Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5461

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3313en
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bron van inkomen. Eiser maakt niet aannemelijk dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 31-07-2020
FutD 2020-2243
V-N Vandaag 2020/1939
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 19/3313 en HAA 19/3314

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2020 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: drs. W.R. Snijders),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.

Procesverloop

HAA 19/3313

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.357 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 163.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

HAA 19/3314

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.949.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Beide zaken

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020 te Haarlem.

Namens eiser zijn verschenen [A] en eisers gemachtigde drs. W.R. Snijders, bijgestaan door zijn kantoorgenoot K. de Jong. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. drs. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Op 1 januari 2009 is V.O.F. [D] (hierna ook: de v.o.f.) opgericht. De firmanten zijn eiser en [A] (hierna gezamenlijk: firmanten). De activiteiten bestaan volgens de beschrijving in de Kamer van Koophandel uit het verrichten van activiteiten op het gebied van (beroeps)zee- en kustvisserij. In het bijzonder bestaan de activiteiten uit staandwantvisserij, waarbij netten worden uitgezet die vervolgens worden opgehaald.

2. Tijdens een door verweerder ingesteld boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2013 van de v.o.f. hebben firmanten verklaard dat op zij dat moment nog niet met de feitelijke activiteiten waren gestart. Tot dat moment waren slechts investeringen gedaan.

3. Firmanten beschikken over een Europese visvergunning.

4. Op 18 augustus 2014 hebben firmanten een grotere vissersboot aangeschaft.

5. Eind 2015 heeft er een brand in de materieelloods van de v.o.f. gewoed, waarbij de loods, de netten, de machines om de netten te maken en te vervoeren en toebehoren verloren zijn gegaan.

6. Verweerder heeft met ingang van 24 februari 2017 een boekenonderzoek ingesteld bij de v.o.f. en de beide firmanten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting respectievelijk IB/PVV over de jaren 2014 tot en met 2015. De bevindingen zijn neergelegd in een drietal rapporten. Het rapport met betrekking tot het onderzoek bij eiser dateert van 19 maart 2018.

7. Blijkens de aangiften IB/PVV van beide firmanten heeft de v.o.f. in de jaren 2009 tot en met 2018 de volgende resultaten behaald:

Jaar

Omzet

Resultaat v.o.f.

2009

€ 1.588

-/- € 12.150

2010

€ 25.300

-/- € 20.374

2011

€ 0

-/- € 18.269

2012

€ 0

-/- € 26.723

2013

€ 0

-/- € 8.421

2014

€ 3

-/- € 33.945

2015

€ 195

-/- € 74.764

2016

€ 306

-/- € 736

2017

€ 5.958

-/- € 3.314

2018

€ 4.270

-/- € 19.718

Totaal

€ 37.620

-/- € 218.414

8. In het jaar 2019 werd volgens de aangiften omzetbelasting door de v.o.f. een omzet gerealiseerd van € 6.324.

9. Eiser is van 2010 tot en met 2019 fulltime in loondienst geweest bij een baggerbedrijf dat doorlopende onderhoudswerkzaamheden uitvoert op het IJsselmeer. Het hiermee gemoeide bruto-inkomen van eiser bedroeg in 2014 € 36.357 en in 2015 € 36.949. Met ingang van 1 januari 2020 is eiser volgens een week op week af rooster gaan werken.

10. Tot de stukken van het geding behoren een tweetal op 14 maart 2019 afgegeven viscontingenten voor de vangst van schol en tong in de Noordzee.

Geschil

11. In geschil is of de activiteiten die eiser in het kader van de v.o.f. heeft verricht zijn aan te merken als een bron van inkomen.

12. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een bron van inkomen. Hij is van mening dat objectief gezien voordeel viel te verwachten. Dat de periode van aanloopverliezen in het onderhavige geval lang is, is mede te wijten aan de tegenslagen die de onderneming heeft gehad. Zo is het starten van de onderneming in de crisis jaren lastig gebleken en is de onderneming diverse keren geconfronteerd met gewijzigde EU-wetgeving op het gebied van visserij. Daarnaast is eind 2015 door een brand in de materiaalloods van de onderneming een groot deel van de materialen verloren gegaan, waardoor het vissen na de brand een flinke tijd onmogelijk is geweest.

13. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de belastingaanslag IB/PVV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.145 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 163 en vermindering van de belastingaanslag IB/PVV 2015 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 4.800.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een bron van inkomen. Gelet op de structurele verliezen die door de onderneming sinds de oprichting zijn geleden, kan niet worden gezegd dat objectief gezien een voordeel viel te verwachten, zodat niet aan de voorwaarden voor een bron van inkomen is voldaan. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar in de zaak met nummer HAA 19/3314

16. Ingevolge artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, Awb is het bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

17. De dagtekening van de in bezwaar bestreden aanslag is 7 mei 2018. Gesteld noch gebleken is dat de uitspraak op bezwaar pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde op 18 juni 2018. Het bezwaarschrift is gedagtekend op 15 juni 2018 en door verweerder ontvangen op 19 juni 2018, hetgeen binnen een week na afloop van de termijn is.

18. In de regel is een poststuk reeds ter post bezorgd op het moment dat het in de brievenbus is gedeponeerd dan wel op het moment dat het op het postkantoor is aangeboden. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser het bezwaarschrift op 15 juni 2019 ter post heeft bezorgd. Nu een poststuk tijdig ter post is bezorgd indien het op de laatste dag van de termijn vóór 24.00 uur in de brievenbus is gedeponeerd, is het bezwaarschrift tijdig in de zin van artikel 6:9, tweede lid, Awb ingediend en is het bezwaar ontvankelijk.

Bron van inkomen

19. Voor de vraag of eiser in de onderhavige jaren belaste (negatieve) inkomsten heeft genoten met de exploitatie van de v.o.f., is bepalend of sprake is van een bron van inkomen. Een (negatief) voordeel kan slechts onderdeel vormen van het belastbaar inkomen uit werk en woning indien er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt.

20. Volgens vaste jurisprudentie dient, om als bron van inkomen te kunnen worden aangemerkt, te worden voldaan aan de volgende drie (cumulatieve) voorwaarden: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en de (objectieve) verwachting dat het voordeel naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kan worden verwacht. Om voordelen die worden genoten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden te kunnen aanmerken als winst uit onderneming dienen die werkzaamheden in het economische verkeer te zijn verricht en moeten zij zijn gericht op het behalen van een geldelijk voordeel. Dit voordeel dient in beginsel door de belastingplichtige te zijn beoogd (subjectief) en naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs te kunnen worden verwacht (objectief).

21. Of een belastingplichtige in een jaar een bron van inkomsten heeft, en met name of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, moet in beginsel worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen op die situatie licht werpen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707).

22. Niet in geschil is dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Partijen houdt verdeeld of in casu sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

23. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast dat sprake is van een bron van inkomen in een geval als het onderhavige waarbij eiser bij de bepaling van zijn inkomen uit werk en woning een verlies in aanmerking wil nemen, op eiser rust. De enkele omstandigheid dat verweerder na een eerder boekenonderzoek (zie 2.) de verliezen tot en met 2013 in stand heeft gelaten, maakt vorenstaande niet anders. Eiser dient mitsdien aannemelijk te maken dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting.

24. Uit de door eiser ingediende aangiften blijkt, zo is tussen partijen niet in geschil, het volgende. Eiser heeft vanaf het jaar 2009 tot en met 2018 met de activiteiten van de v.o.f. jaarlijks een negatief resultaat behaald variërend van -/- € 736 tot -/- € 74.764. Het totale resultaat van de v.o.f. over de periode 2009 tot en met 2018 bedraagt -/- € 218.414. De totale omzet over deze periode bedraagt slechts € 37.620, waarvan tenminste een bedrag van € 25.300 (omzet 2010) bovendien geen betrekking heeft op visvangst, maar op incidentele baten voorkomend uit de verkoop van een boot en een vislicentie. Dit betekent dat de kosten de omzet met vele malen hebben overtroffen. Dat dit structurele verlies louter is te wijten aan de economische crisis, de gewijzigde EU-wetgeving op het gebied van visserij en door brand verloren gegane materialen, acht de rechtbank geen toereikende verklaring. Het hebben van tegenslagen is inherent aan het drijven van een onderneming en een ondernemer moet in staat zijn om deze tegenslagen op te vangen. Als er dan toch gedurende, in dit geval, negen jaren sprake is van een negatief resultaat, wijst dat op het ontbreken van objectieve voordeelsverwachting.

25. Eiser heeft verder geen stukken ingebracht die in weerwil van de in de aangiften genoemde bedragen een objectieve voordeelsverwachting in 2014 tot en met 2015 onderbouwen. Ook eisers stelling dat de afgegeven viscontingenten basisdocumenten zouden zijn op grond waarvan het eiser zou zijn toegestaan (al dan niet tegen vergoeding) ongelimiteerd vis te vangen, wat hier verder ook van zij, is hiertoe onvoldoende, nu gelet op de tot op heden behaalde resultaten dit niet tot een objectieve voordeelsverwachting leidt. De rechtbank acht een objectieve voordeelsverwachting dan ook niet aannemelijk gemaakt. Nu niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake is van een objectieve voordeelsverwachting, kunnen de activiteiten van de v.o.f. niet worden aangemerkt als een bron van inkomen.

26. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 juli 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.