Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5462

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5050 tot en met 19_5052
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen loonheffingen. Valse facturen betreffende van derde ingeleend personeel. Omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de vereiste aangiften niet zijn gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-07-2020
FutD 2020-2244
V-N Vandaag 2020/1941
V-N 2020/52.33.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/5050 tot en met HAA 19/5052

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2020 in de zaken tussen

[X] v.o.f., gevestigd te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de tijdvakken 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 naheffingsaanslagen in de loonheffing ten bedrage van respectievelijk € 26.904, € 120.324 en € 107.372 opgelegd, alsmede bij beschikkingen belastingrente van € 2.292, € 7.018 en € 3.722 (hierna: beschikkingen belastingrente).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020 te Haarlem.

Namens eiseres zijn verschenen, [A] , bijgestaan door zijn zoon [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden [C] en mr. [D] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 9 september 2009 is de vennootschap onder firma [X] V.O.F. (hierna: de vof) opgericht. De firmanten zijn [A] en [E] (hierna gezamenlijk: firmanten). De activiteiten bestaan volgens de beschrijving in de Kamer van Koophandel uit interieurreiniging van gebouwen, algemene burgerlijke en utiliteitbouw en uitleenbureaus. Voor de werkzaamheden had de vof personeel in dienst.

2. De vof is per 3 februari 2014 ontbonden en heeft opgehouden te bestaan.

3. De administratie van eiseres werd in het jaar 210 verzorgd door [F] . Met ingang van 2011 werd de administratie van eiseres verzorgd door [G] , werkzaam bij [H] , die ook de aangiften loonheffingen over de onderhavige jaren heeft verzorgd.

4. Bij eiseres is in 2013 een boekenonderzoek naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen en omzetbelasting over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 ingesteld. Bij dit boekenonderzoek is onder andere geconstateerd dat:

  • -

    de kasadministratie van eisers onvolledig is en dat primaire stukken niet zijn bewaard;

  • -

    een gedeelte van de gepresenteerde kasstortingen overboekingen zijn naar de privé bankrekeningen van de vennoten;

  • -

    de urenadministratie van eiseres onvolledig is doordat de zogenoemde manurenstaten, waarop wordt bijgehouden hoeveel uur een werknemer waar en wanneer heeft gewerkt, niet zijn bewaard;

  • -

    de namen van werknemers die de werkzaamheden hebben verricht voor de uren die gerepresenteerd zijn als inlening ontbreken;

  • -

    de volgende facturen met betrekking tot de inlening van personeel van derden valselijk zijn opgemaakt:

[I] : totaalbedrag facturen 2010 € 24.000

totaalbedrag facturen 2011 € 98.200

[J] : totaalbedrag facturen 2011 € 78.800

[K] BV totaalbedrag facturen 2011 € 6.783

[L] BV totaalbedrag facturen 2011 € 3.391,50

- voor het jaar 2012 geen facturen voor inlening van personeel in de administratie van eiseres zijn opgenomen, terwijl wel een bedrag van in totaal € 187.000 aan kosten voor inlening van personeel is verantwoord.

5. Van het boekenonderzoek is een rapport met dagtekening 31 januari 2014 opgesteld. De inhoud van dit rapport dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt.

Geschil

6. In geschil is of de naheffingsaanslagen loonheffingen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd.

7. Eiseres is van mening dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd, omdat de boekhouder verantwoordelijk is voor het opstellen van de valse facturen. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslagen.

8. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Als subsidiair standpunt voert hij aan dat eiseres de vereiste aangifte niet heeft gedaan en de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Omkering en verzwaring van de bewijslast

10. Verweerder heeft als meest vergaande standpunt aangevoerd dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met als gevolg dat de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast). Om proceseconomische redenen zal de rechtbank dit standpunt als het primaire standpunt van verweerder aanmerken.

