Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5545

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-07-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
8244166 AO VERZ 19-110
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. De kantonrechter oordeelt dat een geval van ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’ niet kan worden gelijkgesteld met een ‘slapend dienstverband’ als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019 in de zaak Xella (ECLI:NL:HR:2019:1734). De werkgever is daarom niet gehouden om mee te werken aan beëindiging van het dienstverband en niet verplicht om een transitievergoeding te betalen. Het verzoek om ontbinding van de werknemer wordt toegewezen, maar zonder vergoeding, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Artikel 7:686 BW kan geen grondslag zijn voor een aanspraak op een transitievergoeding of schadevergoeding in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0865
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./repnr.: 8244166 \ AO VERZ 19-110

Uitspraakdatum: 14 juli 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [verzoekster]

gemachtigde: mr. G.P. Poiesz

tegen

de besloten vennootschap De Jongh Uitvaartverzorging B.V.

gevestigd te Zuid-Scharwoude

verwerende partij

verder te noemen: De Jongh

gemachtigde: mr. L. Vader

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft een verzoek gedaan, onder meer om De Jongh te veroordelen tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. De Jongh heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Op 16 maart 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoekster] en De Jongh hebben ook pleitaantekeningen overgelegd. Vóór de zitting heeft [verzoekster] bij brieven van 5 maart 2020, 11 juni 2020 en 15 juni 2020 haar verzoek aangevuld en gewijzigd, en nog stukken toegezonden. De Jongh heeft bij brief van 12 maart 2020 stukken toegezonden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1955, is op 1 september 2007 in dienst getreden bij De Jongh, voor 40 uur per week in de functie van uitvaartleider. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Uitvaartbranche van toepassing (hierna: de CAO).

2.2.

In een functionerings- en beoordelingsverslag van 24 april 2009 staat onder andere dat [verzoekster] kenbaar heeft gemaakt dat ze af en toe erg moe is door de combinatie van werk en gezin en dat zij goed haar grenzen gaat bewaken.

2.3.

In een functionerings- en beoordelingsverslag van 15 oktober 2010 wordt vermeld dat [verzoekster] na een drukke weekenddienst erg moe en niet uitgerust is, en dat De Jongh daarvoor als oplossing heeft aangedragen om ook dagdelen te compenseren en bij avondwaken en condoleance-avonden eerder weg te gaan. Verder staat in dat verslag dat [verzoekster] uren die zij ’s nachts maakt mag noteren als gewerkte uren, dat [verzoekster] altijd om ondersteuning kan vragen en dat zij niet alles zelf kan oplossen.

2.4.

In een functionerings- en beoordelingsverslag van 15 december 2011 staat het volgende:
“Mocht er iets zijn, kom dan gewoon even binnenlopen of bel me even, zodat dingen meteen de wereld uit zijn. Laat het niet oplopen. Vorig jaar kwam je met het volgende: Compensatie zal sneller moeten volgen, anders is Leny erg vermoeid. Dus dit betekent dat er ook dagdelen gecompenseerd gaan worden en niet meer alleen hele dagen. Leny kan zich hier goed in vinden. Antwoord [voornaam] : Achteraf is gebleken, dat je zelf blijft hangen, terwijl je beter naar huis had kunnen gaan. Wij gaan dit nu scherp plannen zodat ’t ook gebeurt.”

2.5.

In een functionerings- en beoordelingsverslag van 20 december 2012 wordt opgemerkt dat [verzoekster] merkt dat ze na een dienst erg moe is en ook nog thuis aan de slag moet, waarbij ze veel zorgen heeft om haar moeder.

2.6.

Ook tijdens een functionerings- en beoordelingsgesprek van 21 mei 2015 is gesproken over vermoeidheidsklachten van [verzoekster] en de compensatie van uren. In het verslag van dat gesprek is vermeld dat aan [verzoekster] is meegedeeld dat zij oproepkrachten moet aanspreken als die hun werk niet goed doen en dat zij dan niet zelf het werk moet overnemen.

2.7.

[verzoekster] heeft zich op 12 mei 2016 ziek gemeld.

2.8.

Op 28 juni 2016 heeft [verzoekster] een deskundigenoordeel aangevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). De verzekeringsarts van het Uwv heeft in een rapportage van 29 juni 2016 vermeld dat [verzoekster] niet geschikt wordt geacht om te starten met haar re-integratie op basis van het opbouwschema opgesteld door De Jongh. Het deskundigenoordeel van het Uwv van 9 augustus 2016 luidt dat [verzoekster] op 27 juni 2016 haar eigen werk niet kon verrichten.

2.9.

De Jongh heeft op 7 november 2016 aan het Uwv een deskundigenoordeel aangevraagd over haar re-integratie-inspanningen. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft op 19 januari 2017, voor zover van belang, als volgt gerapporteerd:
“(…) Uitgaande van de beoordeling van de bedrijfsarts is er sprake van belastbaarheid, waarbij beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren zijn aangegeven en een urenbeperking tot 20 uur per week. Uitgaande van deze beperkingen is er sprake van reële belastbaarheid. De bedrijfsarts geeft echter als voorwaarde dat de mogelijkheden pas benut kunnen worden als het bestaande arbeidsconflict is opgelost. Uit mijn contacten met werkgever en werkneemster blijkt dat er nog steeds sprake is van conflict. (…) Er is duidelijk dat geen vooruitgang geboekt in het oplossen van het conflict ondanks onderlinge gesprekken, laatstelijk 18 januari 2017, en ook 2 mediation gesprekken in september 2016. (…) Uit mijn onderzoek blijkt dat de werkgever de adviezen van de bedrijfsarts volgt. (…) Als antwoord op de vraag of de werkgever voldoende doet kan ik concluderend stellen dat de werkgever voldoende heeft gedaan aan re-integratieinspanningen omdat procesmatig goed is gehandeld.”

2.10.

Het Uwv heeft in een deskundigenoordeel van 23 januari 2017 vermeld dat De Jongh voldoende doet aan haar re-integratieverplichtingen ten aanzien van [verzoekster] .

2.11.

In een rapportage van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 23 mei 2017 is geconcludeerd dat [verzoekster] niet belastbaar is in eigen werk en dat re-integratie in het tweede spoor, dus bij een andere werkgever, aangewezen is.

2.12.

Naar aanleiding van een aanvraag voor een WIA-uitkering door [verzoekster] heeft de arbeidsdeskundige van het Uwv in een rapportage van 16 april 2018 gesteld dat De Jongh onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen ten aanzien van het tweede spoor. Volgens die rapportage was een onvoldoende helder persoons- en zoekprofiel opgesteld en was er een onvoldoende helder plan van aanpak. Het Uwv heeft op grond daarvan in een besluit van 18 april 2018 de periode waarover De Jongh tijdens ziekte van [verzoekster] verplicht is het loon door te betalen, verlengd tot 9 mei 2019.

2.13.

In een besluit van 10 januari 2019 heeft het Uwv geoordeeld dat De Jongh alsnog heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen en is de periode waarover De Jongh het loon tijdens ziekte aan [verzoekster] moet doorbetalen, verkort tot 19 januari 2019.

2.14.

De verzekeringsdeskundige van het Uwv heeft in een rapportage van 8 februari 2019 geconcludeerd dat er geen aanwijzingen meer zijn voor het bestaan van een ziekte, dat [verzoekster] tot normaal functioneren in staat is en dat geen sprake meer is van beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Met een besluit van het Uwv van 12 februari 2019 is de WIA-aanvraag van [verzoekster] afgewezen, omdat [verzoekster] niet ziek is en niet arbeidsongeschikt. Aan [verzoekster] is wel een WW-uitkering toegekend.

2.15.

De Jongh heeft [verzoekster] bij brief van 11 april 2019 uitgenodigd voor een gesprek om de mogelijkheden voor hervatting van de werkzaamheden te bespreken. [verzoekster] heeft op 14 april 2019 aan De Jongh bericht dat de arbeidssituatie ongewijzigd is gebleven, zodat zij haar werk niet kan hervatten. Zij heeft De Jongh verder verzocht de arbeidsovereenkomst te laten beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. Ook op 11 november 2019 en 11 december 2019 heeft [verzoekster] aan De Jongh een voorstel gedaan het dienstverband te beëindigen onder toekenning van een transitievergoeding. De Jongh heeft dat afgewezen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter een verklaring voor recht te geven dat zij situatief arbeidsongeschikt is en niet meer bij De Jongh hoeft terug te keren, en om De Jongh te veroordelen de arbeidsovereenkomst tussen partijen op te zeggen, onder toekenning van een transitievergoeding van € 43.130,88 bruto. Ook verzoekt zij De Jongh te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 55.231,58 bruto, en een bedrag van € 11.114,49 bruto aan niet genoten vakantiedagen. Subsidiair verzoekt De Jongh de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, voor recht te verklaren dat De Jongh zich niet als goed werkgever heeft gedragen, en een schadevergoeding toe te kennen van € 55.231,58 bruto. Aan haar verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat De Jongh ten onrechte weigert om mee te werken aan het beëindigen van het dienstverband en ten onrechte weigert een transitievergoeding te betalen. [verzoekster] legt aan haar verzoek ook ten grondslag dat De Jongh in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap door het schenden van haar re-integratieverplichtingen en doordat zij de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] heeft veroorzaakt, met name door voortdurende pesterijen, het overschrijden van arbeidstijden en een te hoge werkdruk.

3.2.

De Jongh verweert zich tegen het verzoek. Volgens De Jongh is geen sprake van langdurige arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] en is zij daarom niet gehouden om mee te werken aan een beëindiging van het dienstverband, en is zij evenmin verplicht om een transitievergoeding te betalen. De Jongh wijst erop dat zij ook niet in aanmerking komt voor compensatie door het Uwv van de transitievergoeding. Ten aanzien van het ontbindingsverzoek voert De Jongh aan dat [verzoekster] nooit kenbaar heeft gemaakt dat sprake was van een onaanvaardbaar hoge werkdruk, en De Jongh betwist dat sprake was van onrechtmatige werk- en rusttijden en pesterijen. Verder bestrijdt De Jongh dat zij niet zou hebben voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. De Jongh heeft ook naar voren gebracht dat zij door de vele eiswijzigingen van [verzoekster] in haar verweermogelijkheden is geschaad.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] door het voortdurend wijzigen van haar verzoeken en de grondslagen daarvoor, en het bij herhaling wijzigen van de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire volgorde daarvan, een onoverzichtelijk en soms niet meer goed te volgen geheel aan verzoeken en vorderingen heeft ingediend. Dat heeft het voeren van verweer daartegen voor De Jongh ook bemoeilijkt. De kantonrechter zal daaraan het gevolg verbinden dat de verzoeken en vorderingen van [verzoekster] zullen worden beoordeeld aan de hand van een uitleg daarvan en in een volgorde zoals die door de kantonrechter en De Jongh redelijkerwijs kon en mocht worden begrepen.

4.2.

Hoewel dat door partijen niet ter discussie is gesteld, gaat de kantonrechter ervan uit dat de verzoeken en vorderingen van [verzoekster] bij verzoekschrift konden worden ingediend, zoals zij heeft gedaan, en dat daarvoor geen dagvaarding nodig was. [verzoekster] heeft onder andere verzoeken ingediend met betrekking tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst, een transitievergoeding of een daarmee gelijk te stellen vergoeding, en een ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dat zijn verzoeken die (mede) zijn gebaseerd op Afdeling 9 van Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) met betrekking tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Dergelijke verzoeken en vorderingen kunnen op grond van artikel 7:686a lid 2 BW bij verzoekschrift worden ingediend. Overigens kunnen de verschillende verzoeken en vorderingen mede als vorderingen worden gezien die verband houden met het verzoek tot ontbinding, zodat die andere vorderingen ook op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kunnen worden ingediend met een verzoekschrift.

4.3.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of een verklaring voor recht moet worden gegeven dat [verzoekster] situatief arbeidsongeschikt is en of De Jongh moet worden veroordeeld de arbeidsovereenkomst tussen partijen op te zeggen, onder toekenning van een transitievergoeding van € 43.130,88 bruto.

4.4.

Naar de kantonrechter begrijpt, stelt [verzoekster] in dit kader dat in haar geval sprake is van een zogenoemd ‘slapend dienstverband’ en dat De Jongh daarom op grond van rechtspraak gehouden is mee te werken aan beëindiging van dat dienstverband en de transitievergoeding moet betalen. Daarbij bepleit [verzoekster] dat een geval van ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’ moet worden gelijkgesteld met een ‘slapend dienstverband’.

4.5.

In rechtspraak is geoordeeld dat in geval van een ‘slapend dienstverband’ een werkgever op grond van goed werkgeverschap in beginsel gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2019:1734 (Xella)).

4.6.

In de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Xella is ook overwogen dat die verplichting van de werkgever om mee te werken aan beëindiging van het dienstverband alleen geldt als “is voldaan aan de vereisten van art. 7:669 lid 1 en 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid”. In artikel 7:669 lid 1 en 3, aanhef en onder b, BW staat dat als redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt beschouwd ziekte van de werknemer die ten minste twee jaren heeft geduurd, waardoor hij niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten.

4.7.

Vast staat dat [verzoekster] na afloop van een periode van (ruim) twee jaar ziekte en per 20 januari 2019 niet meer (langdurig) arbeidsongeschikt was. Uit de hiervoor genoemde rapportage van de verzekeringsarts van het Uwv van 8 februari 2019 en het besluit van het Uwv van 12 februari 2019 tot weigering van de WIA-uitkering, blijkt dat er geen aanwijzingen meer waren voor het bestaan van een ziekte bij [verzoekster] , dat zij tot normaal functioneren in staat werd geacht en dat geen sprake meer was van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. [verzoekster] heeft geen gegevens of argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij nog wel ziek en arbeidsongeschikt was op en na 20 januari 2019.

4.8.

In dit geval is dus niet voldaan aan de vereisten voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, zoals genoemd in de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Xella. [verzoekster] was immers niet (meer) ziek of arbeidsongeschikt op en na 20 januari 2019. Dat betekent dat geen sprake is van een ‘slapend dienstverband’ als bedoeld in de uitspraak in de zaak Xella, zodat De Jongh op grond van die uitspraak ook niet gehouden is om mee te werken aan beëindiging van het dienstverband en niet verplicht is om een transitievergoeding te betalen.

4.9.

[verzoekster] heeft bepleit dat ook sprake is van een ‘slapend dienstverband’ in geval van ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’ en zij meent dat ervan moet worden uitgegaan dat de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Xella ook daarop ziet. De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin niet. [verzoekster] heeft niet nader toegelicht wat zij precies bedoelt met ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’. Naar de kantonrechter aanneemt, bedoelt zij daarmee de situatie dat een werknemer zich op grond van (dreigende) psychische of lichamelijke klachten niet in staat acht tot het verrichten van zijn werkzaamheden, hoewel ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid geen medische beperkingen van psychische of fysieke aard kunnen worden vastgesteld, zodat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte geen sprake is (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 27 juni 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2008:BC7669 (Mak/ SGBO)). Uit de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Xella blijkt echter luid en duidelijk dat de verplichting van een werkgever om mee te werken aan beëindiging van een ‘slapend dienstverband’ is beperkt tot die gevallen waarin is voldaan aan de vereisten voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte. Er is geen aanleiding of aanwijzing om aan te nemen dat die uitspraak ook ziet op een situatie van ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’, waarin juist geen (langdurige) arbeidsongeschiktheid wegens ziekte aan de orde is.

4.10.

Er is ook geen reden om te oordelen dat een situatie van ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’ moet worden gelijkgesteld aan een ‘slapend dienstverband’ als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Xella. Een ‘slapend dienstverband’ in de zin van die uitspraak verschilt immers wezenlijk van een geval van ‘situatieve arbeidsongeschiktheid’, omdat in het eerste geval sprake is van langdurige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en in het tweede geval niet. Ook is sprake van een wezenlijk verschil in die zin, dat in het eerste geval aanspraak bestaat op compensatie van het Uwv voor de betaling van de transitievergoeding en in het tweede geval niet. Het Uwv heeft in dit geval blijkens haar brieven van 2 december 2019 en 6 december 2019 ook nadrukkelijk aan De Jongh meegedeeld dat zij geen compensatie zal krijgen voor een eventuele betaling van de transitievergoeding aan [verzoekster] .

4.11.

Het verzoek van [verzoekster] om De Jongh te veroordelen om de arbeidsovereenkomst tussen partijen op te zeggen onder toekenning van een transitievergoeding, zal dus worden afgewezen. Ook de gevorderde verklaring voor recht dat [verzoekster] situatief arbeidsongeschikt is, wordt afgewezen, omdat zij daarbij geen afzonderlijk belang heeft. Die verklaring wordt immers alleen gevraagd met het oog op de vordering om De Jongh te veroordelen om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, terwijl van een ander belang daarbij niet is gebleken.

4.12.

Voor zover [verzoekster] haar vordering in dit kader heeft gebaseerd op goed werkgeverschap moet de vordering eveneens worden afgewezen, omdat een beoordeling op die grondslag niet tot een ander resultaat kan leiden. Dat geldt ook voor de vorderingen van [verzoekster] tot betaling van schadevergoeding, voor zover die als grondslag hebben dat De Jongh in dit kader is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. De Jongh was immers niet gehouden om mee te werken aan beëindiging van de arbeidsovereenkomst en is dus ook niet tekortgeschoten in de nakoming daarvan.

4.13.

De kantonrechter ziet aanleiding om vervolgens eerst het (meer) subsidiaire verzoek van [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c BW te beoordelen, waarbij ook aan de orde is het verzoek om De Jongh te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding.

4.14.

De arbeidsovereenkomst kan met toepassing van artikel 7:671c lid 1 BW op verzoek van de werknemer worden ontbonden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het verzoek van [verzoekster] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden toegewezen. [verzoekster] wenst kennelijk geen voortzetting meer van de arbeidsrelatie en dat is een omstandigheid die meebrengt dat de arbeidsovereenkomst behoort te eindigen, mede gelet op het recht op vrije keuze van arbeid van artikel 19 lid 3 van de Grondwet. De kantonrechter ziet aanleiding de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 augustus 2020.

4.15.

Als de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt ontbonden, kan op grond van artikel 7:673 lid 1, onderdeel b, BW alleen dan aanspraak worden gemaakt op een transitievergoeding, als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever kan zich slechts voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever de (re-integratie)verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.16.

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat in haar werk sprake was van een hoge werkdruk en dat de regels over arbeidstijden niet werden nageleefd, als gevolg van onderbezetting, structureel overwerken en telefoondiensten. Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoekster] een overzicht van de door haar gewerkte uren in 2008, 2013 en 2014 overgelegd, en een e-mail van de FNV van 30 augustus 2016. De e-mail van de FNV kan echter niet dienen ter ondersteuning van het standpunt van [verzoekster] , omdat deze berust op gegevens van [verzoekster] zelf en niet op enig feitelijk onderzoek naar de werktijden. Het door [verzoekster] overgelegde overzicht ziet alleen op 2008, 2013 en 2014, waarbij ook onvoldoende specifiek is toegelicht en gemotiveerd waarom uit dat overzicht volgt dat sprake is van een structurele schending van de regels ten aanzien van arbeidstijden. Daarbij komt dat De Jongh een uitdraai heeft overgelegd van alle geregistreerde arbeidstijden vanaf 2008 tot begin 2016 en aan de hand daarvan gemotiveerd heeft toegelicht dat niet in strijd is gehandeld met de CAO en de regelgeving over arbeidstijden. Daarop is door [verzoekster] niet meer gereageerd of ingegaan, zodat de kantonrechter die gegevens en toelichting door De Jongh voor juist houdt. Daarvan uitgaande kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een zodanige schending van de regels over arbeidstijden dat dit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten oplevert.

4.17.

De Jongh kan worden gevolgd in haar standpunt dat het enkele feit dat sprake was van een hoge werkdruk niet de conclusie rechtvaardigt dat De Jongh ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de door De Jongh overgelegde en hiervoor genoemde verslagen van functionerings- en beoordelingsgesprekken in de periode van 2009 tot en met 2015 blijkt dat [verzoekster] regelmatig heeft aangegeven dat zij vermoeid was, maar ook dat De Jongh daarvoor aandacht heeft gehad en oplossingen heeft aangedragen om de werkdruk te verminderen. Verder blijkt uit die verslagen dat de werkdruk soms ook door De Jongh zelf werd veroorzaakt, doordat zij ervoor koos door te werken terwijl ze naar huis had kunnen gaan, werk niet overliet aan anderen terwijl dat wel mogelijk was, of een dienst niet overdroeg aan een collega. In de verslagen wordt ook melding gemaakt van het feit dat de vermoeidheid van [verzoekster] mede te maken had met privéomstandigheden. Uit de stukken komt in ieder geval niet naar voren dat [verzoekster] structureel werd overbelast en evenmin dat De Jongh niets zou hebben gedaan met meldingen van [verzoekster] over haar vermoeidheid. Gelet daarop kan ook niet worden vastgesteld dat in dit verband sprake is geweest van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van De Jongh.

4.18.

De verwijten die [verzoekster] aan De Jongh maakt wat betreft de bejegening en pesterijen, zijn door De Jongh gemotiveerd weersproken, maar overigens ook onvoldoende om tot het oordeel te komen dat De Jongh ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De door [verzoekster] genoemde incidenten zijn, als deze hebben plaatsgevonden, vervelende voorvallen, maar niet zodanig dat deze kunnen worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar gedrag van De Jongh.

4.19.

Er is ook onvoldoende reden om te oordelen dat De Jongh haar re-integratieverplichtingen ernstig heeft geschonden. Het is juist dat door het Uwv aan De Jongh een loonsanctie is opgelegd, maar dat had blijkens de rapportage van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 16 april 2018 als reden dat het re-integratietraject in het tweede spoor onvoldoende helder was. Dat levert geen ernstig verwijtbaar gedrag op. Bovendien heeft het Uwv daarna de loonsanctie bekort, omdat was gebleken dat De Jongh alsnog aan haar re-integratieverplichtingen had voldaan. Overige feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat De Jongh ernstig is tekort geschoten in de nakoming van de re-integratieverplichtingen zijn de kantonrechter niet gebleken.

4.20.

Anders dan [verzoekster] stelt, kan het feit dat De Jongh heeft geweigerd in te stemmen met de beëindiging van het dienstverband onder toekenning van een transitievergoeding, niet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Immers, zoals hiervoor al is overwogen, was De Jongh niet gehouden in te stemmen met een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.21.

De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, maar dat De Jongh niet zal worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding.

4.22.

[verzoekster] heeft ook gevraagd om ontbinding op grond van artikel 7:686 BW, waarbij zij stelt dat De Jongh toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen uit de arbeids-overeenkomst door zich in strijd met de eisen van goed werkgeverschap te gedragen. [verzoekster] heeft ter ondersteuning daarvan dezelfde feiten en omstandigheden naar voren gebracht als die welke volgens haar ernstig verwijtbaar gedrag van De Jongh hebben opgeleverd, zoals hiervoor genoemd en besproken onder 4.16 tot en met 4.20.

4.23.

De bedoeling van [verzoekster] met haar verzoek om ontbinding op grond van artikel 7:686 BW is kennelijk om langs die weg een transitievergoeding dan wel een schadevergoeding te verkrijgen, waarbij zij stelt dat de ontbinding het gevolg is van handelen door De Jongh in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Echter, naar het oordeel van de kantonrechter kan artikel 7:686 BW geen grondslag zijn voor een aanspraak op een transitievergoeding of schadevergoeding in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. De wetgever heeft in artikel 7:673 lid 1, onderdeel b, BW en artikel 7:671b lid 2, onderdeel b, BW nadrukkelijk neergelegd dat alleen dan aanspraak kan worden gemaakt op een transitievergoeding en een aanvullende (billijke) vergoeding, als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Die artikelen zijn bedoeld als een bijzondere en exclusieve regeling. Er is daarnaast dus geen ruimte meer om een (transitie)vergoeding toe te kennen als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van of verband houdt met een schending van goed werkgeverschap, zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Hiervoor is al geoordeeld dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van De Jongh. Op grond van artikel 7:686 BW kan daarom geen transitievergoeding of schadevergoeding worden toegekend in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.24.

