Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4738

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-07-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3057
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo - sluiting bedrijfspand vanwege illegale gokactiviteiten voor de duur van 6 maanden - verzoek toegewezen, sluitingsduur onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3057

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. van Minderhout),

en

de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigde: [naam 1] ).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder middels een last onder bestuursdwang bevolen tot directe sluiting van het gebouw op het perceel [locatie] voor de duur van zes maanden.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft het onderzoek ter zitting met instemming van partijen op 25 juni 2020 plaatsgevonden met gebruikmaking van elektronische communicatiemiddelen. Namens verzoekster heeft aan de zitting deelgenomen [naam 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Verzoekster is eigenaar van het perceel [locatie] in [woonplaats] (het perceel). Gelet op het feit dat verzoekster het gebouw op het perceel gedurende zes maanden niet kan gebruiken en/of verhuren, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang.

3. Op 4 mei 2020 heeft verweerder van de politie eenheid Noord-Holland een proces-verbaal ontvangen met betrekking tot het perceel. Uit het proces-verbaal blijkt het volgende. Verbalisanten hebben op 4 mei 2020 diverse verdachte situaties waargenomen rondom [#] , dat op het perceel is gevestigd. Daarop zijn de verbalisanten het pand binnengetreden. Binnen zagen zij dat de kantoorruimte in het pand was opgedeeld in twee ruimten. Er stond een grote tafel met daaromheen circa 8 personen. Daarnaast stond een bureau met daaraan 3 personen. De kamer stond vol met rook van sigaretten en waterpijpen. In de hoek van de kamer achter een plantenbak en wat stoelen stond een goktafel die, zo leek het, snel was weggezet. Tevens stonden er twee halfhoge kasten waarin allerlei pokerfiches leken te zijn gegooid. Ook onder deze kasten lagen diverse fiches op de grond. Gelet het voorgaande was volgens de verbalisanten sprake van een overtreding van het verbod op het organiseren van een samenkomst en werd de opgelegde maatregel voor wat betreft het houden van anderhalve meter afstand tot elkaar genegeerd. Ook hadden de verbalisanten sterk het vermoeden dat er een illegaal kansspel (poker) had plaatsgevonden, dat de aanwezigen hebben geprobeerd te verbergen. Alle aanwezigen zijn onderworpen aan een grondige controle, waarbij bij het grootste gedeelde van de personen aanzienlijke contante hoeveelheden geld is aangetroffen. Voorts werden er door meerdere aanwezigen opmerkingen gemaakt in de richting van de eigenaar van [#] , zoals: “Regel jij nog eens wat zeg. Als wij dit hadden geweten waren wij niet gekomen” en “Hé, ik wist niet dat dit strafbaar was, jij wel?”. Dit bevestigde het vermoeden van de verbalisanten dat er een illegaal kansspel was georganiseerd.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder met toepassing van zijn bevoegdheid zoals opgenomen in artikel 2:75A van de Algemene Plaatselijke Verordening 20181 (APV) bevolen tot sluiting van het gebouw op het perceel. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het organiseren van illegale kansspelen in een voor publiek toegankelijk gebouw vanuit het oogpunt van openbare orde en de veiligheid van de woon- en leefomgeving niet acceptabel is. Daarnaast heeft het illegaal gokken, door de hoge opbrengsten een aantrekkende werking op criminele organisaties. In bepaalde gevallen blijkt illegaal gokken aanleiding te zijn tot conflicten en geweldsdelicten. Ook is de kans aanwezig dat illegale gokwinsten worden witgewassen. Gelet op het feit dat er om (veel) geld wordt gespeeld is er een verhoogde kans op ongeregeldheden. Volgens verweerder vormen illegale gokpraktijken een inbreuk op de openbare orde en veiligheid, niet alleen in het gebouw, maar ook voor de woon- en leefomgeving. Hierbij verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9092. Verweerder begrijpt dat verzoekster schade lijdt door de sluiting, maar vindt het algemeen belang – bescherming van de openbare orde en de veiligheid – zwaarder wegen. Ook vindt verweerder het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is dat tegen dit soort overtredingen wordt opgetreden.

5.1

Op grond van artikel 2:75A, eerste lid, onder a, van de APV kan de burgemeester sluiting bevelen van een voor een publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen.

5.2

Op grond van artikel 1 van de Wet op de kansspelen (Wok) is het, behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde, verboden:

a. gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend;

b. de deelneming hetzij aan een onder a bedoelde gelegenheid, gegeven zonder vergunning ingevolge deze wet (…);

c. gebruik te maken van een onder a bedoelde gelegenheid, wetende dat voor het geven daarvan geen vergunning ingevolge deze wet is verleend;

d. (…).

6.1

Verzoekster betoogt dat verweerder niet bevoegd was tot sluiting van het gebouw over te gaan. Zij voert daartoe aan dat verweerder stelt dat uit het proces-verbaal van de politie van 4 mei 2020 volgt dat er sterk vermoeden is dat er een illegale gokactiviteit heeft plaatsgevonden in het gebouw vanwege de aanwezigheid van een goktafel, pokerfiches en contante geldbedragen. De politie heeft echter niet vastgesteld dat er feitelijk werd gegokt. Betwist wordt dan ook dat sprake is geweest van het organiseren van een illegale gokactiviteit in het gebouw waardoor in strijd met artikel 1 van de Wok is gehandeld.

Voorts kan verweerder de bevoegdheid ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet (Gw) uitsluitend aanwenden indien onverwijld ingrijpen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid noodzakelijk zou zijn. Betwist wordt dat daarvan sprake was.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het proces-verbaal van de politie van 4 mei 2020 blijkt dat de politie voordat zij het pand betraden al een sterk vermoeden hadden dat er sprake was van een illegale gokactiviteit. Er werden rondom het gebouw mensen aangetroffen met grote hoeveelheden contact geld en pokerfiches op zak. Dat vermoeden deed de politie besluiten het pand binnen te treden. In het pand werd het vermoeden van de politie bevestigd. Hiermee is voldoende komen vast te staan dat sprake was van een overtreding van artikel 1 van de Wok. Daarnaast is de sluiting van het gebouw niet gebaseerd op artikel 174 van de Gw, aangezien artikel 2:75A van de APV een op zichzelf staande bevoegdheid betreft.

6.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op basis van de bevindingen van de verbalisanten zoals opgenomen in het proces-verbaal van 4 mei 2020 aannemelijk mogen achten dat sprake was van een illegale gokactiviteit in het gebouw, waardoor is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wok. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 2:75A van de APV bevoegd was sluiting van het gebouw te bevelen. Dit betreft een op zichzelf staande bevoegdheid,2 zodat niet aan artikel 174 van de Gw behoeft te worden getoetst. Het betoog slaagt niet.

7.1

Verzoekster betoogt dat verweerder haar in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze in te dienen. Er was geen sprake van vereiste spoed die zich daartegen verzette.

7.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster op grond van artikel 4:11, onder a, van de Awb niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken, omdat de vereiste spoed van de uitvoering van de last zich daartegen verzette. De strafbare feiten die zich hebben voorgaan maakten dat sprake was van een ernstige dreiging van de openbare orde.

7.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vereiste spoed van de uitvoering van het bestreden besluit zich ertegen verzette om verzoekster in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen alvorens tot sluiting van het gebouw over te gaan. Daarbij acht de voorzieningenrechter de hoeveelheid aangetroffen personen alsmede de grote bedragen waarmee werd gegokt van belang. Verweerder heeft dienaangaande ter zitting aangegeven dat meerdere personen zijn aangetroffen die meer dan € 1.000,- aan contact geld bij zich droegen. Het betoog slaagt niet.

8.1

Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zij voert daartoe aan het doel van het toepassen van bestuursdwang is om een einde te maken aan een ongewenste situatie. Van een ongewenste situatie was in dit geval geen sprake. Als daarvan al sprake zou zijn geweest, is die reeds beëindigd, omdat verzoekster de huurovereenkomst met de huurder heeft beëindigd. Het doel van de bestuursdwang kan dan ook niet (meer) worden bereikt met de sluiting van het gebouw. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het gebouw voor de duur van zes maanden wordt gesloten. In artikel 2:75A van de APV niet opgenomen voor welke duur een gebouw kan worden gesloten als sprake is van een overtreding van artikel 1 van de Wok. Tevens is niet opgenomen welk handhavingsarrangement wordt gehanteerd, in welke gevallen kan worden volstaan met het geven van een waarschuwing en welke feiten en omstandigheden worden betrokken bij de beoordeling. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom is bevolen tot gehele sluiting van het gebouw. Een deel van het gebouw wordt door verzoekster gebruikt als werkplaats en wordt niet verhuurd. Deze werkplaats is door middel van een scheidingsmuur afgesloten van de ruimte die werd verhuurd en waarin de illegale gokactiviteit zou hebben plaatsgevonden.

8.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de sluiting van het gebouw niet alleen tot doel heeft de overtreding te staken, maar ook het herstellen van de openbare orde, het gebruik en de bekendheid van het gebouw waar strafbare feiten worden gepleegd te doorbreken, de negatieve effecten van illegale gokactiviteiten in de omgeving van het perceel te herstellen en verdere nadelige effecten op het openbare leven en andere lokale omstandigheden ongedaan te maken. Verweerder acht een sluiting van zes maanden noodzakelijk om dit doel te bereiken. Omdat er geen specifieke handhavingsmatrix is opgesteld ten behoeve van artikel 2:75A van de APV, heeft verweerder ervoor gekozen aan te sluiten bij het Damoclesbeleid Haarlemmermeer 2019 (het Damoclesbeleid), waarin is aangegeven dat verweerder lokalen bij een eerste overtreding maximaal voor de duur van zes maanden mag sluiten. Ten aanzien van de gehele sluiting van het gebouw stelt verweerder zich op het standpunt dat het pand ten tijde van het bestreden besluit uit één geheel bestond. Het werkplaatsgedeelte en het showroomgedeelte waren met elkaar verbonden. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding het bestreden besluit in te trekken voor zover dat ziet op het werkplaatsgedeelte in het pand.

8.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de sluiting van het gebouw noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde en veiligheid in de omgeving van het perceel. Voorts heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen bevelen tot sluiting van het gehele gebouw. Het gebouw bestond ten tijde van het bestreden besluit immers uit één geheel en heeft één huisnummer. Dat het werkplaatsgedeelte en het showroomgedeelte afzonderlijk van elkaar worden verhuurd doet daar niet aan af, aangezien de twee ruimtes ten tijde van het bestreden besluit onderling toegankelijk waren.

Verweerder heeft echter naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd waarom ervoor is gekozen om het gebouw voor de duur van zes maanden te sluiten. De enkele toelichting dat vanwege het ontbreken van een specifieke handhavingsmatrix ten behoeve van artikel 2:75A van de APV voor het bepalen van de duur van de sluiting is aangesloten bij het Damoclesbeleid van verweerder acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Niet duidelijk is immers waarom verweerder er in dit geval voor heeft gekozen de maximale sluitingsduur die volgens het Damoclesbeleid bij een eerste overtreding van de Opiumwet kan worden opgelegd te hanteren, en niet kan worden volstaan met een sluiting van minder lange duur. Daarbij ontbreekt het in het besluit aan een vergelijking tussen enerzijds drugsoverlast en anderzijds de overlast van illegaal gokken, terwijl die vergelijking kennelijk wel wordt gemaakt. Ook is geen vergelijking gemaakt tussen de onderhavige overtreding en andere vergelijkbare overtredingen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat verweerder dit motiveringsgebrek kan herstellen in bezwaar, ziet de voorzieningenrechter hierin gelet op het belang van verzoeker aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

9.1

Verzoekster betoogt dat sluiting van het gebouw onevenredig is. Zij voert daartoe aan dat zij geen enige wetenschap en/of betrokkenheid heeft gehad bij enige illegale gokactiviteiten in het gebouw. Als eigenaar van het gebouw heeft zij zich regelmatig geïnformeerd over het gebruik van het gebouw door de huurder. Het gebouw werd conform de afspraken in de huurovereenkomst gebruik. Enige gokactiviteit is nimmer door verzoekster geconstateerd. Voor zover sprake is van een overtreding van de Wok, kan verzoekster hiervan redelijkerwijs geen verwijt worden gemaakt. De sluiting van het gebouw heeft voor verzoekster grote financiële gevolgen, nu zij het gebouw niet aan derden kan verhuren en daardoor geen huurpenningen ontvangt.

9.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het voor de toepassing van artikel 2:75A van de APV niet relevant is of verzoekster betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten, of dat haar daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. Het doel van de sluiting is niet om verzoekster een straf op te leggen, maar is gericht op het herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht door feiten en omstandigheden die in het gebouw plaatsvinden. De schuldvraag is daarbij niet van belang.

9.3

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, volgt dat in het kader van sluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet de vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding worden gemaakt, aan de orde kan komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruikt heeft kunnen maken.

9.4

De voorzieningenrechter acht de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling in dit geval analoog van toepassing. Dit betekent dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door verzoekster gestelde onwetendheid van illegale gokactiviteiten in het gebouw voor verweerder geen reden is om de duur van de sluiting te verkorten of van sluiting af te zien. Verweerder kan ook dit gebrek in de beslissing op bezwaar herstellen. Evenwel is ook hierin een reden gelegen het besluit te schorsen.

10. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het besluit schorsen. Alles afwegende, de ernst van de aannemelijk gemaakte overtreding in het nadeel van verzoekster en de onzekerheden over de motivering in het voordeel van verzoekster meewegend, zal de voorzieningenrechter bepalen dat die schorsing zal ingaan op het moment dat het pand twee maanden gesloten is, en dus op 4 juli 2020.

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit van 4 mei 2020 per 4 juli 2020 tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het bestreden besluit van 4 mei 2020 per 4 juli 2020 tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Maarleveld, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Algemene Plaatselijke Verordening 2019 – 1e wijziging.

2 Vergelijk ECLI:NL:RVS:2017:2786 en ECLI:NL:RVS:2018:3439.