Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4630

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
03-07-2020
Zaaknummer
19_5380
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW, lat-relatie, geen sprake van duurzaam gescheiden leven

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/5380

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: J.A.H. Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het pensioen van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) omgezet van een pensioen voor alleenstaanden naar een pensioen voor gehuwden.

Bij besluit van 30 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 16 december 2017 een pensioen voor alleenstaanden op grond van de AOW. Op 10 mei 2019 is eiser gehuwd met mevrouw [echtgenote] . Eiser en zijn echtgenote wonen niet samen.

2. Verweerder heeft vanwege het huwelijk het pensioen van eiser omgezet van een alleenstaandenpensioen in een gehuwdenpensioen met ingang van 1 juni 2019. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, omdat niet kan worden gesteld dat eiser een eigen leven leidt alsof er geen huwelijk is.

3.1

Eiser voert aan dat zijn huwelijk op basis van huwelijkse voorwaarden met koude uitsluiting is gesloten en hem dus geen enkel financieel voordeel oplevert. Hij en zijn echtgenote leven duurzaam gescheiden van elkaar en zij voeren ieder een eigen huishouding. Eiser ervaart de verlaging van zijn pensioen dan ook als onrechtvaardig. De rigide norm van gehuwd of ongehuwd is volgens hem onjuist en niet meer van deze tijd. De AOW-uitkering zou volgens eiser moeten worden gebaseerd op het wel of niet voeren van een gezamenlijke huishouding ongeacht de burgerlijke staat, omdat één huishouden met gedeelde vaste lasten voordeliger is dan twee gescheiden huishoudingen.

3.2

Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW, wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd.

3.3

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één van hun gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander was gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Verder is in de rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan en voor elkaar zorg te dragen, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum of datum van het geregistreerd partnerschap van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.1

3.4

Van een uitzonderingssituatie als hiervoor bedoeld is in dit geval geen sprake. Voor dat oordeel is het volgende redengevend. Eiser en zijn echtgenote hebben verklaard al 15 jaar een latrelatie te hebben. Zij hebben altijd separaat gewoond, zijn niet van plan om te gaan samenwonen en hebben gescheiden financiën. Wel hebben zij de sleutel van elkaars woning. Zij zien elkaar één keer per week en koken en eten dan samen en de echtgenote van eiser blijft dan in zijn woning slapen. Ook maken ze samen uitstapjes en gaan ze samen op vakantie. Zij hebben telefonisch en via internet contact. Soms gaan ze gezamenlijk op bezoek of ontvangen bezoek. Zij geven aan zich naar de buitenwereld te presenteren als een echtpaar. Ook ter zitting heeft eiser bevestigd mevrouw [echtgenote] als zijn vrouw voor te stellen. Uit deze feiten en omstandigheden blijkt niet ondubbelzinnig dat eiser en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven, nu zij regelmatig gezamenlijk activiteiten ondernemen en zich ook naar buiten toe als echtpaar presenteren. Gezien deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat eiser en zijn echtgenote een eigen leven leiden als waren zij niet gehuwd. De omstandigheden dat eiser en zijn echtgenote ieder een eigen huishouding voeren en financieel onafhankelijk zijn van elkaar zijn niet doorslaggevend voor een andere conclusie. Ook de omstandigheid dat de belastingdienst de situatie van eiser en zijn echtgenote accepteert, omdat ze apart aangifte kunnen doen, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat de belastingdienst haar eigen regels hanteert en het accepteren dat eiser en zijn echtgenote geen fiscale partners zijn nog niet betekent dat zij duurzaam gescheiden van elkaar leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. De situatie van eiser is vergelijkbaar met die in veel verschillende (recente) uitspraken van de CRvB.2 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser en zijn echtgenote niet duurzaam gescheiden leven van elkaar als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Verweerder heeft het AOW-pensioen van eiser dan ook terecht herzien naar een pensioen voor een gehuwde.

3.5

Dat volgens eiser de regelgeving achterhaald is, neemt niet weg wat nu in de wetgeving is vastgelegd over het huwelijk en het daarmee gelijkgestelde geregistreerde partnerschap. Hier moet de rechtbank aan toetsen. Dat eiser het niet eens is met de geldende wetgeving, is geen omstandigheid die de rechtbank bij de beoordeling kan betrekken.

3.6

Voor zover eiser er ter zitting nog op wijst dat verweerder een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen gehuwden en ongehuwden, oordeelt de rechtbank dat ook dit argument niet tot gegrondverklaring van het beroep kan leiden. Voor dat oordeel is redengevend dat dit geen (volledig) gelijke gevallen zijn, omdat aan het huwelijk bepaalde sociale, persoonlijke en juridische gevolgen zijn verbonden die niet gelden voor ongehuwden. Zo is het uitgangspunt in de wet dat gehuwden, ook als zij niet samenwonen, verplicht zijn om voor elkaar te zorgen. Voor ongehuwden bestaat geen wettelijke zorgplicht.3 De rechtbank verwijst voor een verdere onderbouwing naar een uitspraak in de zaak Burden waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook heeft geoordeeld dat de situatie van gehuwden en ongehuwden niet gelijk is.4

4. Het beroep is ongegrond

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.L. Rogmans, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Voskamp, griffier. De uitspraak is gedaan op 29 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO6231 en 25 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3426.

2 Zoals de uitspraken van 25 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3426, 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172, 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:875, 6 november 2015. Verder kan worden verwezén naar het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1973, ECLI:NL:HR:AX4758.

3 Zie de uitspraken van de CRvB van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:583 en 13 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:172.

4 EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, Burden and Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, NJ 2008/306.