Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4658

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3008
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

afwijzing aanvraag bijstand - toewijzing verzoek om voorlopige voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/3008

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats 1] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Benayad),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder

(gemachtigden: mr. E.A. Willems en G. Canli).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen en de verstrekte voorschotten (€ 1.400,-) van verzoekster teruggevorderd.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de zitting met gebruikmaking van tweezijdige elektronische communicatiemiddelen plaatsgevonden. Verzoekster en haar gemachtigde hebben deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens heeft deelgenomen [tolk] (tolk Grieks).

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekster is kok. Zij had tot mei 2017 een restaurant in Amsterdam ( [restaurant] ). Dat heeft zij van de hand moeten doen vanwege medische problemen. De koopprijs, € 50.000, is in gedeelten aan verzoekster uitbetaald, tot en met mei 2019. Die bedragen heeft verzoekster (deels) gebruikt om haar schulden in Griekenland af te lossen. Verzoekster huurt sinds maart 2018 een kamer in een woning die eigendom is van [naam] , die met zijn gezin in [woonplaats 2] woonachtig is.

3. Verzoekster heeft op 17 april 2019 een aanvraag om bijstand ingediend bij verweerder. Naar aanleiding daarvan heeft op 24 juli 2019 een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij [naam] het woord deed, omdat verzoekster geen Nederlands spreekt.

4. [naam] heeft in januari 2020 namens verzoekster om een voorschot verzocht. Verweerder heeft naar aanleiding daarvan een voorschot van € 1.000,- verstrekt. Verzoekster is vervolgens opnieuw uitgenodigd voor een gesprek. De uitnodiging is persoonlijk langsgebracht door de casemanager, die in de woonkamer een halfnaakte man zag, die zij als [naam] heeft herkend. Op 14 februari 2020 heeft een gesprek met verzoekster en [naam] plaatsgehad. Naast de casemanager is een toezichthouder bij het gesprek aanwezig. [naam] reageerde geprikkeld op vragen over zijn aanwezigheid in de woning; hij heeft ontkent dat hij het was. Verweerder heeft vervolgens besloten het gesprek op een later moment voort te zetten met verzoekster, in aanwezigheid van een tolk Grieks. Dat gesprek heeft plaatsvonden op 10 maart 2020. Het heeft echter zo veel tijd gekost om verzoekster voorlichting over de Pw te geven dat er geen tijd meer resteerde om de woon- en leefsituatie te bespreken. Er zou een nieuwe afspraak gemaakt worden, maar dat is door de maatregelen rondom het coronavirus niet meer gebeurd. Het onderzoek is opgeschort. Wel zijn nog een tweetal voorschotten van € 200,- verstrekt.

5. Verzoekster heeft verweerder op 18 mei 2020 in gebreke gesteld. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens afgewezen, omdat de woon- en leefsituatie van verzoekster onvoldoende duidelijk is en het recht op bijstand daarom niet kan worden vastgesteld.

6. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij door het ontbreken van inkomsten niet meer kan rondkomen en dat zij heeft geleefd van leningen en toeslagen. Zij stelt dat zij een huurschuld heeft en dat het geduld van de verhuurder begint op te raken. Verzoekster heeft verder aangevoerd dat verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft verricht en haar aanvraag ten onrechte is afgewezen.

7. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat de aanvraag van verzoekster onvoldoende voortvarend is behandeld door verweerder. De aanvraag dateert immers al van april 2019 en tussen september 2019 en januari 2020 heeft de behandeling geheel stil gelegen. Eerst nadat verzoekster om voorschotten verzocht, heeft verweerder het onderzoek weer voortgezet.

8. Het bestreden besluit is voorts, zoals verweerder ter zitting heeft erkend, genomen op basis van onvolledig onderzoek en als gevolg daarvan onzorgvuldig voorbereid. Zoals ter zitting is besproken kan niet worden uitgeweken naar de weigeringsgrond dat het recht niet kan worden vastgesteld als er door onvolledig onderzoek onduidelijkheid is over de woonsituatie. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat de omstandigheid dat verweerder een dwangsom zou verbeuren indien niet binnen de termijn van twee weken een besluit op de aanvraag zou worden genomen, niet betekent dat verweerder niet meer gehouden zou zijn zorgvuldig onderzoek te verrichten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit in de procedure naar verwachting geen stand zal kunnen houden, in iedere geval niet in deze vorm. Verweerder zal de bezwaarprocedure kunnen benutten door nader onderzoek te verrichten. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder het onderzoek nu wel voortvarend ter hand zal nemen.

9. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van voortzetting van de voorschotten. Met betrekking tot de hoogte van de te verlenen voorschotten overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

10. Verzoekster heeft naar aanleiding van de bereidverklaring van verweerder om maandelijks een voorschot van € 200,- te verstrekken ter zitting verklaard dat dit te weinig is om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zij op grond van haar huurcontract wel degelijk verplicht is tot het betalen van huur. Verzoekster heeft verder verklaard dat [naam] de huurbetalingen pas weer zal eisen op het moment dat zij weer inkomen heeft en er nog geen huisuitzetting dreigt.

11. Nu vaststaat dat verzoekster al ruim een jaar geen huur heeft betaald aan [naam] en er geen huisuitzetting dreigt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor de overbrugging van de periode totdat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen geen rekening gehouden behoeft te worden met de huurbetalingsverplichting. De voorzieningenrechter zal de door verweerder te betalen voorschotten dan ook op € 200,- per maand bepalen.

12. De voorzieningenrechter gaat er overigens van uit dat verweerder hangende de bezwaarprocedure geen invorderingsmaatregelen zal nemen met betrekking tot de teruggevorderde voorschotten.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,-).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder met ingang van 4 juni 2020 verzoekster voorschotten zal verstrekken van € 200,- per maand, totdat de beslissing op bezwaar is genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 26 juni 2020 door mr. L. Boonstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.