Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5333

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
15/095458-19 (zaak A) en 15/073983-19 (zaak B, ttz. gev.) en 15/055736-19 (vord tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich binnen een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan diefstal, twee beledigingen (spugen in het gezicht), en een poging zware mishandeling. De rechtbank is, gelet op de PBC rapportage, van oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard en dat de terbeschikkingstelling van verdachte moet worden gelast en dat daarbij zijn verpleging van overheidswege moet worden bevolen. Daarnaast acht de rechtbank, in verband met een juiste normhandhaving, ook de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De rechtbank ziet geen aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten, nu reeds aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging is opgelegd en de rechtbank derhalve geen meerwaarde ziet in de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/095458-19 (zaak A) en 15/073983-19 (zaak B, ttz. gev.) en 15/055736-19 (vord tul) (P)

Uitspraakdatum: 24 april 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 april 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]

thans gedetineerd in [adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. de Vries en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toegestane wijziging van de tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Zaak A

Primair

hij op of omstreeks 17 april 2019 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- deze [slachtoffer 1] (telkens) met kracht (meermalen) tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt met zijn (geschoeide) voet(en), en/of

- [slachtoffer 1] (telkens) met kracht (meermalen) tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt met zijn (telkens) (tot een vuist gebalde)

hand(en), en/of

- de stropdas welke rond de nek van [slachtoffer 1] zat (met kracht) heeft aangetrokken, waardoor onder andere de luchtweg en/of de aderen in de hals (deels) belemmerd/bekneld raakten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 17 april 2019 te Alkmaar [slachtoffer 1] heeft mishandeld door

- deze [slachtoffer 1] (telkens) met kracht (meermalen) tegen het hoofd te trappen en/of te schoppen met zijn (geschoeide) voet(en), en/of

- [slachtoffer 1] (telkens) met kracht (meermalen) tegen het hoofd te slaan en/of te stompen met zijn (telkens) (tot een vuist gebalde) hand(en), en/of

- de stropdas welke rond de nek van [slachtoffer 1] zat (met kracht) aan te trekken, waardoor onder andere de luchtweg en/of de aderen in de hals (deels) belemmerd/bekneld raakten;

Zaak B

Feit 1

hij op of omstreeks 11 januari 2019 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer 2] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door eenmaal of meermalen in (de richting van) het gezicht van die [slachtoffer 2] te spugen;

Feit 2

hij op of omstreeks 26 januari 2019 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer 3] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door eenmaal of meermalen zijn middelvinger in de richting van die [slachtoffer 3] op te steken en/of eenmaal of meermalen in (de richting van) het gezicht van die [slachtoffer 3] te spugen;

Feit 3

hij op of omstreeks 26 januari 2019 te Alkmaar een trui en/of een of meer sponsjes en/of crackers/chips, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de officier van justitie met betrekking tot zaak A heeft gevorderd het primair ten laste gelegde bewezen te verklaren. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat met het schoppen tegen het hoofd het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is gegeven.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Ter zake van de drie feiten genoemd onder zaak B heeft de raadsvrouw van verdachte, onder verwijzing naar de bekennende verklaring van verdachte, geen verweren gevoerd.

Ten aanzien van zaak A heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Het dossier bevat evenveel ondersteuning voor de verklaring van de aangever als voor de verklaring van verdachte. Beiden hebben letsel opgelopen, waarbij het letsel van verdachte past bij zijn verklaring dat hij door aangever is aangevallen. Bovendien heeft de aangever in eerste instantie niet verklaard over de schop in het gezicht en heeft hij verklaard niet precies meer te weten wat er zou zijn gebeurd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en dat enkel tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit kan worden gekomen. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat het slaan tegen het gezicht met een blote hand geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert. Het schoppen tegen het hoofd kan niet bewezen worden, nu aangever hierover in eerste instantie niet heeft verklaard, getuige [naam getuige] dit niet heeft waargenomen en verdachte dit betwist. Indien het schoppen tegen het hoofd wel bewezen kan worden levert dit geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op, nu niet bekend is hoe er is geschopt en of er sprake was van een geschoeide voet.

Het wurgen met de stropdas volgt onvoldoende uit het dossier en het letsel van aangever. Het slechts aantrekken van de stropdas is onvoldoende voor een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat voor zover hij de ten laste gelegde handelingen heeft verricht, hij handelde uit zelfverdediging.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit in zaak A en de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak B op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2.

Bewijsmotivering zaak A

De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsvrouw gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in de bijlage bij deze uitspraak zijn opgenomen.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Op 17 april 2019 is een vechtpartij ontstaan tussen aangever [slachtoffer 1] en de voor hem onbekende verdachte. De verklaringen met betrekking tot de aanleiding van die vechtpartij lopen uiteen. De rechtbank overweegt dat het beginpunt van de vechtpartij op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld. Aan de hand van het strafdossier en het verhandelde ter zitting concludeert de rechtbank dat verdachte aangever met geschoeide voet – te weten ‘sneakers’ – tegen het hoofd heeft geschopt. Aangever lag op dat moment (en ook later toen de politie ter plaatse kwam) op de grond. Verdachte heeft, onder andere ten overstaan van de rechter-commissaris, ook bekend deze schop te hebben gegeven.

Met betrekking tot de vraag of een schop tegen het hoofd een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert, stelt de rechtbank voorop dat (voorwaardelijk) opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel is van het menselijk lichaam. Naar algemene ervaringsregels kan worden aangenomen dat één harde trap tegen het hoofd - op zijn minst - tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Bij een trap met geschoeide voet tegen het hoofd is dan ook de aanmerkelijke kans aanwezig dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomt. De rechtbank is van oordeel dat het met geschoeide voet een schop tegen het hoofd van aangever geven naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Onder deze omstandigheden en gezien de aard van de gedraging is dan ook voldaan aan het vereiste van het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit van zaak A en de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten in zaak B heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

Primair

hij op 17 april 2019 te Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [slachtoffer 1] met kracht tegen het hoofd heeft geschopt met zijn geschoeide voet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B

Feit 1

hij op 11 januari 2019 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer 2] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door meermalen in (de richting van) het gezicht van die [slachtoffer 2] te spugen;

Feit 2

hij op 26 januari 2019 te Alkmaar opzettelijk [slachtoffer 3] , in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door meermalen zijn middelvinger in de richting van die [slachtoffer 3] op te steken en meermalen in het gezicht van die [slachtoffer 3] te spugen;

Feit 3

hij op 26 januari 2019 te Alkmaar een trui, sponsjes en crackers/chips, toebehorend aan het winkelbedrijf [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Zaak A: beroep op noodweer

De rechtbank overweegt dat voor zover verdachte heeft willen betogen dat sprake is geweest van een noodweersituatie, het niet aannemelijk is geworden dat er – op het moment dat verdachte de schop tegen het hoofd heeft gegeven – sprake was van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf of goed. Verdachte heeft namelijk ter terechtzitting verklaard dat hij aangever heeft geschopt toen aangever op de grond lag, omdat hij niet wilde dat aangever opstond en hem op deze manier op de grond wilde houden tot de politie ter plaatse kwam. Zelfs als aangever het gevecht was begonnen zoals verdachte verklaart, was er op het moment dat aangever op de grond lag geen enkele noodzaak om een schop tegen diens hoofd te geven.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweer niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Ten aanzien van het primaire:

Poging tot zware mishandeling.

Zaak B

Ten aanzien van feit 1 en 2, telkens

Belediging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3

Diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging zal worden opgelegd.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen maatregel van TBS met dwangverpleging kan worden opgelegd, nu zij vrijspraak heeft bepleit van het in zaak A primair ten laste gelegde feit.

Subsidiair heeft zij verzocht aan verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich binnen een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan diefstal, twee beledigingen (spugen in het gezicht), en een poging zware mishandeling. In het laatste geval heeft hij – een voor hem onbekend – slachtoffer waarmee hij in een conflict was tegen het hoofd geschopt nadat dat slachtoffer weerloos op de grond lag.

Verdachte lijkt zich, mede voortkomend uit zijn persoonlijke problematiek, steeds in conflictsituaties te brengen waarbij hij intimidatie, agressie en ook geweld niet schuwt. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van de slachtoffers, maar ook gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

  • -

    het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 26 april 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar niet (recent) voor geweldsdelicten;

  • -

    de rapportages van [naam] , psychiater gedateerd 2 juli 2019, en [naam] , psycholoog gedateerd 15 juli 2019, waarin geadviseerd wordt om verdachte klinisch te observeren in het Pieter Baan Centrum (hierna: “PBC”);

  • -

    een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, Fivoor, gedateerd 16 juli 2019, waarin wordt geadviseerd om verdachte te observeren in het PBC;

  • -

    de PBC rapportage van [naam] , psychiater en [naam] , psycholoog, gedateerd 7 april 2020.

Uit het rapport van het PBC komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, die ook bestond ten tijde van het plegen van het in zaak A ten laste gelegde feit. Daarover is, zakelijk weergeven, het volgende opgenomen in het rapport.

Er is onder andere sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis in de zin van een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis, waarbij het meest waarschijnlijk is dat dit een waanstoornis betreft. Geconcludeerd wordt dat er ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een psychotische stoornis, naar alle waarschijnlijkheid in de vorm van een paranoïde waanstoornis. Daarbij is overwogen dat – ongeacht van welk delictscenario er wordt uitgegaan – verdachte zijn psychopathologie zo veelomvattend is dat deze heeft doorgewerkt in een mate die bij hem ten minste tot verminderde toerekeningsvatbaarheid leidt.

Met betrekking tot het recidiverisico stellen de onderzoekers van het PBC dat door de beschreven gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornissen met functiestoornissen op vele levensgebieden er over het geheel genomen sprake is van een ongunstig risicoprofiel. Klinisch gezien wordt het risico van een feit als het onderhavige op basis van de bovenbeschreven functiestoornissen als hoog ingeschat. Weliswaar is er tot op heden bij verdachte nog geen patroon van ernstig geweld zichtbaar; ondanks de sterke structuur en begeleiding in het PBC hebben zich echter vele incidenten voorgedaan op grond waarvan escalatiegevaar bij het ontbreken van structuur en door zijn omgeving de-escalerend optreden niet uit te sluiten is. De problematiek van verdachte is volgens de onderzoekers ernstig en structureel van aard en eist een lange behandelduur, waarbij verslavingsbehandeling en nader onderzoek naar de etiologie van de psychotische stoornis en eventuele medicamenteuze behandeling daarvan noodzakelijk worden geacht. Aangezien verdachte in het verleden heeft laten zien dat hij geneigd was behandelcontacten vroegtijdig af te breken, geen ziekte-inzicht en geen bereidheid tot behandeling heeft en bovendien een lange behandelduur in de lijn der verwachting ligt, ziet het onderzoekend team geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te adviseren betrokkene behandeling in het kader van een tbs met verpleging op te leggen. Een sterk gestructureerde setting met hoog beveiligingsniveau is gezien de gestoorde agressieregulatie noodzakelijk volgens de onderzoekers.

De rechtbank neemt, net als de officier van justitie, de bovenstaande conclusies over en maakt die tot de hare.

De rechtbank is, gelet op de PBC rapportage, van oordeel dat de terbeschikkingstelling van verdachte moet worden gelast en dat daarbij zijn verpleging van overheidswege moet worden bevolen, nu bij verdachte tijdens het begaan van het in zaak A bewezen verklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond, dit door verdachte begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen het opleggen van deze maatregel eist. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de ontbrekende bereidheid en motivatie van verdachte om zich te laten behandelen, voortkomend uit het gebrek aan ziekte-inzicht, danwel het onvermogen van verdachte zich open te stellen voor behandeling.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten poging tot zware mishandeling, kan de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven gaan.

Daarnaast acht de rechtbank, in verband met een juiste normhandhaving, ook de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

7. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.175,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De materiële schade van € 175,- bestaat uit de kosten van een lamp die verdachte kapot zou hebben gemaakt. Verder vordert de benadeelde partij € 1.000,- aan immateriële schade, kort gezegd als gevolg van de overlast die hij gedurende een langere periode van verdachte, zijn buurman, heeft ondervonden.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde feit en benadeelde partij daarom niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

Gelet hierop en omdat de vordering verder geenszins toegespitst op het ten laste gelegde feit onderbouwd is, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 29 mei 2018, in de zaak met parketnummer 15/055736-18 heeft de politierechter te Noord-Holland, locatie Alkmaar, verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tevens waren aan deze proeftijd ook bijzondere voorwaarden verbonden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 21 februari 2019 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 25 januari 2019 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot tenuitvoerlegging van de twee weken gevangenisstraf, nu verdachte niet heeft nageleefd de algemene voorwaarde gedurende de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten te plegen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie evenwel afwijzing van haar vordering tot tenuitvoerlegging gevorderd, aangezien zij in de onderhavige strafzaak heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd en zij de combinatie van die maatregel en de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf niet opportuun acht.

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting geen opmerkingen gemaakt omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbare feiten, zoals naar voren komt uit de overige inhoud van dit vonnis. De vordering ligt daarom in beginsel voor toewijzing gereed. De rechtbank ziet echter geen aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf te gelasten, nu reeds aan verdachte de maatregel van TBS met dwangverpleging is opgelegd en de rechtbank derhalve geen meerwaarde ziet in de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 37a, 37b, 45, 57, 266, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 [vier] maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat verdachte ter zake van het in zaak A bewezen verklaarde feit ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter Noord-Holland, locatie Alkmaar, in de zaak met parketnummer 15/055736‑18 opgelegde voorwaardelijke straf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. N. Boots, voorzitter,

mr. H.H.E. Boomgaart en mr. G.P. Sholeh, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A.D. Renshof

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 april 2020.