Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5692

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-07-2020
Datum publicatie
03-08-2020
Zaaknummer
19_5105
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PW, bezwaar te laat, verschoonbaarheid, briefadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser beëindigd.

Bij besluit van 8 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet‑ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020.

Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde

Overwegingen

1. Eiser ontving een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) en had een briefadres van de gemeente. Een van de voorwaarden voor het hebben van een briefadres van de gemeente is dat de gebruiker van dit briefadres minimaal één keer per week de post op komt halen. De gemeente heeft alle post over de uitkering van eiser naar zijn briefadres gestuurd.

2. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser sinds 17 december 2018 zijn post niet meer heeft opgehaald en ook geen contact heeft gezocht met verweerder. Hieraan heeft verweerder de conclusie verbonden dat niet langer duidelijk is waar eiser heeft verbleven en dat hij niet aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Hierdoor kon verweerder het recht op een uitkering niet langer vaststellen. Verweerder heeft bij besluit van 28 maart 2019 de uitkering van eiser met ingang van 17 december 2018 ingetrokken en de kosten van de bijstand teruggevorderd over de periode dat deze onterecht is vertrekt. Het gaat daarbij om de periode van 17 december 2018 tot en met 31 januari 2019.

3. Eiser heeft tegen het besluit van 28 maart 2019 pas op 4 september 2019 bezwaar gemaakt. Vaststaat dat de termijn van zes weken voor het instellen van bezwaar op dat moment al was verstreken. Ter beoordeling ligt nu voor of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard of dat de termijnoverschrijding door eiser verschoonbaar was.

4.1

Eiser betoogt dat hij niet eerder op de hoogte was van het besluit en dus ook niet eerder bezwaar had kunnen maken. Hiertoe voert hij aan dat het primaire besluit naar zijn postadres is gestuurd en dat dit postadres voor problemen zorgde. Hij heeft dit ook al verschillende keren aangegeven bij verweerder. Eiser zwerft en slaapt in een tent in het bos nabij [locatie] . Het is voor hem niet mogelijk zijn post regelmatig op te halen en elke avond zijn verblijfplaats telefonisch door te geven. Als hij zijn post op wil halen moet hij zijn tent inpakken, waardoor hij het risico loopt dat hij zijn slaapplaats kwijtraakt. Hij heeft ook geen geld of andere mogelijkheden om naar het gemeentehuis te reizen. Daarnaast heeft hij geen wifi in het bos en kan dus zijn mobiele telefoon niet gebruiken. Eiser heeft geprobeerd een andere verblijfplaats te vinden, maar dit blijkt moeilijk te zijn. Hij wordt overal weggestuurd. Eiser voert vervolgens aan dat zijn bezwaar een goede kans van slagen had. Het niet ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar is dan ook onredelijk.

4.2

Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om te kunnen concluderen dat de termijnoverschrijding niet aan eiser zou zijn te verwijten. De bezwaartermijn is een dwingende termijn waar slechts in bijzondere omstandigheden een uitzondering op wordt aanvaard. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake. Hoewel uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat eiser beperkte verstandelijke vermogens heeft en hulp nodig heeft bij verschillende aspecten van zijn leven, acht de rechtbank niet onaannemelijk dat eiser in staat is hulp in te roepen. Gebleken is dat eiser zich tussen de datum van het primaire besluit en de datum van het bezwaarschrift wel bij de sociale dienst heeft gemeld en dat hij de weg heeft weten te vinden naar het Juridisch Loket en zo juridische bijstand van zijn gemachtigde heeft kunnen regelen. Ook de omstandigheden dat het voor eiser lastig is om zijn post op te halen omdat hij dan mogelijk zijn slaapplaats kwijtraakt en hij niet de financiële middelen heeft om naar het gemeentehuis te reizen, zijn hoewel begrijpelijk, onvoldoende voor het oordeel dat het voor eiser onmogelijk was om zelf naar het stadhuis te gaan of iemand anders in te schakelen die dit voor hem kon doen. Daarbij komt dat ter zitting is bevestigd dat eiser over een fiets beschikt waarmee hij de afstand tot het gemeentehuis kan afleggen en dat hij ook op andere momenten naar de gemeente is geweest om zich te melden bij de sociale dienst. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling heeft verweerder gelet hierop niet toe kunnen komen.

De rechtbank verwerpt de beroepsgronden van eiser.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De uitspraak is gedaan op 30 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.