Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5672

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3427
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA, beoordeling mate arbeidsongeschiktheid. Door de rechtbank is een onafhankelijke deskundige ingeschakeld. De rechtbank heeft het oordeel van de deskundige gevolgd omdat de door hem gebezigde motivering overtuigend voorkomt. De rechtbank acht het niet nodig opnieuw een deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Degelink),

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. L.C. Husmann).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekende loongerelateerde uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) per 16 december 2017 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.

Bij besluit van 9 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Ritsma.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en gelast dat het vooronderzoek wordt hervat om partijen in de gelegenheid te stellen nader te reageren. De daarover gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een proces-verbaal dat aan partijen is toegezonden. Eiser heeft op 3 januari 2019 en 15 februari 2019 gereageerd. Verweerder heeft op 7 februari 2019 gereageerd.

De rechtbank heeft vervolgens besloten drs. P.A.T. Carbaat, neuroloog verbonden aan D.C. Expertise Centrum te Amsterdam, als deskundige te benoemen. Op verzoek van de neuroloog is tevens aanvullend neuropsychologisch onderzoek verricht door dr. J.F.M. de Jonghe, klinisch neuropsycholoog, verbonden aan D.C. Expertise Centrum te Amsterdam. De deskundige heeft op 5 augustus 2019 rapport uitgebracht. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Beide partijen hebben een reactie op dit rapport gegeven. Eiser heeft daarna nog nader gereageerd.

Met toestemming van partijen is verder onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser is op 15 januari 2013, na een ongeval op zijn werk, uitgevallen voor zijn werk als planning engineer. Per einde wachttijd 16 januari 2015 is aan eiser een uitkering op grond van de WIA toegekend. Eiser werd volledig, niet duurzaam, arbeidsongeschikt geacht en in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering. De loongerelateerde uitkering is bij het primaire besluit per 16 december 2017 omgezet in een loonaanvullingsuitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.

1.2

De werkgever heeft tegen de omzetting bezwaar gemaakt, omdat aan die beslissing geen actueel verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag lag. Verweerder heeft vervolgens in bezwaar alsnog onderzoek laten verrichten door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, met als uitkomst een mate van arbeidsongeschiktheid van 58,66% (klasse 35-80%). Naar aanleiding hiervan heeft verweerder in de op 4 mei 2018 aan partijen gestuurde brief het voornemen kenbaar gemaakt om het primaire besluit in die zin te herzien. Bij deze brief heeft verweerder partijen in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de bezwaren tegen het voorgenomen besluit kenbaar te maken. De werkgever heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het oordeel. Eiser heeft aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben daarom de zaak herbeoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ̶ kort samengevat ̶ geconcludeerd tot de diagnose postcommotioneel syndroom en ziet voor de claim van eiser, dat een niet-aangeboren hersenaandoening (NAH) de oorzaak is van zijn klachten, onvoldoende medisch objectiveerbare onderbouwing. Er is hem niet gebleken van ernstige lichamelijke, neurologische of cognitieve stoornissen; de nekklachten die eiser heeft zijn van degeneratieve aard en leiden niet tot ernstige beperkingen. Vanwege de discrepantie tussen de objectieve onderzoeksbevindingen en de door eiser ervaren klachten wordt aannemelijk geacht dat de aanhoudende klachten een somatoforme achtergrond hebben. Het continueren van activiteiten leidt bij dit beeld niet tot schade van de gezondheid; psychologische factoren kunnen wel een rol spelen bij de klachten. In de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de FML in voldoende mate rekening gehouden met de verminderde psychische en fysieke belastbaarheid van eiser. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt tot een verlies aan verdienvermogen van 58,99%. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt en wordt vastgesteld op 58,99% (klasse 35-80%). De WGA-loonaanvullingsuitkering blijft ongewijzigd tot 1 juni 2020; daarna gaat de inkomenseis in.

3.1

Eiser stelt meer beperkt te zijn dan is aangenomen. Hij meent volledig arbeidsongeschikt te zijn zonder kans op herstel. Eiser heeft aangevoerd dat is vastgesteld dat bij hem sprake is van NAH. De schade die hij ten gevolge van het ongeval heeft opgelopen is onherstelbaar. Hij wijst erop dat hij in aanmerking is gekomen voor revalidatie bij Reade, die speciaal bedoeld is voor mensen met een hersentrauma. Eiser stelt ernstige cognitieve klachten te hebben en als gevolg daarvan meer/verdergaande beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Ook stelt hij diverse fysieke klachten te hebben. Zo heeft hij pijnklachten aan nek, schouder en rug, aangezichtspijnen en tintelingen, tinnitus aan beide oren en problemen met scherpstellen van zijn ogen. Vanwege de pijnklachten slaapt hij slecht met als gevolg vermoeidheidsklachten. Eiser acht zich daardoor niet in staat 40 uur per week te werken. Eiser wijst op de diverse verklaringen van zijn behandelaars in het dossier en zijn eigen commentaar op de FML. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser verklaringen van zijn fysiotherapeut, de revalidatiearts van Reade en de anesthesioloog ingebracht. Verder heeft eiser een verslag van een neuropsychologisch onderzoek uit november 2018 ingebracht (aangevraagd door de MEI-groep, die door de werkgever is ingeschakeld in het kader van de re-integratie), waarin wordt aangegeven dat sprake is van een uitgebreide neurocognitieve stoornis ten gevolge van traumatisch hersenletsel. De prognose voor herstel en re-integratie wordt als zeer ongunstig ingeschat vanwege de zeer beperkte belastbaarheid.

3.2

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 23 oktober 2018 gereageerd op de beroepsgronden en op de door eiser ingebrachte medische verklaringen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet in de medische stukken geen reden meer fysieke beperkingen aan te nemen en stelt dat de door de behandelaars beschreven bevindingen het bestaan van ernstige cognitieve afwijkingen niet onderbouwen. Hij wijst er daarbij op dat er beeldvormend onderzoek is gedaan van de hersenen (MRI) en daarop geen afwijkingen zijn te zien. Dat eiser restklachten heeft betekent nog niet dat hij geen (passend) werk kan verrichten omdat de klachten niet bepalend zijn voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Bepalend daarvoor zijn de objectief vastgestelde beperkingen van zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat niet is gezegd dat de klachten een psychische oorzaak hebben, maar dat psychologische factoren een rol kunnen spelen bij de instandhouding van de klachten. Wat betreft de ingebrachte verklaring van de fysiotherapeut stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat die spreekt over ernstige neurologische klachten zonder dit te onderbouwen. Hij wijst daarbij op de onderzoeksbevindingen waaruit, behoudens degeneratieve afwijkingen, niet blijkt van ernstige afwijkingen. De brief van de revalidatiearts heeft volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen toegevoegde waarde omdat die eiser twee jaar geleden voor het laatst zag en daarom geen uitspraak kan doen over het huidig functioneren. De verklaring van de anesthesioloog dat de cognitieve stoornissen niet zijn verbeterd is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen contra-indicatie voor (passende) arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 7 februari 2019 gereageerd op het ingebrachte neuropsychologisch onderzoeksverslag en stelt dat de hierin vastgestelde cognitieve tekortkomingen niet zijn terug te voeren op medisch vastgestelde stoornissen. Ook stelt hij dat de uitspraken van de neuropsycholoog over belastbaarheid en re-integratie buiten het bestek vallen van haar vakgebied en bovendien zijn gedaan zonder objectief medische onderbouwing.

4.1

Eiser kan zich ook niet vinden in de arbeidskundige beoordeling. Hij heeft aangevoerd dat hij met de klachten die hij heeft niet in staat is de geduide functies te verrichten. De functies waarin hij met machines moeten werken zijn niet geschikt vanwege het geluid/herrie. De administratieve functies zijn niet geschikt vanwege het moeten werken met mensen. Dat veroorzaakt constante prikkels en is daarom voor hem niet mogelijk. Alle functies vereisen een grote concentratie en dat zou leiden tot een toename van zijn cognitieve problemen.

4.2

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 30 oktober 2018 gereageerd op de beroepsgronden. Zij stelt dat eiser in de FML is beperkt ten aanzien van geluidsbelasting (item 3.7) en dat in geen van de geduide functies sprake is van lawaai. Eiser is niet beperkt geacht ten aanzien van sociale aspecten als samenwerken, conflicthantering, contact met collega’s etc. In de FML is bij sociaal functioneren alleen een beperking gesteld ten aanzien van horen (niet de hele dag blootstelling aan een drukke ruimte of langer dan een uur achtereen) en ten aanzien van leidinggeven. In de geduide functies komt leidinggeven niet voor en van een drukke ruimte die prikkels zou kunnen veroorzaken is evenmin sprake. Verder geeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan dat eiser niet beperkt is ten aanzien van concentratie; hij is blijkens de FML in staat de aandacht ten minste een half uur achtereen te richten op een bepaalde in formatiebron. De concentratie kan verstoord raken bij te veel geluid, maar dat komt in geen van de functies voor.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

De rechtbank heeft, gezien het geschil tussen partijen, aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Volgens vaste rechtspraak dient de rechtbank het oordeel van een onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige te volgen, mits de deskundige zijn bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd. De rechter vindt dat deze deskundige het onderzoek goed heeft gedaan. De rechter twijfelt niet aan de juistheid en de zorgvuldigheid van het onderzoek en zal daarom het oordeel van de deskundige volgen. Het gestelde in de reactie van eiser kan daaraan niet afdoen. Het is naar voor eiser dat hij het onderzoek door de deskundige als onplezierig heeft ervaren en teleurgesteld is. De rechtbank heeft echter geen aanwijzingen dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest of niet objectief. Daarbij heeft de rechter in aanmerking genomen dat de ingeschakelde deskundige onafhankelijk en onpartijdig is en over de expertise beschikt om, op zijn vakgebied, op basis van medisch objectiveerbare klachten aan te geven wat de beperkingen zijn. De rechtbank heeft ook geen aanwijzingen dat de deskundige eiser niet serieus heeft genomen of ervan uit is gegaan dat eiser simuleert.

Wat betreft de opmerking van eiser dat de rechtbank dient uit te gaan van het neuropsychologisch onderzoek van november 2018 wijst de rechtbank erop dat het vaste rechtspraak is dat bij een neuropsychologisch onderzoek cognitieve tekorten kunnen worden vastgesteld, maar dat deze tekorten wel in een medisch specialistisch rapport dienen te worden herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. Uit een neuropsychologisch onderzoek op zichzelf valt dus niet af te leiden dat aan de cognitieve klachten een objectiveerbare ziekte ten grondslag ligt.

De motivering van de deskundige is uitgebreid, inzichtelijk en komt de rechtbank overtuigend voor. Om die reden acht de rechtbank het ook niet nodig om zoals eiser verzoekt opnieuw een deskundige te benoemen.

5.2

De deskundige heeft in het rapport van 5 augustus 2019 geconcludeerd dat er op zijn vakgebied geen sprake is van ziekte of gebrek; hij heeft voor de klachten geen neurologische oorzaak kunnen vaststellen. De deskundige stelt vanuit neurologisch perspectief geen stoornissen te hebben vastgesteld van fysieke en, ondersteund door neuropsychologisch onderzoek, van cognitieve aard en geen beperkingen en handicaps. De stoornissen, beperkingen en handicaps die eiser zelf ervaart, berusten volgens de deskundige niet op een neurologische ziekte of stoornis. De deskundige onderschrijft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zoals vermeld in zijn rapport van 9 juli 2018. De deskundige kan zich niet verenigen met de vaststelling van de belastbaarheid zoals weergegeven in de FML omdat er geen neurologische argumenten zijn op grond waarvan beperkingen kunnen worden aangegeven zoals die wel vermeld zijn.

5.3

De rechtbank ziet, het rapport van de deskundige volgend, geen aanleiding voor de conclusie dat de beperkingen van eiser door de verzekeringsartsen zijn onderschat.

De rechtbank begrijpt dat eiser graag wil dat er naar zijn klachten wordt gekeken zoals hij die ervaart en voor hem belemmerend zijn. Soms zit er echter een groot verschil tussen de mate waarin iemand zichzelf ziek of beperkt acht en de beperkingen die vervolgens door een arts op basis van de objectieve medische maatstaven aan die ziekte worden toegeschreven. Hierdoor kan het ook voorkomen dat iemand zichzelf volledig arbeidsongeschikt voelt, maar dat hij nog wel in staat wordt geacht om enig werk te kunnen verrichten. De rechtbank heeft er begrip voor dat dit soms moeilijk is om te bevatten, maar is bij de beoordeling van deze beroepszaak gehouden aan wat medisch objectiveerbaar is vast te stellen. Dat is immers waar het bij een beoordeling in het kader van de WIA om draait.

5.4

Of de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 2 september 2019 terecht alle in de FML van 1 mei 2018 aangenomen beperkingen heeft laten vallen, zoals eiser stelt in zijn nadere reacties, valt inderdaad te bezien. Daar zijn wel kanttekeningen bij te plaatsen omdat het rapport van de deskundige alleen kan zien op de beperkingen op zijn vakgebied. Dat staat nu echter niet ter discussie. De rechtbank hoeft nu alleen de vraag te beantwoorden of het medisch oordeel dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit juist is en de functionele mogelijkheden van eiser, zoals neergelegd in de FML van 1 mei 2018, correct zijn vastgesteld en vervolgens of, uitgaande van de juistheid van die vastgestelde belastbaarheid, de geduide functies voor hem geschikt zijn. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Het hier voorliggende bestreden besluit kan daarom stand houden.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2020 door mr. M.P.E. Oomens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.