Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5150

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
8142262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

schade aan voor winterfair gehuurde arrenslee

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 8142262 \ CV EXPL 19-8375 (SS)

Uitspraakdatum: 29 juli 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] , h.o.d.n. DecoratieverkoopNederland.nl

gevestigd te Eindhoven

eiser

verder te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. R.G.M. Michels

tegen

Ondernemingsvereniging [naam vereniging]

gevestigd te [plaats 1]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. N. Graas

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 24 oktober 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiser] houdt zich onder de naam “Decoratieverkoopnederland.nl” bedrijfsmatig bezig met onder meer de verkoop en verhuur van decoratieve materialen en objecten ten behoeve van evenementen. [gedaagde] is de belangenvereniging van plaatselijke ondernemers in het centrum van [plaats 1] .

2.2.

Op 23 november 2018 is een huurovereenkomst tot stand gekomen, waarbij [gedaagde] van [eiser] een blauwe, houten arrenslee met kunststof rendier heeft gehuurd ten behoeve van de zogeheten Winterfair [naam Winterfair] (hierna: de winterfair) op 15 en 16 december 2018. Het was de bedoeling dat bezoekers van de winterfair in de arrenslee op de foto konden met de door [gedaagde] verzorgde kerstman.

2.3.

De overeengekomen huurprijs is € 483,75 (inclusief b.t.w.) en is op 21 december 2018 betaald. Op de door [eiser] toegezonden factuur van 13 december 2018 staat - onder meer - het volgende vermeld:

“Wij zijn niet verantwoordelijk voor breuk, beschadigingen, diefstal, vandalisme.

Wij brengen in kosten bij genoemde € 1675.00 / Rendier, € 1950.00 / Arreslee excl btw .

Wij danken u voor uw bestelling.

Onze algemene voorwaarden kunt u inzien en downloaden via onze website.”

2.4.

Op 15 december 2018 is tijdens de winterfair schade ontstaan aan de arrenslee. Tijdens een fotosessie met de kerstman is de achterzijde van de arrenslee afgebroken.

2.5.

[eiser] heeft een offerte aangevraagd voor de kosten van herstel van de schade. In een offerte van 24 januari 2019 van [naam 2] worden de herstelkosten begroot op een bedrag van € 2.723,00 (exclusief b.t.w.).

2.6.

[eiser] heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade, maar [gedaagde] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van
€ 3.294,83, namelijk de kosten van herstel (inclusief b.t.w.) van de arrenslee, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag - kort weergegeven - dat hij de gehuurde arrenslee in goede en onbeschadigde staat aan [gedaagde] heeft afgeleverd. Tijdens de huurperiode is er vervolgens schade ontstaan aan de arrenslee doordat de aanwezige kerstman tijdens een fotosessie niet in de arrenslee heeft plaatsgenomen, maar op de rugleuning is gaan zitten, waardoor deze is afgebroken. Gelet op het bepaalde in artikel 7:218 BW is [gedaagde] aansprakelijk voor de kosten van herstel. Omdat [gedaagde] heeft geweigerd deze kosten te betalen, was [eiser] genoodzaakt om juridische bijstand in te schakelen en uiteindelijk [gedaagde] te dagvaarden. Ook de gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 454,50 en de proceskosten moeten daarom door [gedaagde] vergoed worden.

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan - samengevat - dat de gehuurde arrenslee reeds bij aflevering in gebrekkige staat verkeerde en niet over de eigenschappen beschikte waarvoor deze was gehuurd, namelijk als object waarin de kerstman met het aanwezige publiek een foto kon laten maken. Tijdens een fotosessie, waarbij de kerstman in de slee zat, is deze een kwartslag gedraaid om aan een kindje ruimte te bieden om in de slee plaats te nemen, waarbij hij leunde op de achterzijde van de slee en toen brak de achterzijde van de slee af. Dit wordt bevestigd door de kerstman, de heer [naam 3] , in een verklaring van 1 december 2019. De arrenslee was al enigszins verouderd en blijkbaar niet meer al te stevig, hetgeen blijkt uit overgelegde foto’s. [gedaagde] is dan ook niet aansprakelijk voor de ontstane schade. Daar komt bij dat de gevorderde herstelkosten onvoldoende onderbouwd en gespecificeerd zijn en onrealistisch hoog zijn. Uit onderzoek op marktplaats blijkt dat de gemiddelde koopprijs voor een arrenslee ongeveer € 800,00 bedraagt, dus een veel lager bedrag dan de door [eiser] gestelde nieuwwaarde van
€ 7.000,00. Tot slot staat op de factuur een bedrag van € 1.675,00 vermeld voor ontstane schade en daar dient [eiser] zich dan ook aan te houden.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan aan de gehuurde arrenslee. Vast staat dat deze schade is ontstaan tijdens de huurperiode, namelijk toen de arrenslee op 15 december 2018 tijdens de winterfair in gebruik was voor een fotosessie. Op dat moment is immers de achterzijde van de arrenslee afgebroken. Volgens [gedaagde] was de schade bij aanvang van de huurovereenkomst al aanwezig in die zin dat de arrenslee al bij aanvang van de huur in gebrekkige staat verkeerde.

5.2.

Artikel 7:218 lid 3 BW bevat een voor weerlegging vatbaar vermoeden dat [gedaagde] het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst in goede staat heeft ontvangen. Het is aan [gedaagde] om tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat zij het gehuurde in goede staat heeft ontvangen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] het bewijsvermoeden onvoldoende gemotiveerd betwist om op dit punt tot tegenbewijs te worden toegelaten. Het enkel overleggen van een aantal ongedateerde foto’s van (delen van) de arrenslee kan niet als een voldoende gemotiveerde betwisting worden aangemerkt. De gestelde gebrekkige staat kan hieruit immers op geen enkele wijze worden opgemaakt. Dat er mogelijk sprake is van enige slijtage in de verf of veroudering maakt de arrenslee niet gebrekkig. Ook de overgelegde verklaring van de kerstman is niet voldoende, nu deze in zijn verklaring op zichzelf genomen erkent op de achterzijde van de arrenslee te hebben geleund en deze verder niets verklaart over de toestand waarin de arrenslee zich bij aanvang van de huur bevond. Bij het voorgaande acht de kantonrechter tevens van belang dat [gedaagde] op geen enkel moment heeft geklaagd over de vermeende gebrekkige staat van de arrenslee, maar de arrenslee zonder protest in gebruik heeft genomen. Overigens heeft [gedaagde] op dit punt ook geen concreet bewijsaanbod gedaan.

5.3.

De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat de arrenslee in goede staat is ontvangen en in gebruik genomen en dat de tijdens de huurperiode ontstane schade dus niet het gevolg is van een gebrekkige staat bij aanvang. [gedaagde] is dan ook aansprakelijk voor de geleden schade. Dat [gedaagde] de schade niet zelf heeft veroorzaakt, maar de door haar verzorgde kerstman, doet daarbij gelet op het bepaalde in artikel 7:219 BW niet ter zake. Als huurder is zij immers verantwoordelijk.

5.4.

In aansluiting op het voorgaande overweegt de kantonrechter nog dat het beroep dat [gedaagde] heeft gedaan op de door [eiser] gehanteerde algemene voorwaarden, haar niet kan baten. Nog daargelaten dat niet is gesteld dat de toepassing van deze algemene voorwaarden tussen partijen is overeengekomen, is in deze procedure geen afschrift van deze algemene voorwaarden in het geding gebracht.

5.5.

Wat betreft de hoogte van de gevorderde schade is de kantonrechter van oordeel dat het, gelet op de betwisting van de zijde van [gedaagde] , op de weg van [eiser] had gelegen om de geoffreerde herstelkosten nader te onderbouwen en in ieder geval te specificeren en te onderscheiden wat de kosten zijn voor materiaal en arbeidsloon, alsmede hoeveel tijd met de werkzaamheden is gemoeid. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Daar komt bij dat [gedaagde] zich heeft beroepen op de vermelding van de - voorafgaand aan de huurperiode toegezonden - factuur, waarin volgens [gedaagde] een gefixeerd of maximum schadebedrag van € 1.675,00 in geval van schade is opgenomen. De uitleg van [eiser] dat dit geen schadebedrag betreft, maar dat het gaat om waarborgsommen die normaal gesproken bij de huur in rekening worden gebracht, komt de kantonrechter met [gedaagde] niet logisch voor, vooral gelet op de formulering op de factuur. Er wordt nergens over een borg gesproken.

5.6.

Onder deze omstandigheden zal de kantonrechter de schade vaststellen en begroten op het op de factuur genoemde bedrag voor (schade aan) de arrenslee, te weten een bedrag van
€ 1.950,00 (exclusief b.t.w.). Het genoemde bedrag van € 1.650,00 betreft immers kennelijk (schade aan) het rendier. Dat betekent dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.359,50 (inclusief b.t.w.) aan schadevergoeding. De conclusie is dus dat de kantonrechter de vordering van [eiser] tot dit bedrag zal toewijzen.

5.7.

[eiser] heeft verder voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, terwijl [gedaagde] slechts heeft volstaan met een algemene en niet gemotiveerde betwisting. Dit betekent dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten voor toewijzing in aanmerking komt, met dien verstande dat de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden gebaseerd op de in deze procedure toe te wijzen hoofdsom, zodat - in overeenstemming met het wettelijk tarief - een bedrag van € 353,93 toegewezen zal worden.

5.8.

Gelet op wat er van de zijde van [eiser] is gesteld, is er geen grond voor toewijzing van wettelijke handelsrente. De subsidiair gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen op na te melden wijze, waarbij de over de buitengerechtelijke kosten gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen, nu niet is gebleken dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

5.9.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 2.713,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.359,50 vanaf 24 oktober 2019 tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiser] tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 86,40

griffierecht € 231,00

salaris gemachtigde € 360,00;

6.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter