Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5543

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-07-2020
Datum publicatie
24-07-2020
Zaaknummer
C/15/299792 / HA ZA 20-125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Berekening legitimaire massa en legitieme portie. Pinopnames. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0189
JERF Actueel 2020/260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/299792 / HA ZA 20-125

Vonnis van 22 juli 2020 (bij vervroeging)

in de zaak van

[eiser] , in hoedanigheid van bewindvoerder van [naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.J. Butter te Hoorn NH,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.Ch. Osté te Dongen.

Partijen zullen hierna de bewindvoerder, [naam] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 april 2020, met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte van 20 mei 2020 en de akte overlegging producties van 11 mei 2020, met producties 16 en 17 van mr. Butter;

  • -

    het rolbericht van 29 mei 2020 met productie 4 van mr. Osté;

  • -

    de akte van 25 juni 2020 van mr. Butter.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2020 via een Skype-verbinding. Daarbij zijn verschenen: de bewindvoerder, bijgestaan door mr. Butter, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. Osté. Voorafgaand aan de behandeling heeft mr. Butter pleitaantekeningen in het geding gebracht, die hij tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgedragen. De onder 1.1. genoemde aktes worden geacht te zijn genomen. De door mr. Osté op 3 juli 2020 ingediende akte met producties 5 en 6 is door de rechter als tardief aangemerkt en maakt geen deel uit van het dossier. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam] en [gedaagde] zijn de kinderen van mevrouw [erflaatster] .

2.2.

Mevrouw [erflaatster] (hierna ook: erflaatster) is op 28 oktober 2016 overleden in het verzorgingstehuis waar zij verbleef.

2.3.

[naam] heeft twee kinderen en [gedaagde] heeft drie kinderen.

2.4.

[naam] is onder bewind gesteld op grond van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hij is verslaafd geweest aan alcohol en gokken en als gevolg daarvan niet meer in staat om zijn administratie te regelen en zijn financiën te beheren. [naam] lijdt aan de ziekte van Korsakov. Hij woont in een verzorgingstehuis.

2.5.

De verslavingsproblematiek van [naam] heeft tot problemen in de familie geleid. [naam] heeft voorafgaand aan het overlijden van erflaatster ruim vijfentwintig jaar geen contact met haar gehad. De zoon van [naam] , [naam zoon] , ontdekte bij een bezoek aan het verzorgingstehuis op 22 oktober 2018 dat zijn grootmoeder al twee jaar eerder, op 28 oktober 2016 was overleden. [naam] en zijn bewindvoerder waren daar ook niet van op de hoogte.

2.6.

Erflaatster heeft op 29 september 2009 een testament opgesteld. Volgens dat testament is [naam] , almede ieder van zijn afstammelingen, als erfgenamen van haar nalatenschap uitgesloten. [gedaagde] is in het testament benoemd als executeur.

2.7.

Bij brief van 15 mei 2019 aan [gedaagde] is door de bewindvoerder van [naam] aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie en verzocht om inzage in de financiële administratie. Deze inzage is verleend.

3 Het geschil

3.1.

De bewindvoerder vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [gedaagde] aan hem dient te voldoen een bedrag van € 14.182,65, alsmede [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding en in de nakosten.

De bewindvoerder maakt namens [naam] aanspraak op de legitieme portie van [naam] in de nalatenschap van erflaatster op grond van artikel 4:63 BW. Volgens de bewindvoerder beloopt deze aanspraak een vierde van de legitimaire massa van € 57.546,60. Omdat partijen het niet eens zijn over de omvang van de legitimaire massa, verzoekt de bewindvoerder de rechtbank om deze vast te stellen op het door hem berekende bedrag.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[naam] is door erflaatster onterfd. Ondanks deze onterving heeft hij op grond van artikel 4:63 BW jegens de erfgenamen wel een aanspraak op een wettelijk erfdeel, zijn legitieme portie.

4.2.

