Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4657

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3124
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering uitkering ziektewet - geen werknemer

Wetsverwijzingen
Ziektewet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/3124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.M.G. van Nieuwburg).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de zitting met gebruikmaking van tweezijdige elektronische communicatiemiddelen plaatsgevonden. Eiser heeft telefonisch deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Blijkens de arbeidsovereenkomst is eiser met ingang van 16 maart 2017 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de eenmanszaak van zijn zoon, [bedrijf] , in de functie van klusjesman. De salarisspecificaties van eiser vermelden als datum in dienst 1 mei 2017.

2. Eiser heeft zich bij verweerder ziekgemeld per 1 januari 2019.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit geweigerd aan eiser een ziektewetuitkering toe te kennen, omdat eiser geen uitkering op grond van de werkloosheidswet ontvangt en er geen verzekeringsplicht voor de ZW is.

4. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft verweerder ongegrond verklaard, omdat uit een onderzoek naar de verzekeringsplicht van eiser is gebleken dat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat de familierelatie overheerst. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit aangesloten bij het onderzoek dat is verricht en waarbij eisers werkgever heeft verklaard dat er geen andere werknemer zal worden aangetrokken wanneer de arbeidsrelatie met eiser zou worden verbroken en waarbij werkgever en eiser beiden verklaren dat eiser de vrijheid had om, wanneer hij dat wilde, zonder bericht weg te blijven, later te komen en eerder weg te gaan. Volgens verweerder is eiser daarom niet verzekerd voor de Ziektewet, zodat terecht is besloten aan eiser geen ziektewetuitkering toe te kennen.

5. Eiser heeft er in beroep op gewezen dat hij voor 2018 verzekerd was, nu de premie, op advies van verweerder, met terugwerkende kracht is betaald. Verder heeft eiser aangevoerd dat ondanks de familierelatie sprake is van een gezagsverhouding en van sociale verzekeringsplicht. Er is volgens eiser immers een arbeidsovereenkomst, zoals bij een normale arbeidsverhouding, waarin afspraken zijn gemaakt over loon, werkzaamheden en werktijden.

6. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3, eerste lid, van de Ziektewet, voor zover van belang, de werknemer is de natuurlijke persoon die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.

7. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking zijn voldaan aan drie voorwaarden, te weten de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, een gezagsverhouding en de verplichting tot loonbetaling. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en daaraan inhoud hebben gegeven.

8. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid en een verplichting tot betaling van loon. Zij verschillen van mening over de vraag of sprake was van een gezagsverhouding.

9. In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3386) is overwogen dat de Raad anders dan in het verleden niet langer tot uitgangspunt neemt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen ouder en kind in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste arbeidsverhouding. Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in een arbeidsrelatie tussen ouder en kind geen sprake kan zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld. Ook bij een dergelijke arbeidsverhouding geldt als maatstaf voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling.

10. Nu eiser een aanvraag heeft ingediend om in aanmerking te komen voor een ziektewetuitkering, ligt het in beginsel op zijn weg om aan de hand van objectieve en controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij recht op een uitkering heeft.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen eiser en de werkgever. Verweerder heeft daarbij terecht betekenis toegekend aan de verklaring van de werkgever dat er geen andere werknemer zal worden aangetrokken wanneer de arbeidsrelatie met eiser zou worden verbroken. De rechtsverhouding werd in zwaarwegende mate bepaald door de familierelatie. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat zowel eiser als zijn werkgever op de vragenformulieren hebben aangegeven dat eiser de vrijheid had om, wanneer hij dat wilde, weg te blijven, later te komen en eerder weg te gaan, maar ook uit de verklaring van eiser bij gelegenheid van de hoorzitting dat een andere werkgever hem nooit in dienst zou hebben genomen gelet op zijn beperkingen. Hij kon bij zijn zoon werken omdat die rekening hield met zijn beperkingen, hij mocht zijn werk in eigen tempo doen, er werd niet veel druk op eiser gelegd en eiser mocht vanwege moeheid meer pauzes nemen. Niet kan dus worden gesteld dat eiser gelijk wordt behandeld als andere werknemers.

12. Ter zitting heeft eiser benadrukt dat hij altijd alles in overleg met zijn zoon deed, maar dat leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een gezagsverhouding. Daarvoor is immers van belang of de werkgever bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk en daarvan is niet gebleken.

13. De omstandigheid dat eiser en werkgever een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en (met terugwerkende kracht) premies hebben afgedragen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiser heeft verder ook geen objectieve en controleerbare gegevens aangedragen, waaruit desondanks wel een gezagsverhouding kan worden afgeleid.

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser geen werknemer is geweest in de zin van artikel 3 van de Ziektewet en dus niet verzekerd was. Verweerder heeft eiser daarom terecht geen ziektewetuitkering toegekend.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2020 door mr. L. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.