11. Volgens vaste jurisprudentie heeft een belastingplichtige niet de vereiste aangifte gedaan indien sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk gemaakt dat eiseres over de onderhavige jaren niet de vereiste aangiften loonheffing heeft gedaan. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat – naar tussen partijen ook niet in geschil is – de onder 4. genoemde facturen inzake inlening van personeel ten bedrage van € 24.000 in 2010 en € 187.175 in 2011 valselijk zijn opgemaakt en de rechtbank gelet hierop aannemelijk acht dat de door eiseres gestelde inlening van personeel in 2012 eveneens niet heeft plaatsgevonden, hetgeen gestaafd wordt door de omstandigheid dat eiseres de in het jaar 2012 in aanmerking genomen kosten voor inlening van derden ten bedrage van € 187.000 niet met bewijsstukken heeft kunnen onderbouwen. Gelet op het vorenoverwogene acht de rechtbank aannemelijk dat de uren die gepresenteerd zijn als zijnde gewerkt door van derden ingeleend personeel, in werkelijkheid door personen die in dienbetrekking tot eiseres staan, zijn gewerkt en dat het loon over deze uren mitsdien ten onrechte niet in de aangiften loonheffing over de betreffende jaren is betrokken. Gelet op de hoge bedragen die eiseres ten onrechte als inlening van personeel heeft verantwoord, acht de rechtbank voorts aannemelijk dat de volgens de aangiften verschuldigde loonheffing zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde loonheffing.

13. Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de valse facturen en dat deze zijn opgemaakt door haar boekhouder, [G] , die ook haar aangiften loonbelasting verzorgde. Voor zover eiseres hiermee heeft beoogd te stellen dat zij zich er niet bewust van is geweest dat haar aangiften loonheffing naar een te laag bedrag werden ingediend verwerpt de rechtbank dit betoog. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op hetgeen hieromtrent in het rapport van het boenonderzoek is vermeld aannemelijk gemaakt dat eiseres moet hebben geweten dat facturen betreffende de inlening vals waren en daarmee dat haar aangiften loonheffing naar een te laag bedrag werden ingediend. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de manuurstaten niet heeft bewaard, zodat niet langer te achterhalen is welk personeelslid waar en wanneer heeft gewerkt en dat de bedragen die als inlening zijn gepresenteerd van een zodanige omvang zijn dat dit eiseres niet kan zijn ontgaan. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij nog op dat kennis en inzicht van personen aan wie een belastingplichtige het doen van aangifte overlaat of die de belastingplichtige anderszins behulpzaam zijn geweest bij de nakoming van zijn verplichting tot het doen van aangifte, in dit verband aan die belastingplichtige worden toegerekend (vgl. HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566, en HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663). Hieruit leidt de rechtbank af dat ook andere gedragingen van een dergelijk persoon, zoals het opmaken van valse facturen, voor zover het de verschuldigdheid van de loonheffing betreft, aan de belastingplichtige moeten worden toegerekend. Voor zover het gebrek in de aangiften al aan haar boekhouder te wijten zou zijn, dient dit naar het oordeel van de rechtbank mitsdien aan eiseres worden toegerekend.

14. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich gelet op het bovenstaande terecht beroepen op omkering en verzwaring van de bewijslast nu de vereiste aangiften niet zijn gedaan. Het is aldus aan eiseres om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eiseres is daarin niet geslaagd.

Redelijke schatting

15. De omkering en verzwaring van de bewijslast geeft verweerder echter niet de bevoegdheid aanslagen naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting.

16. Naar het oordeel van de rechtbank berust de schatting van verweerder op een redelijke schatting. Verweerder heeft als uitgangspunt voor de berekening van de te weinig geheven loonheffing de door eiseres gefactureerde omzet genomen. Verweerder heeft vervolgens op basis van een naar redelijkheid geschat uurtarief berekend op hoeveel uur de omzet betrekking heeft en heeft daarop in aftrek gebracht de reeds in de loonheffing betrokken uren van de werknemers van eiseres en de door vennoten gewerkte uren. De resterende uren heeft verweerder in de naheffing betrokken tegen een in redelijkheid berekend uurloon. Eiseres heeft het aantal uren dat in de naheffing is betrokken en de schatting van het uurloon ook niet bestreden.

Zorgvuldigheidsbeginsel

17. Eiseres heeft voorts gesteld dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden vanwege de in haar ogen onjuiste gang van zaken en behandeling van haar rond en tijdens het boekenonderzoek en de onderhavige procedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres tegenover de gemotiveerde weerspreking van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Uit de gedingstukken en de hierop gegeven toelichting van verweerder ter zitting, blijkt dit in elk geval niet.

18. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond verklaard te worden. Verweerders standpunt dat hij volgens de normale bewijslastverdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd, behoeft mitsdien geen behandeling.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.