Volgens artikel 4:64 lid 1 BW bedraagt de legitieme portie van een kind van de erflater de helft van de waarde waarover de legitieme porties worden berekend, gedeeld door het aantal in artikel 10 lid 1 onder a genoemde, door erflater achtergelaten personen. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, te vermeerderen met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en te verminderen met schulden. De uitkomst daarvan wordt de legitimaire massa genoemd. In artikel 4:67 BW staat welke giften bij de berekening van legitieme porties in aanmerking worden genomen. In artikel 4:69 BW staat welke giften in dit kader niet als giften worden beschouwd. Dat betekent in dit geval dat de legitieme portie van [naam] een kwart is van de legitimaire massa.

4.3.

Tussen partijen is de omvang van de legitimaire massa in geschil.

4.4.

Volgens de bewindvoerder bedraagt de legitimaire massa € 56.730,61 en heeft [naam] recht op een kwart daarvan, zijnde € 14.182,65. De bewindvoerder komt tot die berekening als volgt:

  • -

    Saldo ING betaalrekening € 1.172,22

  • -

    Saldo ING Oranje spaarrekening € 13.531,89

  • -

    Pinopnames [gedaagde] 2012-2016 € 24.000,-

  • -

    Schenkingen 2014 (aan [gedaagde] en kleinkinderen) € 12.000,-

  • -

    Schenkingen 2015 (aan kleinkinderen) € 5.000,-

  • -

    Cadeau babyfoon 2015 € 58,-

  • -

    Kraamcadeau 2016 € 50,-

  • -

    Cadeau [gedaagde] 2016 € 150,-

  • -

    Feest Nadorst 2016 € 768,50

Totaal € 56.730,61

4.5.

Volgens [gedaagde] bedraagt de legitimaire massa € 13.531,89, uitsluitend bestaande uit de resterende banksaldi, en heeft [naam] recht op een kwart daarvan, zijnde € 3.382,97. Daarnaast stelt [gedaagde] dat een bedrag van in totaal fl. 25.000,- verrekend moet worden.

4.6.

De rechtbank zal hierna de aan de orde gestelde posten bespreken.

Banksaldi

4.7.

Hoewel [gedaagde] het saldo van € 1.172,22 op de ING betaalrekening van erflaatster niet noemt in de conclusie van antwoord, is tussen partijen niet in geschil dat de saldi van de ING betaalrekening en de ING Oranje spaarrekening, zoals vermeld op de door de bewindvoerder als productie 9 ingebrachte afschriften van 24 september 2019 en 14 december 2018, tot de legitimaire massa behoren. Na het overlijden van erflaatster zijn nog diverse kosten voldaan, die als schuld in mindering komen op de legitimaire massa. De banksaldi van € 13.531,89 en € 1.172,22 maken deel uit van de legitimaire massa.

Pinopnames

4.8.

De bewindvoerder stelt dat de pinopnames van in totaal € 24.000,- (€ 500,- per maand vanaf 2012 tot en met 2016) volledig moeten worden meegenomen in de berekening van de legitimaire massa, aangezien [gedaagde] geen deugdelijke verklaring heeft gegeven voor deze opnames. Het verzamelinkomen uit AOW en twee pensioenfondsen van € 32.172,- in 2014 en van € 31.127,- in 2015 zijn volledig gebruikt, naast de afname van het vermogen van € 14.323,- in 2014 en € 9.000,- in 2015. Dit terwijl erflaatster in een verzorgingstehuis woonde en daar in haar dagelijkse levensonderhoud werd voorzien. Gebruikelijk is dat in zo’n situatie juist jaarlijks een bedrag van € 3.000,- tot € 5.000,- wordt gespaard. De afname in het vermogen kan niet worden toegeschreven aan uitgaven voor kleding, hobby’s of vakanties. Van belang is dat erflaatster leed aan Alzheimer en

– in ieder geval – sinds 2012 de tel niet meer kon houden, waardoor moet worden aangenomen dat [gedaagde] zeggenschap had over de financiën, aldus de bewindvoerder.

4.9.

[gedaagde] voert aan dat de pinopnames zijn gedaan met medeweten en instemming van erflaatster. Erflaatster vond het, zoals veel mensen van haar leeftijd, niet prettig om te pinnen in winkels en daarom wilde zij graag een bedrag contant geld tot haar beschikking hebben. Van dit geld werden onder meer uitgaven voor kleding, kapper en pedicure voldaan. Ook werd dit besteed aan activiteiten en uitjes met [gedaagde] en derden. Erflaatster was zeer ondernemend en haar sociale leven liep pas terug in haar laatste levensjaar. Pas in dat jaar werd haar oordeelsvermogen door haar Alzheimer aangetast. Daarvoor leed zij aan vergeetachtigheid, maar dat belette haar niet de dingen te doen zoals gedaan, die zij graag wilde, aldus [gedaagde] .

4.10.

Voor zover de bewindvoerder met zijn stellingen aangaande de gezondheidstoestand van erflaatster bedoelt te stellen dat erflaatster sinds 2012 niet meer wilsbekwaam was en/of [gedaagde] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan. Het feit dat erflaatster aan Alzheimer leed en geestelijk achteruitging, rechtvaardigt een dergelijke conclusie nog niet. Algemeen bekend is dat Alzheimer een progressieve vorm van dementie is, maar ook dat deze ziekte zich per persoon verschillend ontwikkelt. De door de bewindvoerder ingebrachte verklaring van de verzorgende van erflaatster, mevrouw [naam verzorgende] , en het bericht van 2012 op Facebook zijn onvoldoende om een oordeel over de wilsbekwaamheid van erflaatster op te baseren. Bij deze stand van zaken moet ervan worden uitgegaan dat de pinopnames in haar opdracht en in ieder geval met haar instemming zijn gedaan.

4.11.

Het ligt op de weg van de bewindvoerder om te stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door [gedaagde] , te bewijzen dat de pinopnames uitgaven betreffen die buiten het normale uitgavenpatroon van erflaatster vielen. Indien hij daarin slaagt, is [gedaagde] , die bij het doen van de pinopnames - stilzwijgend - als gevolmachtigde van erflaatster optrad, uitleg verschuldigd over de bestemming van deze opnames. Wanneer deze uitleg niet deugdelijk is, moet met deze post rekening worden gehouden bij de bepaling van de legitimaire massa.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar zijn op de overgelegde bankafschriften, naast de pinopnames, een aantal afschrijvingen ter zake van pinbetalingen in kledingwinkels, drogisterijen, kapper en pedicure te zien, maar daaruit blijkt nog niet dat dergelijke uitgaven niet óók met de door [gedaagde] opgenomen contante gelden werden gedaan. De bewindvoerder betoogt in algemene zin dat de pinopnames van € 500,- per maand niet kunnen zijn besteed binnen het normale uitgavenpatroon van erflaatster. Concrete stellingen van de bewindvoerder over het normale uitgavenpatroon van erflaatster ontbreken.

In reactie op de stellingen van de bewindvoerder voert [gedaagde] aan dat zij sinds het overlijden van de tweede partner van erflaatster in 2007 veel met erflaatster is opgetrokken, omdat zij weer alleen was. Om de rouwperiode af te sluiten is [gedaagde] in 2008 samen met erflaatster op vakantie geweest naar de Verenigde Staten. Daarna pakte erflaatster haar leven weer op en kon zij daar weer van genieten. Met haar tweede partner heeft erflaatster ook altijd veel ondernomen in de vorm van reizen, uitgaan en etentjes. Ondanks haar Alzheimer heeft erflaatster tot het jaar van haar overlijden nog veel sociale activiteiten ondernomen, die zij met regelmaat ook voor anderen bekostigde. Haar vrijgevigheid blijkt ook uit het feit dat erflaatster haar dierbaren met regelmaat cadeaus gaf. [gedaagde] heeft diverse verklaringen van vrienden en familieleden overgelegd, die dit beeld van erflaatster bevestigen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] de stellingen van de bewindvoerder hiermee in voldoende mate betwist, zodat het aan de bewindvoerder is om te bewijzen dat de pinopnames buiten het normale uitgavenpatroon van erflaatster vielen. De rechtbank zal de bewindvoerder daartoe een bewijsopdracht geven.

Schenkingen

4.13.

De rechtbank stelt vast dat in 2014 en 2015 bedragen van € 12.000,- en € 5.000,- door erflaatster zijn geschonken aan de (klein)kinderen en dat deze als gift op grond van artikel 4:67 onder d BW deel uitmaken van de legitimaire massa. [gedaagde] voert daar overigens ook geen verweer tegen.

Cadeaus en uitgave E.P. Beerepoot

4.14.

De bewindvoerder stelt dat van de rekening van erflaatster onredelijk hoge uitgaven zijn gedaan voor cadeaus, die - voor zover deze een redelijk bedrag van € 50,- te boven gaan - bij de legitimaire massa moeten worden opgeteld. Dit geldt ook voor het hele bedrag van € 768,50 dat is uitgegeven voor het verjaardagsfeest in horecagelegenheid de Nadorst. Deze uitgave moet, gelet op de datum daarvan, niet aangemerkt worden als verjaardagsfeest van erflaatster, maar van [gedaagde] . Verder is in 2015 een uitgave van € 2.000,- gedaan bij E.P. Beerepoot, waarschijnlijk voor een televisie, en uit de tenaamstelling op de bon blijkt dat dit niet een uitgave voor erflaatster zelf is geweest.

4.15.

Volgens [gedaagde] was het aan erflaatster om te bepalen wat zij cadeau wilde geven en moeten haar keuzes daarin worden gerespecteerd. Het kan niet zo zijn dat de bewindvoerder bepaalt wat redelijk is om uit te geven aan cadeaus, aldus erflaatster.

4.16.

Wat betreft de uitgaven voor cadeaus en het feest in de Nadorst is de rechtbank van oordeel dat deze als gebruikelijke gift moeten worden aangemerkt. Met dergelijke giften wordt ingevolge artikel 4:69 lid 1 sub b geen rekening gehouden bij de berekening van de legitimaire massa. Op grond van welke omstandigheden deze uitgaven als onredelijk of bovenmatig moeten worden aangemerkt, onderbouwt de bewindvoerder niet. De enkele stelling, dat een bedrag van maximaal € 50,- voor een cadeau redelijk is te noemen, is daartoe onvoldoende. Te meer, omdat [gedaagde] in de laatste tien jaar een belangrijke rol in het leven van erflaatster speelde, [gedaagde] de zorg voor haar organiseerde, en erflaatster ook blijkens de overgelegde verklaringen van derden vrijgevig was. Daarom laat de rechtbank deze uitgaven bij de berekening van de legitimaire massa buiten beschouwing.

Verrekening

4.17.

[gedaagde] betoogt dat een bedrag van in totaal fl. 25.000,- voor verrekening in aanmerking komt, omdat [naam] destijds fl. 15.000,- heeft gestolen van erflaatster en erflaatster zijn schulden met fl. 10.000,- heeft afgelost. De bewindvoerder betwist deze vorderingen.

4.18.

De rechtbank heeft [gedaagde] bij het tussenvonnis verzocht deze vorderingen te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, is verrekening reeds daarom niet aan de orde. Bovendien geldt dat, indien sprake zou zijn van vorderingen van erflaatster op [naam] , deze zijn verjaard en niet meer afdwingbaar zijn. Vast staat immers dat [naam] vijfentwintig jaar voorafgaand aan het overlijden van erflaatster geen contact met haar heeft gehad. Hoogstens is dan nog sprake van een morele verplichting van [naam] jegens (de nalatenschap van) erflaatster.

Ten slotte

4.19.

De rechtbank geeft partijen in overweging teneinde een mogelijk langdurige, kostbare en tijdrovende verdere procedure te voorkomen, toch nog een keer te proberen om de zaak door middel van een minnelijke regeling te beëindigen. Aan de advocaten wordt nadrukkelijk verzocht een poging daartoe te ondernemen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de bewindvoerder op te bewijzen dat de pinopnames van € 500,- per maand van de bankrekening van erflaatster in de periode vanaf 2012 tot 2014 buiten het normale uitgavenpatroon van erflaatster vielen,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 augustus 2020 voor uitlating door de bewindvoerder of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat de bewindvoerder, indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat de bewindvoerder, indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2020 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. L.J. Saarloos in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan Kruseman van Eltenweg 2,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk tien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.1

1 type: RvD coll: LJS