Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:5030

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-05-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
HAA 19 / 217
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhaving vanwege geluidsoverlast.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19 / 217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2020 in de zaak tussen

1. [eiser]te [woonplaats 1] , eiser

2. [eiseres]te [woonplaats 2] , eiseres

tezamen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder

(gemachtigde: W. Dooijes en mr. R.A.J. de Jong).

Besluit

Bij besluit van 3 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om handhavend op te treden tegen de door eisers ervaren geluidsoverlast van het tuincentrum ( [tuincentrum] ) in de achtertuin van de woning aan de [adres 1] , afgewezen.

Eisers hebben bezwaar gemaakt. In een brief van 12 december 2018 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld.

Eisers hebben op 16 januari 2019 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar.

Bij besluit van 5 februari 2019, verzonden 6 februari 2020, (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2020. Eisers zijn in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, waarna het vooronderzoek is hervat. Bij brief van 26 maart 2020 heeft de rechtbank partijen geïnformeerd dat zij het niet nodig acht opnieuw een zitting te houden, tenzij partijen dat wensen. Aangezien partijen niet binnen vier weken op deze brief hebben gereageerd, is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1

Op het adres [adres 1] (het perceel) is [tuincentrum] ( [tuincentrum] ) gevestigd. De activiteiten van [tuincentrum] vinden plaats in de achtertuin van dit perceel. Op het perceel is het bestemmingsplan Santpoort-Noord van toepassing. Eisers wonen op de [adres 2] in Santpoort-Noord. De achtertuin van eisers en de achtertuin van het perceel maken onderdeel uit van een door verschillende woningen met achtertuinen omsloten terrein.

1.2

Op 8 mei 2018 en 14 mei 2018 hebben eisers een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen illegaal bouwen, overlast en gebruik van de achtertuin van het perceel.

1.3

Verweerder heeft de bevoegdheid om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast/milieuaspecten gemandateerd aan de Omgevingsdienst IJmond. De Omgevingsdienst IJmond heeft daarom namens verweerder de besluiten genomen zoals opgenomen onder ‘Procesverloop’. Verweerder heeft het handhavingsverzoek voor zover het illegaal bouwen en gebruik betrof zelf afgehandeld. Verweerder heeft dat onderdeel van het handhavingsverzoek afgewezen en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Het beroep van eisers daartegen is aanhangig bij deze rechtbank onder zaaknummer HAA 19 / 197. Dat beroep is tegelijkertijd met onderhavig beroep behandeld op de zitting van 20 februari 2020.

Beroep niet tijdig

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit alsnog beslist op het bezwaar van eisers. Gezien het gestelde in overweging 2 van de uitspraak inzake HAA 19 / 197 heeft verweerder bij besluit van 8 februari 2019 aan eisers aan bedrag van € 1.120,- toegekend vanwege het overschrijden van de wettelijke beslistermijn in deze zaak. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder zijn toezegging in de brief van 26 februari 2020 om deze dwangsom uit te betalen gestand doet. Nu verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar en over de hoogte van de toegekende dwangsom geen discussie bestaat, hebben eisers geen belang meer bij hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet ontvankelijk verklaren.

Handhaving

3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep mede betrekking op het bestreden besluit.

4.1

Eisers voeren aan dat voor de activiteiten van [tuincentrum] in de achtertuin van het perceel ten onrechte:

(i) geen omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is gevraagd, en

(ii) geen melding op grond van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) is gedaan en ook niet aan de overige vereisten van dit besluit is voldaan.

[tuincentrum] is een uitbreiding is van horecabedrijf [naam 1] ( [adres 3] in Santpoort-Noord), dan wel vormt daarmee één inrichting. De beide bedrijven liggen vlakbij elkaar en zijn organisatorisch met elkaar verbonden. De organisatorische verbondenheid blijkt uit de KvK-inschrijvingen waarin [tuincentrum] vanaf het moment van oprichting tot 1 januari 2019 als een nevenvestiging van [naam 1] stond geregistreerd en mevrouw [naam 2] als eigenaar van beide bedrijven stond geregistreerd. Ook blijkt die organisatorische verbondenheid uit de verschillende verwijzingen op de website van

[naam 1] naar de tuin op het perceel.

Aangezien [naam 1] een inrichting is in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) (horeca-2 inrichting, type C-bedrijf) waarvoor (i) een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wabo is vereist, en (ii) het Activiteitenbesluit geldt, gelden deze verplichtingen ook voor [tuincentrum] .

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat [tuincentrum] geen uitbreiding is van [naam 1] , dan wel daarmee niet samen één inrichting vormt. De horeca-activiteiten van [naam 1] en de plantenverkoopactiviteiten van [tuincentrum] zijn twee op zichzelf staande activiteiten, die niet met elkaar verweven zijn. De omstandigheid dat mevrouw [naam 2] tot 1 januari 2019 eigenaar was van beide bedrijven maakt dit niet anders. [tuincentrum] is ook geen zelfstandige inrichting in de zin van de Wm. [tuincentrum] valt niet onder een van de categorieën van inrichtingen opgenomen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

4.3

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo is het oprichten, het veranderen, of veranderen van de werking, of het in werking hebben van een inrichting verboden zonder een omgevingsvergunning.

4.4

Op grond van artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo wordt onder inrichting verstaan: ‘categorieën van inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wm, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. Bij de maatregel worden als categorie in ieder geval aangewezen de inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort.

4.5

Op grond van artikel 1.1 van de Wm wordt onder een inrichting verstaan: ‘elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.’

4.6

Op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wm worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

4.7

Op grond van artikel 1.1, vierde lid, van de Wm wordt elders in die wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan, een inrichting behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij wordt als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

4.8

Uit dit wettelijk kader volgt dat de verplichting voor een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, sub e, van de Wabo, en de verplichting om aan het Activiteitenbesluit te voldoen, bestaat voor inrichtingen in de zin van de Wm, die vallen onder de categorieën van inrichtingen opgenomen in bijlage I van het Bor.

4.9

Los van de vraag of [naam 1] een inrichting is, is de rechtbank van oordeel dat [tuincentrum] geen uitbreiding is van [naam 1] , dan wel dat niet voldaan wordt aan artikel 1.1, vierde lid, van de Wm. Mevrouw [naam 2] is per 1 januari 2019 niet langer de eigenaar is van beide bedrijven. Mevrouw [naam 2] is nog wel eigenaar van [tuincentrum] , maar mevrouw [naam 3] (haar dochter) is per die datum eigenaar van [naam 1] . Ten tijde van het bestreden besluit was de zeggenschap over de beide bedrijven dus niet in handen van een-en-dezelfde persoon. Hierbij komt dat [naam 1] en [tuincentrum] twee verschillende bedrijven zijn (horeca respectievelijk planten) en dat niet gebleken is dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van technische, functionele, of organisatorische bindingen tussen de beide bedrijven. De door eisers gestelde verwijzing op de website van [naam 1] naar de tuin op het perceel is daarvoor onvoldoende. Dit te meer nu eisers ter zitting niet hebben kunnen toelichten uit welke periode de door hen overgelegde print van de website dateert. Het is daarom de vraag of de print wel uit de periode van het bestreden besluit dateert. De vrees van eisers dat [tuincentrum] een opstapje is om in de tuin op het perceel een horeca-terras te realiseren, dan wel evenementen te organiseren maakt het voorgaande niet anders. Ten tijde van het bestreden besluit was daarvan geen sprake. Ook het overige door eisers op dit punt aangevoerde, vormt geen aanleiding om aan het feit dat de zeggenschap over beide bedrijven in handen is van twee verschillende personen en ook verder geen sprake is van technische, functionele, of organisatorische bindingen te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

4.10

Voor zover eisers met deze grond ook bedoeld hebben dat [tuincentrum] een zelfstandige inrichting is, treft dat evenmin doel. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de bedrijfsactiviteiten van [tuincentrum] niet vallen onder een van de categorieën die op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wm, in bijlage I van het Bor zijn opgenomen. Dit betekent dat de vraag of [tuincentrum] op zichzelf al dan niet voldoet aan de vereisten voor het zijn van een inrichting in de zin van artikel 1.1 Wm geen beantwoording behoeft.

5.1

Eisers voeren aan dat ook los van de vraag of [tuincentrum] een inrichting is, voldaan moet worden aan artikel 2.18 lid 1a (en naar de rechtbank begrijpt dus ook artikel 2.17/2.17 a) van het Activiteitenbesluit. Verweerder heeft in het besluit van 11 april 2018 waarmee het verzoek om een tijdelijke terrasvergunning voor [naam 1] is afgewezen, aangegeven dat de tuin op het perceel behoort tot een binnenterrein. Op grond van voornoemd artikel moet bij het bepalen van de belasting voor het milieu op binnenterreinen stemgeluid worden meegewogen.

5.2

De rechtbank volgt gezien het gestelde in overweging 4.8 verweerder in zijn stelling dat het Activiteitenbesluit van toepassing is indien sprake is van een inrichting in de zin van de Wm (die valt onder een van de categorieën van inrichtingen opgenomen in bijlage I van het Bor). Dat is niet het geval. De vraag of het perceel in een binnenterrein gelegen is, behoeft dan ook geen beantwoording. De beroepsgrond slaagt niet.

6.1

Eisers voeren aan dat sprake is van een motiveringsgebrek. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat [tuincentrum] geen inrichting is in de zin van de Wm zodat geen sprake is van een vergunningsplicht of meldplicht en ook niet aan de overige vereisten van het Activiteitenbesluit voldaan hoeft te worden. Tegelijkertijd heeft verweerder zich in het bestreden besluit ook op het standpunt gesteld dat [tuincentrum] een type A-inrichting is en dat de algemene regels van het Activiteitenbesluit (meer in het bijzonder artikel 2.17) wel van toepassing zijn. Dit komt niet met elkaar overeen.

6.2

Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de vermelding in het bestreden besluit dat [tuincentrum] een type A-inrichting is waarvoor de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn, niet juist is. Vanwege de redenen vermeld in overweging 4.2 is [tuincentrum] geen inrichting. Dat betekent dat het Activiteitenbesluit niet van toepassing is.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat eisers terecht hebben aangevoerd dat het deel van het bestreden besluit waarin wordt gesteld dat [tuincentrum] een type A inrichting is tegenstrijdig is. In het verweerschrift heeft verweerder de tegenstrijdigheid ongedaan gemaakt. In het bestreden besluit en bevestigd in het verweerschrift heeft verweerder ook duidelijk en met een juiste motivering gesteld dat [tuincentrum] geen inrichting is waarvoor een vergunningsplicht of meldingsplicht geldt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aanvankelijke tegenstrijdige motivering niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Voor het overige voeren eisers nog aan dat verweerder zijn onderzoeksplicht heeft geschonden, dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, en dat sprake is van vooringenomenheid van verweerder. Voor de behandeling van deze beroepsgronden wordt verwezen naar de uitspraak inzake HAA 19 / 197, overweging 7.2.

8. Het beroep is ongegrond.

9. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met het instellen van het beroep niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 262,50 (1 punt voor het indienen door SRK van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank bepaalt verder dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan eisers dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 174,- aan hen te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier.

De uitspraak is gedaan op 6 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.