Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5768

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
8474321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzen niet voldaan aan betalingsregeling en finale kwijting niet toegezegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8474321 \ CV EXPL 20-1605

Uitspraakdatum: 5 augustus 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de naamloze vennootschap Menzis Zorgverzekeraar N.V. ,

gevestigd te Wageningen

eiseres

verder te noemen: Menzis

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

Menzis heeft bij dagvaarding van 3 april 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

Menzis heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

Tussen Menzis als zorgverzekeraar en [gedaagde] als verzekeringnemer is een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand gekomen overeenkomstig de bepalingen van de Zorgverzekeringswet. Uit hoofde van deze overeenkomst is [gedaagde] verplicht maandelijks bij vooruitbetaling premie te voldoen.

2.2.

[gedaagde] heeft facturen betreffende de zorgpremie van de hoofdverzekering en de aanvullende verzekering van premiejaren 2011 en 2012 niet volledig betaald. Ondanks herhaalde aanmaningen heeft Menzis geen betalingen ontvangen van de verschuldigde bedragen. Partijen zijn in het verleden tot een betalingsregeling gekomen, die is komen te vervallen nadat [gedaagde] die niet nakwam. Daarna heeft [gedaagde] geprobeerd om opnieuw een betalingsregeling te treffen en heeft [gedaagde] ook een kwijtingsvoorstel ingediend.

3 De vordering

3.1.

Menzis vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 1476,92, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 1476,92 vanaf 3 april 2020.

3.2.

Menzis legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] verzuimd heeft de zorgverzekeringspremie te voldoen. Menzis heeft in hoofdsom een bedrag van € 1.785,60 opeisbaar te vorderen van [gedaagde] . Daarbij maakt Menzis aanspraak op de buitengerechtelijke incassokosten van € 300,00, omzetbelasting € 63,00 en vervallen rente € 358,39. [gedaagde] heeft inmiddels € 1.030,07 voldaan.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering niet. Wel heeft hij een beroep gedaan op zijn financiële situatie en om een betalingsregeling verzocht. Verder voert [gedaagde] aan dat het door hem ingediende verzoek tot finale kwijting niet is beantwoord door Menzis en dat de eerdere betalingsregeling is blijven bestaan.

5 De beoordeling

5.1.

[gedaagde] heeft de hoogte en de verschuldigdheid van de gestelde betalingsachterstand niet weersproken. Het standpunt van [gedaagde] dat de betalingsregeling is blijven bestaan wordt verworpen, aangezien Menzis heeft onderbouwd dat de regeling is beëindigd nadat [gedaagde] die niet nakwam. Het betoog van [gedaagde] dat het verzoek tot finale kwijting nooit is beantwoord door Menzis is eveneens weerlegd. Menzis heeft een brief overlegd, waaruit blijkt dat haar gemachtigde het verzoek tot finale kwijting van [gedaagde] heeft afgewezen. De kantonrechter gaat daarom ook hieraan voorbij. De gevorderde hoofdsom plus daarover reeds verschenen rente zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 1.113,92 (€ 1.785,60 -/- € 671,68).

5.2.

[gedaagde] voert aan dat hij door zijn financiële situatie de vordering niet kan betalen. Dit kan niet leiden tot afwijzing van de vordering. De kantonrechter begrijpt dat deze omstandigheden voor [gedaagde] zeer vervelend zijn. Echter nu vaststaat dat [gedaagde] dit bedrag aan Menzis is verschuldigd, is Menzis gerechtigd om betaling te vorderen. Voor een betalingsregeling moet [gedaagde] zich dan ook wenden tot de gemachtigde van Menzis, aangezien de kantonrechter dit niet kan vaststellen.

5.3.

De wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding is als onbetwist toewijsbaar.

5.4.

Menzis maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten hebben betrekking op vorderingen ter zake waarvan het verzuim vóór 1 juli 2012 is ingetreden. Voor zover sprake is van verzuim vóór 1 juli 2012 moet de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten worden beoordeeld aan de hand van het Rapport Voorwerk II. Uitgaande daarvan zullen de incassokosten voor die periode worden toegewezen overeenkomstig het bij het Rapport Voorwerk II behorende tarief, te weten tot een bedrag van € 167,08. De btw daarover bedraagt € 35,08.

5.5.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Menzis van € 1.316,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.113,92 vanaf 3 april 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Menzis tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 105,09

griffierecht € 499,00

salaris gemachtigde € 240,00 ;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Flipse op bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter