Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5173

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-07-2020
Datum publicatie
16-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3081
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het college van b&w heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor een geitenhouderij buiten behandeling gesteld omdat het college van mening is dat daarbij ook een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik moet worden aangevraagd. De rechtbank concludeert dat deze geitenhouderij niet in strijd is met het bestemmingsplan, omdat het een grondgebonden agrarisch bedrijf is in de zin van het bestemmingsplan. Eiseres zal namelijk over een zodanig oppervlak aan gronden kunnen beschikken dat het gebruik van die gronden (als open grond voor beweiding, bemesting en teelt van ruwvoer) als hoofdbestanddeel van het totale agrarische productieproces van haar geitenhouderij dient te worden aangemerkt. Verweerder moet alsnog op de aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3081

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2020 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres,

gemachtigde: mr. F.H. Damen, advocaat te Waalwijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen, verweerder

gemachtigde: mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 6 december 2018 om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (obm) voor het oprichten van een geitenhouderij buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 5 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres hiertegen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020. De rechtbank heeft daarbij gebruik gemaakt van tweezijdige elektronische communicatiemiddelen (Skype en telefoon). Namens eiseres hebben aan de zitting deelgenomen [naam 1] (bestuurder) en [naam 2] (gevolmachtigd directeur) en [naam 3] , bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Tevens heeft aan de zijde van eiseres deelgenomen ing. [naam 4] , verbonden aan [naam 5] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde, vergezeld van [naam 6] , juridisch adviseur, en [naam 7] (beiden in dienst van de gemeente). Tot de digitale zitting hadden ook toegang een journalist en een belangstellende.

Overwegingen

1. De wetgeving, waarop verweerder de besluiten heeft gebaseerd, is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.1

Eiseres is voornemens om op het perceel [perceel] (het perceel) een geitenhouderij met 1800 geiten en 200 lammeren te gaan exploiteren voor de productie van geitenmelk. Op het perceel staat een gebouw, een stal, en was een paardenhouderij gevestigd. Eiseres heeft naast en om het perceel, dat min of meer een bouwblok in het toepasselijke bestemmingsplan omvat en zelf ongeveer een hectare groot is, 9,6 hectare grond in eigendom. Naast het perceel is circa 5 hectare grond in eigendom van de gevolgmachtigd directeur van eiseres. Hij is tevens 50 % aandeelhouder in eiseres. Die aandeelhouder – door eiseres aangeduid als vennoot – heeft in de omgeving nog 4 hectare grond in eigendom, waarvan 3,6 hectare agrarisch kan worden gebruikt.

2.2

Op het perceel was ten tijde van de aanvraag en de besluiten van toepassing het bestemmingsplan “Correctieve en partiële herziening Landelijk gebied” van 11 september 2007, goedgekeurd 11 december 2007, hierna: het bestemmingsplan.

2.3

Vanaf 12 december 2018 geldt in de provincie Noord Holland een planologisch verbod op de nieuwvestiging van geitenhouderijen (artikel 8b van de Provinciale Ruimtelijke Verordening). De gemeenteraad van Enkhuizen heeft dat verbod inmiddels in het bestemmingsplan geïncorporeerd, althans een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. Dit verbod staat, zo volgt uit die bepaling, gelet op de aanvraagdatum, niet aan de vestiging van onderhavige geitenhouderij in de weg.

2.4

Op 1 november 2018 heeft de Stichting Agrarische beoordelingscommissie (hierna: Stichting Abc ) naar aanleiding van een eerdere, gelijkluidende aanvraag om obm van eiseres een advies aan verweerder uitgebracht. In dat advies concludeerde de stichting dat de geitenmelkerij in oprichting is te beschouwen als een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf.

2.5

Eiseres heeft met het oog op het aanvragen van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (obm) aan verweerder op 6 augustus 2018 een zogenaamde “aanmeldnotitie m.e.r. voor de inrichting gelegen aan [perceel] ” doen toekomen. Verweerder heeft in reactie hierop bij besluit van 6 december 2018 op grond van artikel 7.17 van de Wet milieubeheer besloten dat het opstellen van een Milieueffectrapportage niet noodzakelijk is bij de voorbereiding van het besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de geitenhouderij.

2.6

Eiseres heeft haar aanvraag van 6 december 2018 in verband met de voorgenomen exploitatie van een geitenhouderij op het perceel beperkt tot een obm als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.2a, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit omgevingsrecht.

2.7

Bij brief van 28 december 2018 heeft verweerder eiseres gevraagd om aanvullende gegevens. Daarnaast heeft verweerder eiseres gevraagd om aanvulling van de aanvraag in die zin dat de aanvraag wordt uitgebreid met een aanvraag voor de activiteit gebruik in strijd met het planologisch regime (planologisch strijdig gebruik) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo, omdat volgens verweerder het bestemmingsplan het gebruik van het perceel voor de geitenhouderij niet toestaat.

2.8

Bij brief van 17 januari 2019 heeft eiseres aanvullende gegevens bij verweerder aangeleverd. Eiseres heeft de aanvraag bewust niet aangevuld met de activiteit planologisch strijdig gebruik, omdat eiseres van mening is dat de ter plaatse geldende bestemming het door haar gewenste gebruik toestaat.

2.9

Bij brief van 30 januari 2019 heeft de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD) aan verweerder geadviseerd dat het toetsingskader dat betrekking heeft op de obm geen redenen oplevert om de omgevingsvergunning te weigeren.

3.1

Verweerder heeft de aanvraag om een omgevingsvergunning buiten behandeling gesteld met toepassing van artikel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat hij de aanvraag van eiseres onvolledig acht en eiseres haar aanvraag, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet heeft aangevuld. Volgens verweerder is de aanvraag om obm in dit geval onlosmakelijk verbonden met de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo en dient de omgevingsvergunning voor beide onderdelen van artikel 2.1, eerste lid, Wabo dient gelet op artikel 2.7, eerste lid, Wabo tegelijkertijd te worden aangevraagd.

3.2

Volgens verweerder is het gebruik van het perceel als geitenhouderij in strijd met de ter plaatse geldende bestemming, omdat ter plaatse alleen grondgebonden bedrijven zijn toegestaan en hij de voorgestane geitenhouderij niet als zodanig aanmerkt. Verweerder acht in dit verband doorslaggevend dat in de bedrijfsopzet niet aantoonbaar hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond, ook niet voor beweiding en ruwvoerproductie. Verweerder heeft in het besluit op bezwaar - kort samengevat - overwogen dat de activiteiten van eiseres volgens het advies van de Stichting Abc weliswaar grondgebonden zouden zijn, maar dat de Stichting ABC niet uitputtend aan het bestemmingsplan heeft getoetst. Nog daargelaten of hij aan dat advies is gebonden, omdat hij het niet in het kader van onderhavige aanvraag heeft verzocht, is, aldus verweerder, niet ingegaan op de vraag of de afspraken met derden over het gebruik van gronden voor verbouw van ruwvoer en beweiding wel voldoende zekerheid bieden. Volgens verweerder blijkt uit de aanvraag en nadere gegevens dat de geiten 7 maanden per jaar binnen staan. De andere circa 120 dagen is eiseres voornemens de circa 1500 volwassen, melkgevende geiten in twee groepen elk niet meer dan zes uur te weiden, zodat ook in die vijf maanden voortdurend circa 65 % van de geiten op stal staan. Het zwaartepunt ligt hier dus niet op het gebruik van open grond voor beweiding, maar op de aanwezigheid van de geiten in de stal. Verweerder stelt voorts vast dat eiseres kan beschikken over zo’n 18,6 hectare grond (14,6 ha eigen grond en 4 ha extra in het bezit van de aandeelhouder). Deze 18,6 ha is volgens verweerder te weinig om te kunnen voorzien in de behoefte van de 2000 geiten aan ruwvoer. Volgens eiseres zou daarnaast weliswaar nog zo’n 20 ha extra grond beschikbaar zijn voor de teelt van ruwvoer, maar de (intentie)verklaringen die eiseres in dit verband heeft overgelegd, bieden volgens verweerder onvoldoende zekerheid om hier van uit te kunnen gaan. De verklaringen zijn niet aan te merken als overeenkomsten en zijn volgens verweerder te vrijblijvend.

4. Eiseres heeft eiseres zich - kort samengevat- op het standpunt gesteld dat de geitenhouderij ter plaatse planologisch is toegestaan, omdat het bedrijf wel dient te worden aangemerkt als grondgebonden bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Dit blijkt, aldus eiseres, ook uit het advies van de Stichting Abc . Dat de geiten niet het hele jaar in de wei staan, maakt dit volgens eiseres niet anders, omdat het bestemmingsplan niet voorschrijft dat de geiten hoofdzakelijk in de wei verblijven. Bovendien staan de geiten, met uitzondering van de circa 300 pas afgelammerde en droogstaande dieren, 6 uur per dag, 120 dagen per jaar in de wei. Daarbij komt dat vee ’s winters nooit in de wei staat, omdat er dan geen gras groeit. Eiseres heeft erop gewezen dat de eigen gronden niet alleen gebruikt worden voor beweiding, maar ook voor de teelt van ruwvoer. Eiseres heeft gesteld te beschikken over 10.6 ha grond in eigen bezit (waarvan c 1 ha bouwblok) en 5 ha naastgelegen grond van de vennoot en nog eens 4 ha grond van de vennoot in de buurt, waarvan 3,6 ha beschikbaar is voor agrarisch gebruik. Aldus staat in ieder geval vast dat 18,2 ha grond gebruikt kan en zal worden voor beweiding dan wel voor het telen van ruwvoer. Daarnaast kan eiseres voor de teelt van ruwvoer nog beschikken over gronden in de directe omgeving die in het bezit zijn van andere telers. Deze telers gebruiken deze gronden om groenten te verbouwen en 60 ha zullen en kunnen vanwege de noodzaak tot vruchtwisseling jaarlijks aan eiseres ter beschikking worden gesteld voor het uitrijden van mest en de teelt van het voor de geiten benodigde ruwvoer. Het totale oppervlak aan beschikbare gronden is daarom voldoende voor de productie van al het voor de geiten benodigde ruwvoer. Het bedrijf is daarom wel grondgebonden van aard. Daarnaast heeft eiseres het standpunt herhaald dat verweerder ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het advies van de Stichting Abc .

5. De vraag die partijen verdeeld houdt en die de rechtbank ter beslechting van hun geschil moet beantwoorden is of het bedrijf, de inrichting, van eiseres kan worden aangemerkt als een grondgeboden agrarisch bedrijf in de zin van het het bestemmingsplan. Als het antwoord ja is, dan heeft verweerder ten onrechte om aanvulling van de aanvraag verzocht.

5.1

Op grond van het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Agrarische doeleinden met bebouwing”.

Artikel 8 van de bestemmingsplanvoorschriften schrijft voor dat deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een “grondgebonden agrarisch bedrijf”. Intensieve veeteelt is ter plaatse niet toegestaan, omdat het perceel niet aanvullend als zodanig is bestemd.

Wat onder agrarisch bedrijf dient te worden verstaan is aangegeven in artikel 1.1 van de planvoorschriften: het moet gaan om “een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren”.

Wat onder grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften dient te worden verstaan is nader gedefinieerd in artikel 1.16 van de planvoorschriften: het moet gaan om “een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond”.

6.1

Zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, bevat de toelichting bij het bestemmingsplan geen nadere uitleg zodat de bedoeling van de planwetgever bij de hiervoor genoemde begrippen en bepalingen niet verder is te achterhalen. De rechtbank dient de begrippen en bepalingen daarom uit te leggen naar hun letterlijke bewoordingen en eventueel hun betekenis in het spraakgebruik, in het licht van de systematiek van de voorschriften. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan twee andere, verwante definitiebepalingen uit de planvoorschriften.

6.2

Als niet-grondgebonden bedrijf dient op grond van het planvoorschrift 1.19 te worden aangemerkt “een agrarisch bedrijf, dat in overwegende mate is gericht op de teelt van agrarische producten zonder afhankelijk te zijn van agrarische grond als productiemiddel”.

Als intensieve veehouderij dient op grond van planvoorschrift 1.18 te worden aangemerkt “een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door het houden, mesten of fokken van vee, nagenoeg zonder gebruik te maken van grond”.

6.3

Hoewel gelet op de hiervoor weergegeven definitiebepalingen naar hun tekst niet valt uit te sluiten dat een agrarisch bedrijf noch grondgebonden noch niet-grondgebonden is, zal het niet voldoen aan de definitie van niet-grondgebonden zijn, door de bank genomen wijzen op grondgebondenheid. Bij niet-grondgebondenheid speelt volgens de definitie grond immers geen enkele rol in het productie. Bij een grondgebonden bedrijf is het volgens de definitie echter niet voldoende dat in enige mate gebruik wordt gemaakt van open grond; het gebruik van de open grond moet hoofdzaak zijn.

6.4

Niet in geschil is, partijen hebben dat ter zitting ook nog bevestigd, dat als grond gebruikt wordt voor beweiding, bemesting of productie van ruwvoer, er sprake is van “gebruik van open grond” als bedoeld in artikel 1.16 van de planvoorschriften. Evenmin is in geschil dat geiten, net als bijvoorbeeld koeien, zowel grondgebonden als niet-grondgebonden gehouden kunnen worden. Het voer voor geiten bestaat uit een mix van zogenaamd ruwvoer (zoals gras) en krachtvoeders. Krachtvoeders worden niet binnen een agrarische bedrijf (op open grond) geteeld, maar van een krachtvoederproducent betrokken. In de niet-grondgeboden situatie verblijven de geiten voortdurend, althans overwegend, op stal, wordt al het voer van elders - buiten de bedrijfsvoering - betrokken en wordt de mest naar elders afgevoerd en is in feite sprake van intensieve veehouderij in de zin van artikel 1.19 van de planvoorschriften. Als gebruik van open grond in de bedrijfsvoering voor (de productie van) voer – door beweiden of het oogsten van dat (ruw)voer – een rol speelt, is gelet op de hiervoor aangehaalde definitiebepalingen geen sprake meer van niet-grondgebondenheid. Om te kunnen spreken van grondgebonden agrarisch gebruik is volgens de definitie in artikel 1.16 in het bestemmingsplan echter meer nodig dan enkel het gebruiken van open grond. Het gebruik van open grond moet ook een hoofdrol spelen in de bedrijfsvoering, omdat de definitie vereist dat “hoofdzakelijk” gebruik wordt gemaakt van open grond. Dat betekent dat de ruwvoerproductie in de eigen bedrijfsvoering niet van ondergeschikt belang mag zijn.

7.1

Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is bij het houden van de geiten in het bedrijf van eiseres aan de definitie van artikel 8 van de planvoorschriften voldaan, als het beweiden en/of de productie van ruwvoer – nodig om de geiten te kunnen houden – alsmede de mestverwerking op open grond in eigen beheer een hoofdbestanddeel van het totale agrarisch productieproces uitmaakt. De rechtbank overweegt in dit verband voor wat betreft de door eiseres voorgenomen bedrijfsvoering als volgt.

7.2

Eiseres stelt te kunnen beschikken over 50 à 60 ha grond voor bemesting en teelt van ruwvoer. Deze 60 ha is, zo heeft eiseres ter zitting onweersproken gesteld, voldoende om te kunnen voorzien in de totaalbehoefte aan ruwvoer van de 2000 te houden geiten en voldoende voor het uitrijden van de door die geiten geproduceerde mest.

7.3

Verweerder heeft op zichzelf niet betwist dat eiseres uitgaande van de intentieverklaringen zal kunnen beschikken over voldoende gronden om geheel in de behoefte aan grond voor beweiding, mestverwerking en verbouw van ruwvoer te kunnen voorzien, maar stelt dat de uitgesproken intenties onvoldoende zekerheid bieden, omdat eiseres aan de intentieverklaringen geen rechten kan ontlenen.

7.4

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Eiseres heeft voldoende overtuigend onderbouwd dat zij voor haar bedrijfsvoering niet alleen zal kunnen beschikken over de 18,2 ha grond die eiseres en haar aandeelhouder in eigendom hebben, maar ook over gronden waarop de door de andere telers afgegeven intentieverklaringen zien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals eiseres onbestreden heeft toegelicht, de telers die de intentie hebben uitgesproken gronden aan eiseres in gebruik te geven er vanwege de noodzaak tot vruchtwisseling belang bij hebben dat hun gronden door eiseres worden gebruikt voor de teelt van ruwvoer en bemesting, omdat dit de bruikbaarheid van de gronden in het kader van hun eigen bedrijfsvoering ten goede komt, of daarvoor zelfs noodzakelijk is. Er valt daarom op voorhand niet in te zien waarom de intentieverklaringen niet zullen leiden tot bindende overeenkomsten. Daarbij ligt in de rede dat pas overeenkomsten zullen worden gesloten over het gebruik door eiseres van de gronden van de telers op het moment dat vast staat dat eiseres zich als geitenhouderij op het perceel mag vestigen. Zolang daarvan nog geen sprake is, kan overlegging van overeenkomsten daarom niet aan eiseres worden tegengeworpen.

7.5

De rechtbank merkt hier nog bij op dat eiseres ter zitting (onbestreden) heeft verklaard dat zij van haar ruwvoerproductie op gronden van derden een boekhouding moet bijhouden, zodat daarop (achteraf) ook controle mogelijk is.

8. De rechtbank is vanwege het voorgaande van oordeel dat verweerder er bij de beoordeling van de aanvraag van uit had moeten gaan dat eiseres over een zodanig oppervlak aan gronden zal kunnen beschikken dat het gebruik van die gronden (als open grond voor beweiding, bemesting en teelt van ruwvoer) als hoofdbestanddeel van het totale agrarische productieproces van haar geitenhouderij dient te worden aangemerkt. Dat betekent dat met de productie van dat ruwvoer binnen de eigen bedrijfsvoering sprake zal zijn van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van het bestemmingsplan. Dat ook krachtvoer van elders wordt betrokken, doet, zo is ook niet in geschil, daar niet aan af. De geitenhouderij is dus niet in strijd is met de bestemming “Agrarische bedrijfsvoering met bebouwing”. Dit betekent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de geitenhouderij een omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit planologisch strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1. eerste lid, aanhef en onder i, Wabo dus ten onrechte met toepassing van artikel 4.5 Awb buiten behandeling gesteld.

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en daarbij bepalen dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak alsnog binnen zes weken na verzending van deze uitspraak inhoudelijk op de aanvraag om obm van eiseres moet beslissen.

10. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1, gemiddeld).

11. De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder gehouden is om het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak beslist op de aanvraag van eiseres van 6 december 2018;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 1050,-;

- bepaalt dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 345,- vergoedt.

Deze uitspraak is op 13 juli 2020 gedaan door mr. R.H.M. Bruin, in aanwezigheid van

mr. E. Degen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare zitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. De uitspraak wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt:

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) luidt, voor zover van belang, als volgt:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. (..)

b. (..)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. (..)

e. (..)

f. (..)

g. (..)

h. (..)

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

3 Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo luidt als volgt.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.