Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5729

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
07-08-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2288
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herziening en terugvordering bijstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/2288

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.T.A.M. Mes),

en

Het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland, verweerder

(gemachtigden: W.T.M. Schwering en S. Konthai).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers recht op een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) over de periode van 1 september 2016 tot en met 31 juli 2018 herzien en € 3.390,07 bruto (na verrekening vakantiegeld
€ 3.376,89) van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 24 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het onderzoek in deze zaak is ter zitting geschorst en met partijen is afgesproken dat verweerder een nadere reactie in geding brengt waarop eiser mag reageren.

Verweerder heeft op 6 maart 2020 een nadere reactie overgelegd. Eiser heeft hierop op 23 maart 2020 gereageerd.

Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten en de uitspraakdatum is bepaald op heden.

Overwegingen

1.1.

Aan eiser is vanaf 1 september 2016 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande van 18, 19, of 20 jaar. Tevens is aan eiser bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 456,76 omdat zijn noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven zijn bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders. Eisers verzoek om een hogere bijstandsuitkering is bij besluit van 20 december 2017 afgewezen. Bij besluit van 22 januari 2018 is eisers bijstandsuitkering en het bedrag aan bijzondere bijstand in verband met nieuwe beleidsregels verhoogd naar € 244,91 en € 697,61 per maand.

1.2.

Bij brief van 30 januari 2018 heeft verweerder eiser laten weten dat uit onderzoek is gebleken dat eiser naar school gaat en mogelijk recht heeft op een tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten op grond van de WTOS. Eiser is verzocht om voor 8 februari 2018 een bewijsstuk dat hij de WTOS heeft aangevraagd bij de DUO te overleggen.

1.3.

Eiser heeft besluiten van de DUO van 22 mei 2017 ten aanzien van de tegemoetkoming scholieren 2016 en 2017 overgelegd. Hieruit volgt samengevat dat eiser vanaf augustus 2016 recht heeft op de basistoelage inwonend en over de jaren 2016 en 2017 € 1.129,60 te weinig tegemoetkoming heeft ontvangen wat hem zal worden uitbetaald.

1.4.

Bij besluit van 23 april 2018 heeft verweerder vervolgens vanaf 1 april 2018 de basistoelage inwonende gekort op eisers uitkering. Daarnaast is eiser verzocht om voor 7 mei 2018 een kopie van de aanvraag basistoelage uitwonend op grond van de WTOS in te leveren en een beschikking tegemoetkoming scholieren van 2018.

1.5.

Bij brief van 23 juli 2018 heeft verweerder meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat eiser een tegemoetkoming DUO uitwonenden ontvangt. Verzocht is om voor 1 augustus 2018 de beschikking van de DUO inzake de tegemoetkoming schoolkosten te overleggen.

1.6.

Bij besluit van 17 december 2018 heeft verweerder het recht op uitkering van eiser beëindigd.

1.7.

Bij het primaire besluit heeft verweerder het recht op uitkering van eiser over de periode van 1 september 2016 tot en met 31 juli 2018 herzien omdat eiser van de DUO een inwonende studiebeurs heeft ontvangen, die niet gekort is op eisers uitkering. Eiser is medegedeeld dat zodra hij een bevestiging krijgt van de DUO over de toekenning van een uitwonende studiebeurs, hij verweerder hiervan dient te berichten. Eiser heeft over voornoemde periode te veel bijstand ontvangen. Van eiser wordt € 3.390,07 bruto (na verrekening van het vakantiegeld € 3.376,89) aan verstrekte bijstand teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

2. Verweerder heeft het primaire besluit bij het bestreden besluit gehandhaafd. De uitkering van eiser is herzien en teruggevorderd omdat achteraf is gebleken dat eiser naar school ging en een basistoelage WTOS had aangevraagd en gekregen van de DUO. Deze heeft hij aangevraagd vanaf het schooljaar 2016 op 17 mei 2017. Bij besluit van 22 mei 2017 is deze ook toegekend vanaf augustus 2016. Eiser heeft Werksaam hierover niet zelf en direct geïnformeerd. Pas nadat hierom is gevraagd is er informatie gekomen. Er is dan ook sprake van schending van de inlichtingenverplichting. Over de hoogte van eisers uitkering heeft verweerder al beslist. Tegen het toekenningsbesluit en het besluit van 20 december 2017 is geen bezwaar gemaakt. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden om daarop terug te komen. Omdat eiser als gevolg van de herziening te veel bijstand heeft ontvangen is terecht besloten het te veel betaalde van eiser terug te vorderen.

3. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat het beroep zich thans enkel nog richt tegen de terugvordering. De in eerste instantie ingenomen standpunten dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet zou hebben geschonden en dat eerder een te laag bedrag aan bijstand is verstrekt waardoor thans eigenlijk geen sprake zou moeten zijn van herziening en terugvordering worden niet langer gehandhaafd. Aangevoerd is dat verweerder de netto-vordering met een te hoog percentage heeft gebruteerd. Eiser heeft ter onderbouwing een terugvordering door verweerder inzake een ander persoon overgelegd waarbij een lager percentage is gehanteerd. Ter zitting heeft eiser zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het deel van de aan eiser verstrekte bijzondere bijstand onbelast is verstrekt zodat van brutering hiervan geen sprake zou moeten zijn.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de terugvordering heeft plaatsgevonden zoals beschreven in artikel 58, eerste lid, van de PW. In het vijfde lid van dit artikel staat de grondslag om ook de betaalde loonbelasting en de premies volksverzekering verbonden aan de verstrekte bijstand te kunnen terugvorderen. Verweerder volgt de voorgeschreven rekenregels van de Belastingdienst. Hieruit volgt dat een bruteringspercentage van 57,60 gehanteerd dient te worden. Dit is in het geval van eiser ook gebeurd. Voorts heeft verweerder vermeld dat de aan eiser verstrekte bijzondere bijstand wel belast is omdat het gaat over een niet bestedingsgebonden uitkering bedoeld om in de algemene kosten van bestaan te voorzien. Het karakter is daarmee hetzelfde als algemene bijstand. Daarom is deze ook belast. Dit vindt steun in de regels die de Belastingdienst hanteert. Dat de bijzondere bijstand in het geval van eiser belast is volgt ook uit de uitkeringsadministratie. Er is dan ook terecht besloten tot terugvordering van de bruto kosten van de (bijzondere) bijstand.

5. Gelet op de standpunten van eiser zoals toegelicht in beroep is thans enkel nog de terugvordering in geschil. Daarbij dienen de vragen te worden beantwoord of verweerder de terugvordering terecht heeft gebruteerd en zo ja, of dit op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

6. Verweerder heeft de terugvordering naar het oordeel van de rechtbank terecht gebruteerd. Verweerder kan daarnaast worden gevolgd in zijn standpunt dat de bijzondere bijstand belast is verstrekt, zodat ook deze terecht is gebruteerd. Dit is ook door eiser niet meer weersproken. Er is voorts geen aanleiding om aan de juistheid van de berekening te twijfelen. De door eiser overgelegde rapportage leidt hiertoe niet, reeds omdat niet is gebleken is dat sprake is van gelijke gevallen. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich verder alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Wat eiser heeft aangevoerd levert geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Niet gebleken is dat hij als gevolg van de terugvordering in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen.

7. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2020 door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. In verband met de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet in het openbaar uitgesproken. Zodra dit weer mogelijk is zal deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar worden uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.