Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4727

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
23/0017726-17 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

TUL ex artikel 6:6:21 Sv. Beslissing na voorwaardelijke veroordeling (door Hof). Rechtbank bevoegd met inwerkingtreding van de WET USB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Enkelvoudige kamer

Parketnummer: 23/0017726-17 (15/800012-17)

Uitspraakdatum: 29 juni 2020

Niet verschenen (gemachtigd advocaat)

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling (ex artikel 6:6:21 Sv)

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juni 2020 in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]

,

hierna: de veroordeelde.

1 Veroordeling

Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2018 is de veroordeelde wegens diverse strafbare feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

Ten aanzien van deze straf is het bevel is gegeven dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. Dit kan als de veroordeelde vóór het einde van de op twee jaren vastgestelde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Een andere grond kan zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd de bij het arrest gestelde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd, te weten (kort samengevat) een meldplicht bij de reclassering, het verlenen van medewerking aan een diagnostisch onderzoek en een eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling, en het zich melden op het voor hem ingeplande intakegesprek bij de GGZ.

Na een door de veroordeelde ingesteld beroep in cassatie, is dit arrest op 2 april 2019 onherroepelijk geworden. De proeftijd is op diezelfde datum ingegaan.

2 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

Het Openbaar Ministerie heeft bij schriftelijke vordering van 22 mei 2020 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2018 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op de grond dat de veroordeelde de aan die voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

3 Procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 29 juni 2020.

De veroordeelde is – hoewel hij blijkens de mededelingen van zijn gemachtigd advocaat op de hoogte is van de zitting – niet verschenen. Namens de veroordeelde is verschenen mr. M.F.M. Ortner, advocaat te Maastricht (waarnemend voor mr. D.M. Penn), die heeft verklaard door de veroordeelde uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van het woord.

Voorts was op de terechtzitting aanwezig de officier van justitie mr. J.M. Lengers.

4 Advies van de reclassering

Het Openbaar Ministerie heeft de vordering gebaseerd op het reclasseringsadvies van 8 mei 2020 genaamd “Advies aan opdrachtgever toezicht, Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf”. In deze rapportage staat vermeld dat de veroordeelde slechts een enkele keer op de meldplichtgesprekken is verschenen. Daarna reageerde hij niet meer. Vanaf het begin van het toezicht heeft de veroordeelde aan de reclassering laten weten dat hij geen problemen heeft en dat hij het niet nodig vindt om in behandeling te gaan voor zijn psychische problematiek. Volgens de veroordeelde ‘heeft hij niets aan de reclassering’ en ‘heeft hij geen belangstelling voor gesprekken met de reclassering’.

De reclassering acht het voortzetten van het toezicht onder deze omstandigheden niet zinvol. Primair adviseert de reclassering om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk stafdeel, nu de veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan het toezicht. Subsidiair geeft de reclassering de rechtbank in overweging het toezicht stop te zetten en de veroordeelde een ‘kaal’ voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

4 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering.

5 Standpunt van de veroordeelde

De advocaat van de veroordeelde heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen en dat de bijzondere voorwaarden dienen te worden geschrapt. Daartoe heeft de advocaat naar voren gebracht dat de veroordeelde zijn leven thans goed op de rit heeft en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf dit ernstig zal doorkruisen. De veroordeelde heeft een woning, heeft zijn schulden onder controle, en houdt zich met name bezig met trainen. Een reclasseringstoezicht voegt niets toe.

Subsidiair heeft de advocaat verzocht om bij een eventuele last tot tenuitvoerlegging er rekening mee te houden dat in de openstaande strafzaak – die op 30 juni 2020 in hoger beroep dient – in eerste aanleg de tenuitvoerlegging is gelast van reeds zes weken van de drie maanden gevangenisstraf, ook al is die beslissing thans nog niet onherroepelijk.

6 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij – met inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 – bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat het Openbaar Ministerie daarin ontvankelijk is.

Als uitgangspunt geldt dat een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf of maatregel dient te worden toegewezen wanneer de voorwaarden die aan die straf of maatregel zijn verbonden, door de veroordeelde worden overtreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit vanuit een oogpunt van normhandhaving en handhaving van rechterlijke beslissingen.

Uit het reclasseringsadvies blijkt genoegzaam dat de veroordeelde geen gehoor heeft gegeven aan de hem opgelegde meldplicht en ook overigens geen medewerking wil verlenen aan het reclasseringstoezicht. Er is dus sprake van een overtreding van de bijzondere voorwaarden.

Overeenkomstig het geformuleerde uitgangspunt en gelet op het bepaalde in artikel 6:6:21 Sv zal de rechtbank, als passende reactie hierop, de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden (met aftrek) gelasten. In het betoog van de advocaat van de veroordeelde ziet de rechtbank geen reden om tot een andere beslissing te komen. Van bijzondere omstandigheden is niet gebleken.

Integendeel, de veroordeelde is in de hoofdzaak in eerste aanleg veroordeeld tot een deels (on)voorwaardelijke gevangenisstraf. In hoger beroep, bij eerdergenoemd arrest, is de veroordeelde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. De strafmotivering van het gerechtshof houdt onder meer in:

“De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt mede in het licht van de recidive van de verdachte in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof zal daartoe in dit bijzondere geval evenwel niet overgaan. Daartoe is het volgende redengevend.

(…)

Daarom zal het hof de op te leggen gevangenisstraf in de onderhavige zaak in voorwaardelijke vorm opleggen en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden koppelen. De verdachte wordt zo een laatste kans gegund om via deze weg – en met de nodige hulp – zijn leven blijvend ten goede te keren.”

De veroordeelde heeft beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest. Na het onherroepelijk worden van het arrest en het ingaan van de proeftijd, heeft hij zich niet gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Uit het strafblad van de verdachte blijkt voorts dat sprake is geweest van een nieuw politie- en justitiecontact. Aldus heeft de veroordeelde de hem geboden laatste kans niet gegrepen.

7 Beslissing

De rechtbank:

Gelast dat de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 september 2018 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 23/001726-17 (15/800012-17), ten uitvoer wordt gelegd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door

mr. S. Jongeling, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Graag, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 juni 2020.