Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5767

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
8389235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzen deel vordering vennoot van maatschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2020-0322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8389235 CV EXPL 20-1156

Uitspraakdatum: 5 augustus 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. M.M.G.C. Mulder

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. A.E. Noordhuis.

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 6 maart 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [eiser] een schriftelijke reactie heeft gegeven. [gedaagde] heeft als laatste een schriftelijke reactie ingediend. Vervolgens is datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft op 11 mei 2004 van ASR Vermogensbeheer B.V. (hierna: ASR) een stuk grond in erfpacht gekregen voor de duur van 50 jaar.

2.2.

[eiser] heeft op 13 december 2011 een schriftelijke overeenkomst gesloten met ASR en Nuon Wind Development B.V. (hierna: Nuon), waarbij ASR zich bereid en bevoegd heeft verklaard en [eiser] heeft ingestemd met het vestigen van een recht van opstal en erfdienstbaarheden ten behoeve van Nuon ter zake de grond, kadastraal bekend gemeente Wieringermeer sectie A nummer 428, 430 en 432, ter realisatie en exploitatie van een windenergiepark. Daarbij is een door Nuon aan ASR en [eiser] te betalen vergoeding afgesproken van € 5.000,- per jaar per geïnstalleerde MW.

2.3.

Op 13 augustus 2012 hebben [eiser] en [gedaagde] (handelend voor zichzelf of voor een nader te noemen meester) een overeenkomst gesloten, waarbij [eiser] aan [gedaagde] heeft verkocht het recht van erfpacht kadastraal bekend gemeente Wieringermeer sectie A nummer 428, 429 en 430. Daarbij is [gedaagde] op de hoogte gesteld van de overeenkomst met Nuon en zijn alle rechten en verplichtingen uit die overeenkomst bij wijze van kettingbeding overgedragen aan [gedaagde] . In de koopovereenkomst is verder bepaald dat een eventuele door [gedaagde] of een opvolgend erfpachter te ontvangen vergoeding van Nuon vanwege het plaatsen van een windturbine en/of erfdienstbaarheden op de percelen 428 en 430 voor een percentage van 75% ten gunste komt van [eiser] , welk percentage [gedaagde] of een opvolgend erfpachter binnen 1 maand na ontvangst dient over te boeken op een bankrekening van [eiser] .

2.4.

Bij notariële akte van 1 oktober 2012 heeft [eiser] vervolgens geleverd aan [gedaagde] , [vennoten] , handelend in hun hoedanigheid van enige vennoten van de tussen hen bestaande maatschap, [vennootschap] , het recht van erfpacht betreffende de percelen kadastraal bekend gemeente Wieringermeer sectie A nummer 478, 429 en 430, onder de voorwaarde tot doorbetaling van de door kopers ontvangen vergoeding van Nuon als eerder beschreven sub 2.3.

2.5.

Bij e-mail van 31 januari 2020 heeft [eiser] aan [gedaagde] verzocht om betaling van zijn deel van de voor Nuon betaalde vergoeding. Deze betaling is uitgebleven.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 13.790,- vermeerderd met de wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] gehouden is dit bedrag te betalen ter nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij niet pro se eigenaar is geworden van de percelen kadastraal bekend gemeente Wieringermeer sectie A nummer 428, 429 en 430, maar dat dit de maatschap is waar [gedaagde] in participeert. Verder is er geen recht van opstal gevestigd, dus kan er ook van retributie geen sprake zijn.

5 De beoordeling

5.1.

Op zichzelf heeft [gedaagde] gelijk als hij stelt dat hij de sub 2.3 bedoelde overeenkomst is aangegaan voor zichzelf of voor een nader te noemen meester en dat bij de sub 2.4 bedoelde notariële akte het recht van erfpacht is geleverd aan hem zelf en nog twee anderen in hun hoedanigheid van enige vennoten van de tussen hen bestaande maatschap [vennootschap] . Dit betekent echter niet dat [eiser] [gedaagde] niet kan aanspreken tot nakoming van hetgeen ook door [gedaagde] bij die notariële akte is overeengekomen. Indien de handelende maat bevoegd in naam van de maatschap heeft gehandeld – en daar gaat de kantonrechter vanuit nu de andere maten hebben meegewerkt aan levering van het recht van erfpacht – zijn de andere maten (met of zonder beheersbevoegdheid) bij een openbare maatschap krachtens art. 7A:1680 BW voor gelijke delen jegens de wederpartij aansprakelijk. [eiser] kan [gedaagde] derhalve aanspreken voor een derde deel van zijn vordering uit hoofde van genoemde akte.

5.2.

Nuon heeft bij brief van 7 maart 2019 aan de gemachtigde van [eiser] bevestigd dat de bouw van het windenergiepark is aangevangen in 2019 en dat zij de overeengekomen retributie zal vergoeden aan [gedaagde] . In het midden kan blijven of dit een retributie is voor een verleend opstalrecht of een vergoeding op andere gronden. De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] moet zo worden uitgelegd dat [gedaagde] (en zijn medematen) 75% van de door Nuon aan hem betaalde vergoeding wegens het ontwikkelen van het windenergiepark dient te betalen. [gedaagde] is gelet op de door hem gesloten koopovereenkomst en de nadien opgemaakte notariële akte gehouden om zijn aandeel in de 75% van deze vergoeding aan [eiser] te betalen. Dit betreft € 4.596,66, zijnde een derde van de gevorderde hoofdsom die als zodanig niet is betwist. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden toegewezen rekening houdend met de hoogte van de toegewezen hoofdsom, zijnde € 584,66. De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf 1 februari 2020.

5.3.

De proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 5.181,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.596,66 vanaf 1 februari 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 102,96

griffierecht € 499,00

salaris gemachtigde € 360,00 ;

te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door M. Flipse en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter