere maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken. Icelandair heeft hiertegenover aangevoerd dat zij tot het laatste moment heeft geprobeerd om de vlucht uit te voeren. Het laten doorgaan van vluchten zonder “clearance” van onderhoudstechnici voorafgaand aan de vlucht is echter in strijd met de veiligheidsvoorschriften en is tevens niet in het belang van de passagiers. Door de staking was de volledige vloot van Icelandair niet beschikbaar.

5.12.

De kantonrechter overweegt dat onder de omstandigheden niet meer van Icelandair had kunnen worden verwacht. Icelandair heeft de passagiers omgeboekt en zo snel mogelijk alsnog naar de eindbestemming vervoerd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Icelandair alle mogelijke redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming te beperken. De vordering tot compensatie van de passagiers op grond van artikel 7 van de Verordening wordt dan ook afgewezen.

5.13.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen. De nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door Icelandair worden gemaakt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Icelandair worden vastgesteld op een bedrag van € 540,00 aan salaris van de gemachtigde van Icelandair.

6.3.

veroordeelt de passagiers tot betaling van € 90,00 aan nakosten, voor zover deze kosten daadwerkelijk door Icelandair worden gemaakt;

6.4.

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter