Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4656

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
15/057113-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld tot jeugddetentie van 12 maanden wegens het opzettelijk in vereniging invoeren van ruim 9 kilogram cocaïne. Toepassing jeugdstrafrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/057113-20

Uitspraakdatum: 23 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 juni 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.P. Visser en van hetgeen verdachte en haar raadsvrouw, mr. N.R. Janszen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 4 maart 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot partiële vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat het medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich – overeenkomstig haar ter terechtzitting overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen. Daartoe heeft de raadsvrouw – in de kern – aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de verdenking van medeplegen. Tevens heeft de raadsvrouw betoogd dat in het voorbereidend onderzoek onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering (Sv) zijn begaan, nu aan verdachte niet op tijd en niet in een voor haar verstaanbare taal de cautie en het recht op verhoorbijstand zijn medegedeeld. Volgens de raadsvrouw moet dit leiden tot bewijsuitsluiting van het door dit verzuim bij de aanhouding verkregen bewijsmateriaal. Voorts heeft zij verzocht het aanvullend onderzoek naar de verdovende middelen van het bewijs uit te sluiten, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de aan het NFI toegezonden monsters aan verdachte kunnen worden toegerekend. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de rechtbank bij een bewezenverklaring uit te gaan van een lager nettogewicht en vanwege onjuistheden in het proces-dossier c.q. vormverzuimen strafvermindering toe te passen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die als bijlage I bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2

Bewijsoverwegingen

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en haar [medeverdachte] op 4 maart 2020 per vliegtuig zijn aangekomen op Schiphol vanuit Lima. In de ruimbagage van zowel verdachte als haar medeverdachte zijn vijf wijnflessen van twee liter aangetroffen, waarin cocaïne was verborgen.

Als uitgangspunt geldt, dat een passagier die per vliegtuig een bagagestuk met zich voert, geacht wordt met de inhoud daarvan bekend te zijn en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering, indien sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat opzet op de invoer, ook in voorwaardelijke zin, ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval van dergelijke bijzondere omstandigheden geen sprake is en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het invoeren van cocaïne – aanwezig is indien verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne in de wijnflessen. Verdachte heeft verklaard dat een kennis haar de opdracht gaf om rode wijn op te halen in Lima en deze mee terug te nemen naar Maleisië. De tickets zijn voor verdachte gekocht. In Lima heeft [medeverdachte] de wijnflessen in de koffer van verdachte ingepakt. Verdachte heeft haar bagage gecontroleerd en zij zag dat er wijnflessen in zaten. Verdachte heeft de flessen verder niet bekeken of gecontroleerd. Met deze koffer is verdachte op Schiphol aangehouden.

Deze feiten en omstandigheden leveren een zo verdachte situatie op, dat het op de weg van verdachte had gelegen om nader onderzoek te doen naar de flessen en de inhoud hiervan op zijn minst goed te controleren. Nu verdachte dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er in de flessen wijn iets illegaals, zoals cocaïne was verborgen – zoals ook het geval bleek te zijn – en dat zij deze stof binnen het grondgebied van Nederland zou brengen.

Ten aanzien van het medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezenverklaard indien vast is komen te staan dat bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde medeplegen het volgende af.

Verdachte verklaart dat zij met een kennis, een man, naar Lima ging en dat zij samen in een hotelkamer verbleven. [medeverdachte] heeft ten overstaan van een douaneambtenaar op Schiphol verklaard dat hij met zijn vriendin (de rechtbank begrijpt: verdachte) op vakantie is geweest in Peru en dat zij beiden hadden verbleven op dezelfde kamer in een hotel in Lima. Uit de verklaring van verdachte en de verklaring van de medeverdachte bij de Koninklijke Marechaussee blijkt dat hun beider tickets zijn gekocht door de man die verdachte de opdracht gaf om de wijnflessen op te halen. Verdachte en haar medeverdachte hebben exact dezelfde reisbewegingen gemaakt. Uit het proces-verbaal van onderzoek paspoort en reisbescheiden blijkt dat de zogenoemde sequence-nummers op hun KLM-instapkaarten overeenkomen. Hiermee kan worden aangetoond dat de vliegtickets achter elkaar zijn geboekt. Daar komt bij dat uit de instapkaarten valt af te leiden dat verdachte en haar medeverdachte op alle vluchten naast elkaar zaten. Verdachte verklaart ook dat de medeverdachte in Lima wijnflessen in ontvangst heeft genomen en flessen in haar koffer heeft gelegd. Zowel verdachte als de medeverdachte had bij de inreis in Nederland vijf wijnflessen met een inhoud van twee liter in de bagage, die deels dezelfde etiketten hadden. In alle tien flessen bleek cocaïne te zijn verborgen.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij verdachte – evenals haar medeverdachte – handelde met het voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne binnen het grondgebied van Nederland.

Uitsluiting van het proces-verbaal van aanhouding van 4 maart 2020 van het bewijs?

De raadsvrouw voert – kort gezegd – aan dat met betrekking tot de cautie, Salduz en verhoorbijstand onherstelbare vormverzuimen zijn begaan, die tot bewijsuitsluiting moeten leiden.

De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk – niet voor herstel vatbaar – vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, zal de rechtbank moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder wordt begrepen de eventuele schade die verdachte in haar verdediging heeft opgelopen.

Uit de dossier valt het volgende op te maken. Verdachte en de medeverdachte zijn bij aankomst op Schiphol beiden bij de gate gecontroleerd. Bij die douanecontrole heeft [verbalisant] verdachte in de Engelse taal enkele vragen gesteld, die zij heeft beantwoord. Tegelijkertijd controleerde [verbalisant] [medeverdachte] en controleerde het kelderteam de ruimbagage van beide verdachten. [verbalisant] ontving (omstreeks 15:40 uur) van het kelderteam de melding dat in de koffer van de medeverdachte vermoedelijk cocaïne was aangetroffen en heeft hierop de medeverdachte aangehouden. [verbalisant] kreeg telefonisch bericht dat de koffer van verdachte meerdere flessen bevatte, waarvan het kelderteam vermoedde dat die verdovende middelen zouden kunnen inhouden. Na de aanhouding van de medeverdachte zijn beide passagiers overgebracht naar een andere gate, voor een nadere inspectie van de koffer van verdachte. Daar aangekomen heeft [verbalisant] verdachte gevraagd of de (door het kelderteam gebrachte) koffer van haar was, waarop zij bevestigend antwoordde. Vervolgens heeft zij de koffer geopend en is de vloeistof uit één van de flessen uit de koffer getest. Toen de uitslag van de test aangaf dat het vermoedelijk cocaïne betrof is verdachte (om 16:10 uur) aangehouden. Op dat moment is haar medegedeeld dat zij niet meer tot antwoorden verplicht was en dat zij recht had op consultatiebijstand.

Gelet op voorgaande sluit de rechtbank niet uit dat er ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld bestond op het moment dat haar, voorafgaande aan haar aanhouding, nog vragen zijn gesteld over haar reis en haar bagage. De rechtbank zal het proces-verbaal van aanhouding daarom niet voor het bewijs gebruiken.

Uitsluiting van het proces-verbaal van verdovende middelen van 4 maart 2020 van het bewijs?

De raadsvrouw voert tevens aan dat – kort gezegd – de rechtbank dient uit te gaan van een lager nettogewicht cocaïne, nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de naar het NFI gezonden monsters aan verdachte zijn toe te rekenen. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. In de koffers van verdachte en [medeverdachte] zijn in totaal tien wijnflessen aangetroffen. De inhoud van alle flessen is getest op de aanwezigheid van cocaïne en iedere fles bleek cocaïne te bevatten – zo bevestigt het rapport van Douane Laboratorium van 11 maart 2020. Uitgaande van een percentage van 40% bij vloeibare cocaïne, zoals zich in deze zaak voordoet, kon het nettogewicht van alle flessen worden vastgesteld. Nu de rechtbank medeplegen heeft bewezen, is verdachte niet enkel verantwoordelijk voor haar eigen hoeveelheid, maar tevens die van haar medeverdachte. Gelet op het voorgaande is het proces-verbaal van verdovende middelen voldoende concreet. De rechtbank verwerpt het verweer.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 4 maart 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zestien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de tijd die zij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen dient te worden gevolgd. Nu een voorwaardelijke straf voor verdachte niet wenselijk is, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank bij veroordeling een lagere onvoorwaardelijke straf op te leggen, rekening te houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met haar medeverdachte ruim negen kilogram cocaïne ingevoerd. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid is zo groot, dat de cocaïne bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 25 mei 2020, opgemaakt door [reclasseringswerker] , werkzaam bij Reclassering Nederland, dat onder meer inhoudt:

Wij adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen. [verdachte] vertoont soms kinderlijker gedrag dan men gezien de leeftijd zou verwachten. Zij wordt kinderlijk vrolijk wanneer een legpuzzel beschikbaar is en gaat hiermee op de grond zitten. "Ze speelt nog", zo merkt de groepsleiding op. Betrokkene toont zich kwetsbaar en gevoelig en roept bij zowel medewerkers van [detentieadres] als bij ondergetekende zorg en bescherming op.

In [detentieadres] toont betrokkene zich in sterke mate ontvankelijk voor sociale, emotionele of praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen. Deze ontvankelijkheid heeft overigens mogelijk ook een rol gespeeld bij het ten laste gelegde. Ze lijkt in sterke mate een groepsgericht leefklimaat nodig te hebben. Terwijl ze in het begin nauwelijks contact maakte, toont ze gaandeweg meer vertrouwen, maakt meer contact en bespreekt dingen. Zij zoekt naar informatie en een stuk bevestiging.

De door [detentieadres] geboden interventies sluiten het meest aan bij betrokkene. Daarnaast achten wij het van betekenis dat zij zich angstig toont wanneer de mogelijkheid wordt besproken dat zij in een P.I. voor volwassenen haar straf zal moeten uitzitten. Mocht na een veroordeling nog een detentiestraf volgen, dan zal zij zich het meest responsief tonen ten opzichte van de huidige begeleiding. De kans op recidivebeperking is hiermee het grootst.

De rechtbank neemt, mede gelet op de indruk die zij ter terechtzitting zelf van de persoon van verdachte heeft gekregen, dit advies over. De rechtbank ziet dan ook, met de verdediging en de officier van justitie, in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding om ten aanzien van haar (middels het adolescentenstrafrecht) het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank acht het op basis van het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk dat de - in voornoemd reclasseringsadvies nog eens benadrukte - kwetsbaarheid en naïviteit van verdachte er mede toe hebben geleid dat zij voor de drugssmokkel werd misbruikt/gebruikt. Hierin ziet de rechtbank bij de straftoemeting eveneens aanleiding af te wijken van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Omwille van de continuïteit van de begeleiding acht de rechtbank het van belang dat de jeugddetentie voor zover mogelijk in [detentieadres] wordt tenuitvoergelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47, 77c, 77g en 77i van het Wetboek van Strafrecht

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

adviseert dat de opgelegde jeugddetentie ten uitvoer zal worden gelegd in [detentieadres] .

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. van Dongen, voorzitter,

mrs. E.L. Grosheide en C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers J.A. Huismans en mr. S. Bähler,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juni 2020.

Mrs. Grosheide en de Jonge van Ellemeet zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.