Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5415

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-07-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
C/15/303071 / JU RK 20-1001
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Naar het oordeel van de kinderrechter is de communicatie tussen de ouders voldoende verbeterd en is niet gebleken dat de huidige wijze van communiceren schadelijk is voor de minderjarige. Eventuele verdere verbeteringen kunnen tevens in het vrijwillig kader worden behaald. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het verlengen van de ondertoezichtstelling enkel voor het vastleggen van de geldende afspraken in een ouderschapsplan een te zwaar middel is en moet, gelijk aan HR 13 april 2001, NJ 2002/4, 5, worden bekeken of het ontbreken van het ouderschapsplan een ernstige bedreiging oplevert voor de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige. De kinderrechter is van oordeel dat ook daarvan geen sprake is. Op grond van het voorgaande en wegens het ontbreken van verdere ontwikkelingsbedreigingen wijst de kinderrechter het verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

Zittingsplaats: Alkmaar

Zaakgegevens : C/15/303071 / JU RK 20-1001

datum uitspraak: 6 juli 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI,

gevestigd te Alkmaar,

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [plaats] ,

[de vader] , hierna te noemen de vader,

wonende te [plaats] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoek met bijlagen van de GI van 18 mei 2020, ingekomen bij de griffie op 25 mei 2020.

1.2.

Op 6 juli 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door mr. W. Doornink, advocaat te Hoorn,

- de vader,
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

[de minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 1 juli 2019 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 1 juli 2020.

3 Het verzoek

3.1.

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

3.2.

De ouders hebben het afgelopen jaar hard gewerkt en positieve stappen gezet. [de minderjarige] en de vader hebben volgens de vastgestelde omgangsregeling omgang met elkaar en dit verloopt stabiel. In de omgangsregeling is bepaald dat de ouders in onderling overleg vakanties, feestdagen en andere bijzondere dagen moeten verdelen. De communicatie hierover verloopt volgens de GI stroef. De GI wil in de komende periode samen met de ouders een ouderschapsplan opstellen, waardoor er voor de toekomst zo veel mogelijk duidelijkheid bestaat. Ten aanzien van de communicatie is de GI van mening dat de ouders niet op elkaar aansluiten. Zij kunnen wel goed met elkaar praten over hoe het met [de minderjarige] gaat, maar over andere dingen is communiceren niet mogelijk. Volgens de GI is dit het hoogst haalbare en hebben de ouders nu nog een regievoerder nodig voor het overige. De GI maakt zich verder zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] , aangezien zij in het verleden regelmatig is belast met de spanningen die tussen de ouders aanwezig zijn. Het is de vraag in hoeverre dit tot op heden nog gebeurt. Mogelijk is er ook sprake van loyaliteitsproblematiek bij [de minderjarige] . Zo doet zij uitspraken over de ene ouder wanneer zij bij de andere ouder is en verloopt het afscheid met de vader vaak emotioneel. In de komende tijd moet de reeds betrokken ambulant hulpverlener bekijken in hoeverre [de minderjarige] hierbij (in de toekomst) hulpverlening nodig heeft.

3.3.

Ter zitting voegt de GI aan het bovenstaande toe dat er op dit moment geen kindsignalen van [de minderjarige] bij de GI bekend zijn. De GI vreest wel dat [de minderjarige] wordt belast door de onenigheid die tussen ouders ontstaat wanneer zij over andere onderwerpen dan [de minderjarige] communiceren, al heeft de GI geen zicht op hoe de situatie nu daadwerkelijk tussen de ouders is. Het afgelopen half jaar is daarvoor te weinig contact tussen de ouders en de GI geweest. Er moet nog een nieuwe gezinsvoogd voor het gezin worden aangewezen. De GI is ten slotte van mening dat wanneer het ouderschapsplan wordt vastgesteld er geen grond meer is voor de ondertoezichtstelling en deze kan worden beëindigd.

4 Het standpunt van belanghebbenden

4.1.

De moeder geeft aan dat zij sinds februari 2020 niemand van de GI meer heeft gesproken, ook niet toen zij daar herhaaldelijk om heeft verzocht. De fysieke gesprekken liggen al sinds december 2019 stil. De omgang tussen [de minderjarige] en de vader verloopt volgens de moeder op dit moment goed. De ouders kunnen in overleg afspraken maken over vakanties en bijzondere dagen, zoals laatst nog voor vaderdag. De vader heeft aangegeven liever geen direct contact met de moeder te willen. Zij respecteert dat en daarom communiceert zij nu vaak met de nieuwe vriendin van de vader. Ook dit gaat goed. De moeder is het niet eens met een ondertoezichtstelling om alleen maar een ouderschapsplan op te stellen. Volgens haar is dit een te zwaar middel en hebben de ouders bewezen in goed overleg noodzakelijke afspraken te kunnen maken. De moeder wil via de school van [de minderjarige] vrijwillige hulpverlening inschakelen, wat nu niet kan omdat de gezinsvoogd daarbij steeds betrokken moet worden en niet thuis geeft. Ten slotte staat de moeder open voor een gesprek met de vader over wat in het verleden is gebeurd, zodat hij deze gebeurtenissen kan verwerken.

4.2.

De advocaat van de moeder, mr. Doornink, is van mening dat er onvoldoende grond is om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen. Er moet sprake zijn van een ernstige en concrete bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] , maar dat is in deze zaak niet meer aan de orde. De GI is in het verzoek namelijk uitgegaan van de oude situatie tussen de ouders, maar het contact tussen hen verloopt nu een stuk beter. De omgangsregeling wordt nageleefd en afwijkende afspraken kunnen de ouders samen goed maken, al dan niet met tussenkomst van de nieuwe partner van vader. Het verlengen van de ondertoezichtstelling voor enkel het opstellen van een ouderschapsplan is een te zwaar middel. De toegevoegde waarde van een ouderschapsplan is daarnaast klein aangezien over de drie kernonderdelen, te weten gezag, omgang en financiën, al duidelijkheid bestaat. Dat de vakanties en feestdagen in onderling overleg moeten worden geregeld, is ook onvoldoende grond voor verlenging. Het lukt ouders immers om deze afspraken te maken. Dat de communicatie tussen de ouders misschien beter kan is ook geen reden om de ondertoezichtstelling te verlengen, te meer omdat de GI het afgelopen half jaar geen pogingen heeft ondernomen om dit te verbeteren en gebleken is dat weer een nieuwe gezinsvoogd moet worden gezocht. Een verlenging van zes maanden heeft dan ook geen toegevoegde waarde.

4.3.

De vader is het wel eens met het verzoek van de GI. Volgens de vader is in het verleden te veel tussen de ouders gebeurd en kunnen zij nog niet zonder tussenkomst van de GI samen het ouderschap op een goede manier invullen. De vader is teleurgesteld over de communicatie en begeleiding vanuit de GI gedurende het afgelopen half jaar. Er is weinig contact met de GI geweest en nog minder door de GI ondernomen. De vader vindt het vooral vervelend dat ter zitting duidelijk is geworden dat de huidige gezinsvoogd wederom vervangen zal worden door een andere, waardoor hij het gevoel heeft weer opnieuw te moeten beginnen. De vader wil graag dat er afspraken worden gemaakt en deze worden vastgelegd in een ouderschapsplan. Verder wil de vader dat de ouders gaan werken aan de vertrouwensproblemen. De vader heeft veel baat gehad bij de hulp vanuit de ambulant hulpverlener, hierin heeft de vader iemand gevonden die hem echt helpt. De vader zou verder ook aanvullende hulpverlening willen voor [de minderjarige] , aangezien zij tot in de kleinste details kan liegen en snel ruzie maakt met vriendjes en vriendinnetjes. Dit is niet mogelijk via de ambulante hulpverlener, aangezien de moeder dat niet wil. De overdrachtsmomenten gaan wel steeds beter. Waar [de minderjarige] in het begin heel erg moest huilen en echt niet weg wilde bij de vader, gaat zij nu makkelijker mee met moeder. De communicatie rondom de vakantie en feestdagen verloopt nu inderdaad via de huidige partner van vader en vader erkent dat het contact op deze manier goed verloopt.

5 De beoordeling

5.1.

Uit de overlegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat niet is voldaan aan het wettelijke criterium voor de verlenging van de ondertoezichtstelling zoals genoemd in artikel 1:160 jo. 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.

5.2.

De kinderrechter maakt uit het verzoek van de GI op dat de verlenging van de ondertoezichtstelling is verzocht om de communicatie tussen de ouders verder te verbeteren en om een ouderschapsplan vast te stellen waarin de afspraken over de verdeling van de vakanties kunnen worden vastgelegd.

5.2.1.

Ten aanzien van de communicatie stelt de kinderrechter vast dat de ouders dit gedurende het afgelopen jaar hebben verbeterd. De ouders kunnen direct met elkaar communiceren of doen dit via de nieuwe partner van de vader. Beide ouders hebben aangegeven dat dit voor hen werkbaar is. Het is de kinderrechter verder niet gebleken dat deze wijze van communiceren schadelijk is voor [de minderjarige] . De GI heeft aangevoerd dat zij vrezen dat [de minderjarige] last krijgt van de communicatie tussen de ouders indien de ouders over andere dingen met elkaar spreken dan [de minderjarige] , maar deze zorgen zijn gebaseerd op veronderstellingen en niet onderbouwd met feiten en omstandigheden. Indien de ouders toch de onderlinge communicatie willen verbeteren, kunnen zij gebruik maken van het vrijwillig kader. Daarnaast heeft de vader aangegeven nog last te hebben van de gebeurtenissen uit het verleden, omdat er veel tussen de ouders is gebeurd. Hoewel de kinderrechter ziet dat dit veel impact op de vader heeft gehad, is ook dit niet voldoende om tot een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] te komen. De moeder heeft aangegeven open te staan voor een gesprek om zo tot verwerking te komen. Een gedwongen kader zal in dit geval dan ook geen meerwaarde bieden. De kinderrechter is van oordeel dat de verbetering van de communicatie tussen de ouders geen reden is om de ondertoezichtstelling te verlengen.

5.2.2.

Ten aanzien van het vaststellen van het ouderschapsplan dient naar analogie van vaste rechtspraak van de Hoge Raad omtrent omgangsondertoezichtstellingen (HR 13 april 2001, NJ 2002/4, 5) te worden beoordeeld of het ontbreken van een ouderschapsplan, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging oplevert voor de zedelijke of geestelijke belangen van [de minderjarige] en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. De kinderrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. De ouders hebben (in onderling overleg) afspraken gemaakt over de omgang en deze afspraken zijn bekrachtigd door het Hof. Er staat dan ook een regeling op papier en de ouders hebben gedurende het afgelopen jaar laten zien dat zij zich goed aan deze afspraken hebben kunnen houden. Bovendien hebben zij afgesproken de verdeling van de vakanties en bijzondere dagen in overleg tot stand te brengen en zijn zij daartoe ook in staat gebleken. Beide ouders hebben ter zitting aangegeven dat het huidige contact voor hen werkbaar is en dat de omgangsregeling daarnaast ook goed verloopt. Het is de kinderrechter ook niet gebleken dat [de minderjarige] last heeft van de huidige gang van zaken. Het verlengen van de ondertoezichtstelling enkel voor het vastleggen van de geldende afspraken in een ouderschapsplan is een te zwaar middel en levert een ongerechtvaardigde inmenging in het gezinsleven van de ouders en het kind op.

5.3.

Het is de kinderrechter verder niet gebleken dat [de minderjarige] nog ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het contact tussen [de minderjarige] en de vader is goed en zij is steeds minder verdrietig wanneer er een overdrachtsmoment plaatsvindt. Ook de GI heeft ter zitting bevestigd dat er geen kindsignalen van [de minderjarige] bekend zijn die erop wijzen dat de huidige situatie onveilig is. De vader heeft baat bij de ambulante hulpverlening en heeft aangegeven dit ook te zullen voortzetten. Hij heeft aangegeven dat er zorgen zijn over het gedrag van [de minderjarige] , maar ook de moeder gaf aan deze zorgen te delen en hiervoor hulpverlening te willen inschakelen. De noodzakelijke hulpverlening voor [de minderjarige] wordt dan ook voldoende door de ouders geaccepteerd. Mocht in de toekomst onverhoopt toch sprake zijn van een verslechtering in de situatie tussen de ouders, kan de betrokken hulpverlening tijdig ingrijpen.

5.4.

Uit het voorgaande volgt dat niet langer is voldaan aan het wettelijke criterium zoals genoemd in artikel 1:255 BW, zodat het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden afgewezen.

5.5.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat de verlenging van de ondertoezichtstelling met zes maanden, waarin nog gezocht moet worden naar een nieuwe gezinsvoogd en deze vervolgens het contact moet opstarten, geen significante toevoeging meer zal opleveren.

6 De beslissing


De kinderrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Boonstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Commandeur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 juli 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam