Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4736

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
15/023116-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden voor de opzettelijke invoer van 3727,9 gram cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/023116-20 (P)

Uitspraakdatum: 30 juni 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 juni 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

thans gedetineerd in de [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T. Fikkers en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd op 16 juni 2020;

- een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (pagina 30 e.v.);

- een schriftelijk bescheid (los opgenomen, laboratoriumnummer 1074 X 20), inhoudende een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering. Dit geschrift houdt in het rapport van het Douane Laboratorium, opgemaakt op 29 januari 2020.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 26 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte was in Suriname en werd daar ziek. Zij heeft toen geld geleend van een man voor haar ticket terug naar Nederland. Als tegenprestatie zou verdachte eten koken voor een grote groep mensen ter gelegenheid van de verjaardag van die man. Vlak daarna heeft de man aangegeven dat het feest niet door ging en dat verdachte als tegenprestatie voor de geldlening drugs mee moest nemen naar Nederland. De man heeft verdachte en haar familie hierbij bedreigd.

Door de detentie en de maatregelen die zijn getroffen omtrent het Corona-virus heeft verdachte nauwelijks contact met haar familie. Ook lopen de schulden van verdachte op tijdens haar detentie. Verdachte heeft een hulpbehoevende zoon in Nederland die de huur van de woning, waarin zij beiden normaliter verblijven, niet in zijn eentje kan betalen. Verdachte wil zo snel mogelijk weer aan het werk zodat zij haar schulden kan afbetalen.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 3727,9 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel.

De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van ook (zeer) zware criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. Voorts plegen gebruikers van cocaïne niet zelden strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel slechts een gevangenisstraf van aanzienlijke duur in aanmerking.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 12 maart 2020.
Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de door en namens verdachte ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. De rechtbank ziet in deze omstandigheden echter geen aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf, die in overeenstemming is met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarbij gelet op de door verdachte ingevoerde hoeveelheid een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 tot 36 maanden uitgangspunt is. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,

mr. K.I. de Jong en mr. G.D. Kleijne, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Winter,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2020.