Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4586

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2260
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening + beroep. Last onder dwangsom tot ongedaan maken interne verbouwing, samenvoeging woning en verwijderen dakopbouw, Beroep ongegrond, geen aanleiding voor voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2260

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. A. Jonk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Edam-Volendam, verweerder

(gemachtigde: mr. E.T.A. Boers).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers gelast om - de door hen gerealiseerde interne verbouwingen en samenvoeging van de woningen aan [perceel 1] ongedaan te maken en ongedaan te houden, uiterlijk 3 maanden na verzending van de last, op straffe van een dwangsom van € 20.000,- ineens;

- de dakopbouw te verwijderen en verwijderd te houden en het dak van het bouwwerk uiterlijk 3 maanden na verzending van de last in overeenstemming te brengen met de bouwtekeningen die behoren bij de omgevingsvergunning [#] , op straffe van een dwangsom van € 50.000,- ineens.

Bij besluit van 11 december 2019 (het eerste verlengingsbesluit) heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 1 april 2020 en bij besluit van 11 maart 2020 is die termijn verlengd tot 1 juni 2020.

Bij besluit van 11 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoekers tegen het primaire besluit en het eerste verlengingsbesluit ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (zaak met registratienummer HAA 20-2261). Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot enkele dagen nadat uitspraak is gedaan op het verzoek voorlopige voorziening.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 9 juni 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Indien na afloop van de zitting de voorzieningenrechter tot de conclusie komt dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak (het beroep). Verzoekers hebben gesteld dat de voorzieningenrechter geen gebruik zou moeten maken van deze bevoegdheid, omdat eerst andere lopende trajecten afgewacht zouden moeten worden, alvorens op het beroep te beslissen. De voorzieningenrechter volgt verzoekers daarin niet, omdat niet gebleken is dat er nog andere (relevante) procedures lopen op dit moment. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1

Verweerder heeft op 15 september 2014 aan verzoekers een omgevingsvergunning verleend voor het slopen en nieuw bouwen van twee woningen en een winkel op het perceel [perceel 1] . Op 20 november 2014 heeft verweerder een revisietekening goedgekeurd, die daarmee deel is gaan uitmaken van de omgevingsvergunning. Op de tekening staan twee geheel van elkaar gescheiden appartementen, die geen gedeelde ruimten hebben.

2.2

Op 19 januari 2015 hebben verzoekers een omgevingsvergunning aangevraagd voor een inmiddels gerealiseerde dakopbouw op de locatie [perceel 1] . Deze dakopbouw is gesitueerd tussen de kappen van de twee appartementen op de tweede bouwlaag. Verweerder heeft de aanvraag geweigerd. Op 14 augustus 2015 heeft verweerder aan verzoekers een vooraankondiging last onder dwangsom gestuurd, vanwege het bouwen van de dakopbouw en het samenvoegen van de woningen zonder omgevingsvergunning.

2.3

Tussen partijen is in oktober 2015 een minnelijk traject gestart, om tot een oplossing te komen zodat de dakopbouw mogelijk niet verwijderd zou hoeven worden. Dit heeft niet geleid tot een voor verzoekers positief resultaat.

2.4

Verweerder heeft op 7 april 2016 een vergunning van rechtswege verleend, naar aanleiding van een aanvraag om aanpassing van de dakkappellen aan de buitenkant van het gebouw en een gewijzigde interne indeling.

2.5

Bij uitspraak van 24 mei 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het door verzoekers ingestelde hoger beroep tegen de weigering van de onder 2.2 bedoelde omgevingsvergunning (voor het bouwen van een dakopbouw) ongegrond verklaard.

2.6

Een toezichthouder heeft op 18 oktober 2018 geconstateerd dat gebouwd is in afwijking van de omgevingsvergunningen en dat een dakopbouw is gebouwd zonder de benodigde vergunning. Vervolgens heeft verweerder aan verzoekers het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekers hebben op 8 juli 2019 hun zienswijze naar voren gebracht, waarna verweerder het primaire besluit heeft genomen.

2.7

Onder verwijzing naar het advies van 10 februari 2020 van de adviescommissie, heeft verweerder de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.

3. Verzoekers hebben beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die neerkomt op schorsing van de last onder dwangsom totdat op het beroep is beslist. De gronden worden hierna besproken.

4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.1

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.2

Verweerder legt aan de besluitvorming ten eerste ten grondslag dat de dakopbouw zonder de benodigde omgevingsvergunning is gerealiseerd. Ten tweede betoogt verweerder dat de huidige indeling van het gebouw afwijkt van de verleende vergunning en bijhorende tekeningen, alsmede dat voor de gerealiseerde interne verbouwing een omgevingsvergunning vereist is. Aan verzoekers is een dergelijke vergunning niet verleend. Ten derde stelt verweerder zich op het standpunt dat de twee vergunde woningen zijn samengevoegd tot één en dat ook daarvoor een omgevingsvergunning nodig is die nu ontbreekt. Verzoekers hebben dit op zichzelf niet betwist. Daarmee staan de overtredingen vast. Dit betekent dat op verweerder in beginsel de verplichting rust om handhavend op te treden.

4.3

De vraag die nu voorligt is of verweerder van handhaving had moeten afzien, omdat concreet zicht op legalisering bestaat. Voor de dakopbouw moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Immers, met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2017 is de weigering van de in 2014 gevraagde omgevingsvergunning voor de dakopbouw in stand gebleven en rechtens onaantastbaar geworden. Een (nieuwe) vergunningsaanvraag voor een dakopbouw in aangepaste vorm of voor dakkapellen in plaats van de dakopbouw is niet ingediend door verzoekers.

Voor de interne verbouwing en de samenvoeging van de woningen geldt dat verweerder op basis van artikel 8 van de algemene afwijkingsregels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan de bevoegdheid heeft om van de planregels af te wijken. Zoals verweerder daarover in het primaire besluit al terecht opmerkte, moeten verzoekers daarvoor een omgevingsvergunning aanvragen. Tot nu toe hebben zij dat niet gedaan. Zij hebben op 20 februari 2020 een conceptaanvraag ingediend, maar daarop heeft verweerder bij brief van 14 mei 2020 afwijzend gereageerd. Verweerder heeft verzoekers daarbij laten weten negatief tegenover het verzoek te staan. Op 3 juni 2020 hebben verzoekers een tweede conceptaanvraag ingediend. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat verweerder ook daar negatief tegenover staat.
Verder is van belang dat verzoekers tot nu toe hebben volstaan met het indienen van conceptaanvragen die strekken tot vooroverleg en tot nu toe geen formele, complete en ontvankelijke vergunningsaanvragen hebben ingediend voor de interne verbouwing en de samenvoeging van de woningen. Dit betekent dat ook hiervoor geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

4.4

Ook andere bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding zouden moeten zijn om van handhaving af te zien, zijn niet gebleken. Verzoekers wijzen op het minnelijke traject dat is gestart in oktober 2015. Aanvankelijk stelden zij dat dit traject nog niet tot een einde was gekomen, omdat zij nooit van verweerder een (schriftelijk) bericht hebben ontvangen dat dit traject was afgerond, maar ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard dat zij nu wel inzien dat het minnelijke traject niet langer gaande was. In dat traject had verweerder dus geen aanleiding hoeven zien om niet tot handhaving over te gaan.

Verder stellen verzoekers dat verweerder na de zitting in hoger beroep van inzicht is gewijzigd over de uitgangspunten van de gemeentelijke erfgoedverordening en het geldende bestemmingsplan. Dit nieuwe perspectief moet volgens hen ook een rol spelen bij de afweging in de onderhavige besluitvorming. Verzoekers verwijzen in dit verband naar de verleende vergunning van [perceel 2] , die is gepubliceerd 11 dagen na de zitting in hoger beroep. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet. Beide panden vallen weliswaar onder hetzelfde bestemmingplan, te weten het bestemmingsplan “Europaplein/Zeestraat”, maar op het pand aan de [perceel 1] rust de bestemming ‘Centrum’ en op het pand aan de [perceel 2] de bestemming ‘Wonen’. In het bestemmingsplan zijn voor beide bestemmingen afzonderlijke regels opgenomen en dus gelden te aanzien van de panden verschillende regels. Daarbij heeft verweerder gesteld dat bij het pand aan de [perceel 2] geen sprake was van een dakopbouw en dat bij de [perceel 2] , anders dan bij de [perceel 1] , de welstandscommissie positief had geadviseerd. Dat hebben verzoekers niet bestreden. Nu geen sprake is van gelijke gevallen kan niet gesteld worden dat sprake is van een gewijzigd inzicht en kan daar evenmin een beroep op worden gedaan.

4.5

Verzoekers brengen daarnaast naar voren dat naleving van het besluit leidt tot onomkeerbare gevolgen en hen op (mogelijk onnodige) kosten zal jagen. Voor zover verzoekers daarmee hebben willen betogen dat zij door handhaving onevenredig in hun belangen worden geschaad, geldt dat zij daarin niet kunnen worden gevolgd. Immers, verzoekers wisten of hadden sinds de verleende vergunningen kunnen weten wat zij ter plekke mochten realiseren. De afwijking van de verleende vergunningen moet daarom voor hun rekening en risico komen. Dit geldt te meer nu verweerder voor de dakopbouw al in 2015 een vooraankondiging tot handhaving aan verzoekers heeft verzonden. Bovendien heeft verweerder in het primaire besluit het belang van verzoekers afgewogen tegen het algemene belang en dat laatste zwaarder laten wegen. Verweerder kan daarin worden gevolgd.

5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht aan verzoekers een last onder dwangsom heeft opgelegd en deze bij het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Het beroep is dan ook ongegrond. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening is onder die omstandigheden geen plaats. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Dat geldt voor zowel het beroep als de voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2020 door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.