Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5610

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-07-2020
Datum publicatie
27-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2945
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting Opiumwet Beverwijk. Voorlopige voorziening afgewezen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2945

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.J. Mascini),

en

de burgemeester van de gemeente Beverwijk, verweerder

(gemachtigden E. de Jong en O. Ceyhan)

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bewoner van de woning aan de [adres] (verzoeker) bericht dat hij heeft besloten genoemde huurwoning onder toepassing van bestuursdwang op 1 juni 2020 om 11:00 uur te sluiten voor de duur van twee maanden.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de sluiting opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting met instemming van partijen op 9 juni 2020 plaatsgevonden met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van het toesturen door verweerder van de ‘vooraankondiging sluiting woning [adres] ’ van

2 april 2020 en de mail waaruit de uitreiking daarvan aan verzoeker blijkt. Op 10 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter deze stukken ontvangen.

Op 19 juni 2020 heeft de voorzieningenrechter een reactie van verzoeker op deze stukken ontvangen.

Nadat verzoeker heeft laten weten gebruik te willen maken van zijn recht om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft op 17 juli 2020 een nadere zitting plaatsgevonden. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. H.T. Leigh, een vervanger van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E. de Jong en
S. D. Wascovitz.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoeker is huurder en bewoner van de woning aan de [adres] . Op 15 januari 2019 heeft verweerder van de Politie Eenheid Noord-Holland een bestuurlijke rapportage ontvangen naar aanleiding van langdurige overlast vanuit de woning. Op 12 maart 2019 heeft op initiatief van verweerder met eiser een gesprek plaatsgevonden met de wijkagent van de politie en een consulent van PréWonen, de verhuurder van de woning.

Op 15 maart 2020 heeft de Politie Eenheid Noord-Holland een onderzoek ingesteld in de woning van verzoeker. Tijdens de doorzoeking van de woning zijn in de woning aangetroffen:

  • -

    Vijf pillen met een totaal gewicht van 3,4 gram, die indicatief zijn getest en een positief resultaat gaven op de mogelijke aanwezigheid van MDMA en mogelijk MDEA.

  • -

    Eén pil, met een gewicht van 0,4 gram, werd indicatief getest en gaf een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van MDMA en mogelijk Mefedron.

  • -

    Witkleurige kristalachtige brokjes, met een gewicht van 20,5 gram, die indicatief werden getest en een positief resultaat gaven op de aanwezigheid van Methamfetamine.

De Politie Eenheid Noord-Holland heeft de bevindingen van dit onderzoek opgenomen in een bestuurlijke rapportage van 27 maart 2020.

Bij schrijven van 18 maart 2020, verzonden 23 maart 2020, heeft verweerder verzoeker geïnformeerd over de voorgenomen maatregelen. In dit schrijven heeft verweerder aan verzoeker laten weten dat de Forensische Opsporing door het Coronavirus vertraging heeft opgelopen bij het testen van drugs en hij wacht met het voornemen en nemen van het besluit tot de uitslag van de Forensische Opsporing bekend is. Nadat verweerder de uitslagen van de aangetroffen drugs heeft ontvangen, heeft hij aan verzoeker bij schrijven van 2 april 2020 een ‘vooraankondiging sluiting woning [adres] ’ voor de duur van 2 maanden uitgebracht. Daarin merkt verweerder op dat hij het besluit om de woning te sluiten tot en met in ieder geval 28 april 2020 niet effectueert en dat verzoeker het besluit ontvangt zodra de maatregelen met betrekking tot het Coronavirus zijn afgeschaald. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Verweerder heeft desgevraagd toegezegd de sluiting op te schorten tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.

3. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel op daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

4. Verweerder gaat op basis van het door hem gevoerde beleid, neergelegd in de “Beleidsregel handhaving wet Damocles gemeente Beverwijk 2018” (de beleidsregel) vastgesteld op 8 oktober 2018, over tot het toepassen van bestuursdwang op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als in de woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen. Daarbij geldt, conform de “Aanwijzing Opiumwet” van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie, dat maximaal 0,5 gram harddrugs en
5 gram softdrugs als een geringe hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik wordt aangemerkt.

Uit artikel 5 van de beleidsregel volgt verder dat indien sprake is van aanwezigheid van meer dan 0,5 gram drugs of meer dan 5 ml GHB (lijst I) in een woning, de woning bij een eerste overtreding wordt gesloten voor de duur van twee maanden.

5. Verweerder heeft zich op basis van de hiervoor aangehaalde informatie van de politie op het standpunt gesteld dat hij onder toepassing van het door hem gevoerde beleid bevoegd is om met toepassing van 13b, eerste lid, van de Opiumwet de sluiting van de woning voor de duur van twee maanden te gelasten.

6. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan verweerder is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan. Bij de beantwoording van die vraag, hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912. Daarbij dient in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is.

7. Verzoeker voert aan dat hij de vooraankondiging van 2 april 2020 pas heeft ontvangen nadat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Hij was daardoor niet in de gelegenheid om een zienswijze in te dienen naar aanleiding van de vooraankondiging. Verder was in het bestreden besluit niet duidelijk beschreven dat verweerder over zou gaan tot sluiting op
1 juni 2020, omdat verweerder pas over zou gaan tot sluiting van de woning zodra de maatregelen met betrekking tot het coronavirus zijn ingetrokken.

8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is deze grond geen reden om het bestreden besluit te schorsen. Verweerder heeft e-mails van [naam 1] van de Politie Eenheid Noord-Holland en [naam 2] , casemanager Detentie en Re-integratie in het Detentiecentrum Schiphol aangeleverd waaruit blijkt dat de vooraankondiging van 2 april 2020 door de politie op 6 april 2020 aan verzoeker is uitgereikt. Verzoeker is dus in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. In de vooraankondiging heeft verweerder aangegeven dat hij verzoeker het besluit zou toesturen zodra de Corona-maatregelen waren afgeschaald. Vervolgens heeft verweerder verzoeker op 18 mei 2020 het bestreden besluit toegezonden waarin voldoende duidelijk staat dat hij over gaat tot woningsluiting op 1 juni 2020, wat hij gezien de gefaseerde afschaling van de Corona-maatregelen mogelijk en verantwoord vindt.

9. Verzoeker voert verder aan dat vanuit zijn woning niet in harddrugs werd gedeald. Er werd (hard)drugs gebruikt maar niet verkocht, en ook niet met de opzet daartoe aanwezig gehouden. Er is geen sprake van een handelsvoorraad drugs, de hoeveelheid in de woning was voor eigen gebruik. Verder blijkt uit de schriftelijke bewijsstukken niet van handelingen, getroffen voor het bereiden of vervaardigen van softdrugs of harddrugs. Voorts brengt het beginsel van behoorlijk bestuur met zich mee dat verweerder er rekening mee houdt dat verzoeker in de strafrechtelijke procedure niet is veroordeeld voor deze feiten.

10. Voor zover verzoeker hiermee bedoelt te stellen dat verweerder niet bevoegd was om de sluiting van de woning te gelasten, volgt de voorzieningenrechter hem daarin niet. In de woning is in totaal 24.3 gram harddrugs aangetroffen. Gelet op deze hoeveelheid aangetroffen harddrugs is verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, sluiting van de woning te gelasten. Daarbij is van belang dat, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, het bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of meer dan 5 gram softdrugs in een woning in beginsel aannemelijk is dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Verzoeker is daar naar het voorlopig oordeel van voorzieningenrechter niet in geslaagd. Gezien de inhoud van de bestuurlijke rapportage waarop verweerder zich heeft gebaseerd, is wat verzoeker naar voren heeft gebracht daarvoor onvoldoende. De stelling van verzoeker dat hij in de strafrechtelijke procedure voor de onderhavige feiten niet is veroordeeld, is ook geen reden om het bestreden besluit te schorsen. De bestuursrechtelijke bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting staat los van een eventuele strafrechtelijke procedure (uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:395).

11. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van voornoemd artikel die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning – die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht kan vormen – dient een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is (zie bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019).

12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in het onderhavige geval, gelet op de ernst en omvang van de overtreding, op het standpunt kunnen stellen dat de sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij is van belang dat uit de bestuurlijke rapportage van 27 maart 2020 blijkt dat in de woning een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. Daarnaast volgt uit de bestuurlijke rapportage van 15 januari 2019 dat regelmatig sprake is van drugsgerelateerde overlast vanuit de woning van eiser. Uit die rapportage blijkt ook dat gesprekken en meldingen de wijkagent aanleiding geven te vermoeden dat eiser drugs aan minderjarigen verstrekt.

13. Verzoeker voert aan dat sluiting van de woning niet evenredig is. De woning bood ook voor zijn neef en een andere jongere een veilige plek. Verzoeker vervult een bijzondere rol voor jongeren door de moeilijke tijd die hij zelf heeft doorgemaakt. Verder heeft verzoeker meer dan eens in samenwerking met de politie ervoor gezorgd dat jongeren weer terecht kwamen. Voorts heeft PréWonen aangegeven de huur te zullen opzeggen per de datum dat verweerder tot sluiting overgaat. Als de sluiting plaatsvindt is verzoeker dus dakloos. In deze bijzondere periode met Corona is het niet verantwoord dat hij op straat wordt gezet. Zijn gezondheid is niet zodanig dat hij zich gedwongen zou moeten blootstellen aan nabije lichamelijk aanwezigheid van grotere groepen mensen in de daklozenopvang.

14. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarbij is van belang dat verzoeker de overtreding kan worden verweten nu hij daarbij was betrokken. Dit heeft verzoeker ook niet bestreden. In de stelling van verzoeker dat hij een bijzondere rol heeft voor jongeren, en zijn neef met een andere jongere in de woning woont, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor schorsing van het bestreden besluit. Ter zitting is gebleken dat beide medebewoners meerderjarig zijn en één van hen inmiddels andere woonruimte heeft gevonden. Nu verzoeker van de overtreding een verwijt kan worden gemaakt, ziet de voorzieningenrechter ook in de omstandigheid dat PréWonen zou hebben aangegeven de huur te zullen opzeggen per de datum dat verweerder tot sluiting overgaat, geen grond voor schorsing van het bestreden besluit. Ook in de stelling van verzoeker dat zijn gezondheid niet zodanig is dat hij zich gedwongen zou moeten blootstellen aan grotere groepen mensen in de daklozenopvang tijdens de coronacrisis, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor schorsing van het bestreden besluit. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gezondheidsproblemen heeft en niet zelfredzaam is.

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.