Het verzoek om ontbinding op grond van artikel 7:686 BW zal gelet op het voorgaande worden afgewezen, omdat [verzoekster] daarbij geen belang heeft. De arbeidsovereenkomst wordt immers al ontbonden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW en voor toekenning van de verzochte vergoedingen bestaat in het kader van artikel 7:686 BW geen grondslag of ruimte.

4.25.

Naar de kantonrechter begrijpt, vordert [verzoekster] ook een schadevergoeding op grond van een schending door De Jongh van haar verplichtingen als goed werkgever, als bedoeld in artikel 7:611 BW. De Jongh heeft in de laatste wijziging van haar verzoek, in de brief van 11 juni 2020, gesteld dat alle vorderingen verband houden met een verzoek de arbeidsovereenkomst te laten eindigen. Gelet daarop kan de vordering van De Jongh ook niet worden toegewezen op grond van artikel 7:611 BW. Uit wat hiervoor onder 4.23 is overwogen, volgt dat er geen grondslag is om op basis van dat artikel een vergoeding toe te kennen in verband met de ontbinding of beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zonder dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van De Jongh. [verzoekster] heeft niet gesteld dat sprake is van feiten en omstandigheden die los van de ontbinding of beëindiging van de arbeidsovereenkomst reden kunnen zijn voor toekenning van een (schade)vergoeding en daarop zien de verzoeken en vorderingen van [verzoekster] ook niet.

4.26.

De vordering van [verzoekster] om De Jongh te veroordelen tot betaling van niet genoten vakantiedagen kan worden toegewezen, omdat deze vordering op de zitting is erkend. Ook zal De Jongh worden veroordeeld tot verstrekking van een deugdelijke bruto-netto-specificatie. De verzochte dwangsom zal worden toegewezen met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze beschikking, met dien verstande dat deze wordt vastgesteld op € 100,00 per dag met een maximum van € 2.500,00.

4.27.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat niet is gebleken van werkzaamheden die een vergoeding daarvoor kunnen rechtvaardigen.

4.28.

[verzoekster] wordt niet in de gelegenheid gesteld om haar verzoek om ontbinding in te trekken. Die gelegenheid moet worden gegeven als aan [verzoekster] niet een door haar verzochte billijke vergoeding wordt toegekend. Echter, in haar laatste gewijzigde verzoek van 11 juni 2020 heeft [verzoekster] nadrukkelijk vermeld dat haar verzoek wat betreft de billijke vergoeding komt te vervallen. [verzoekster] heeft ook geen voorwaardelijk verzoek om ontbinding gedaan, afhankelijk van de vraag of De Jongh wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding.

4.29.

De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Het salaris van de gemachtigde van De Jongh zal met toepassing van de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) worden vastgesteld op € 720,00.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2020;

5.2.

verklaart voor recht dat De Jongh aan [verzoekster] € 11.114,49 bruto is verschuldigd ter zake openstaande en niet genoten vakantiedagen;

5.3.

veroordeelt De Jongh om aan [verzoekster] binnen veertien dagen na betaling van het onder 5.2 vermelde bedrag een deugdelijke bruto-netto-specificatie te verstrekken op straffe van een door De Jongh te verbeuren dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalatig zal zijn hieraan te voldoen, met ingang van de vijftiende dag na betekening van de beschikking, met een maximum van € 2.500,00;

5.4.

wijst de verzoeken en vorderingen voor het overige af;

5.5.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van De Jongh tot en met vandaag vaststelt op € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde van De Jongh;

5.6.

verklaart de veroordeling onder 5.2. en 5.3. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter