Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4565

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
C/15/301243 / HA ZA 20-199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering te gelde maken gemeenschappelijk goed (art. 3:174 lid 1 BW) ingediend bij de kantonrechter. Die verklaart zich onbevoegd en verwijst naar de handelskamer. Daar wordt geoordeeld dat de dagvaarding van DeGoedkoopsteDagvaarding.nl niet alleen slecht is, maar ook onjuist; dit had een verzoekschriftprocedure moeten zijn. Wisselbepaling art. 69 Rv. toegepast en vervolgens mondelinge behandeling gelast, ondanks feit dat eiseres/verzoekster nog niet is verschenen bij advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/301243 / HA ZA 20-199

Vonnis van 24 juni 2020

in de zaak van

[W] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

niet verschenen,

tegen

[S] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Schmidt te Schagen.

Partijen zullen hierna “[W]” en “[S]” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verwijzingsvonnis van 4 maart 2020 van de kantonrechter van rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar.
Mr. Schmidt heeft zich daarna namens [S] in deze procedure gesteld. Namens [W] heeft zich geen advocaat gemeld. Vervolgens heeft mr. Schmidt de rechtbank verzocht vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, die op enig moment is geformaliseerd in een geregistreerd partnerschap. De relatie van partijen is begin 2007 beëindigd.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning [adres] (hierna: de woning).

2.3.

De woning is bezwaard met een hypothecaire geldlening. Partijen hebben zich hoofdelijk aan de hypothecaire schuld verbonden.

2.4.

[S] woont nog steeds in de woning, samen met zijn (huidige) echtgenote.

3. Het geschil

3.1.

[W] vordert primair – samengevat –, dat de rechtbank een machtiging afgeeft om de woning van partijen te gelde te maken. Zij voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat partijen sinds 2007 zijn gescheiden. Hoewel [W] meerdere keren heeft geprobeerd om de woning van haar naam af te krijgen, is dit nooit gelukt. [W] wil dat de woning van haar naam af gaat en dat zij schuldenvrij achterblijft.

3.2.

[S] voert als verweer aan dat de woning fors onder water staat en dat het hem nog niet is gelukt de woning te verkopen. Hij beschikt ook niet over voldoende financiële middelen om [W] uit te kopen. Van hem kan niet worden verwacht dat hij meewerkt aan verkoop van de woning als niet duidelijk is dat [W] haar deel van de restschuld na verkoop zal dragen en voldoen.

4 De beoordeling

4.1.

Voor het instellen van haar vordering heeft [W] zich kennelijk gewend tot mr. P.H. Kant van Kant Incasso in Sprang Capelle. Onder de naam DeGoedkoopsteDagvaarding.nl heeft deze jurist voor [W] een dagvaarding opgesteld. Deze dagvaarding is niet zozeer goedkoop, als wel slecht. De inhoud van die dagvaarding is door de taalkundige onjuistheden slecht leesbaar. Daarnaast heeft de gemachtigde van [W] zich tot de verkeerde instantie gewend. Ten slotte had het in dit geval geen dagvaarding, maar een verzoekschrift moeten zijn.

Daar komt nog bij dat de gemachtigde – hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld door de kantonrechter – geen reactie heeft gegeven op het verweer dat bij de kantonrechter was gevoerd. Wel heeft hij daartoe op 21 januari 2020 uitstel gevraagd en verkregen tot 19 februari 2020, maar daarna werd niets meer vernomen.

4.2.

De kantonrechter en de advocaat van [S] hebben uit de dagvaarding afgeleid dat het allereerst de bedoeling van [W] is om een beroep te doen op artikel 3:174 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek:
“de rechter kan een deelgenoot op diens verzoek ten behoeve van de voldoening van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld of om andere gewichtige redenen machtigen tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed.”

4.3.

Een procedure op grond van dit artikel dient met een verzoekschrift te worden ingeleid en niet met een dagvaarding. Artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat in zo een geval de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de wel geldende procedure. In deze zaak houdt dat in dat in beginsel een mondelinge behandeling wordt gelast.

4.4.

De rechtbank zal dat ook doen en een mondelinge behandeling van het verzoek vaststellen om met partijen in overleg te treden op welke wijze uit de ontstane impasse kan worden gekomen. [W] zal op haar opgegeven adres en het door haar gebruikte emailadres worden opgeroepen. Aan [W] wordt geadviseerd om zich tot een advocaat te wenden die haar zal bijstaan. Indien [W] alleen zelf verschijnt, zal zij wel inlichtingen mogen geven, maar geen proceshandelingen mogen verrichten.

4.5.

In het kader van de vaststelling van de feiten dient [S] uiterlijk zeven dagen voor de zitting – onderbouwd met stukken – het volgende toe te sturen:

  • -

    een opgave van de laatst vastgestelde WOZ-waarde van de woning

  • -

    de meest actuele stand van de hypotheekschuld

  • -

    een opgave van de opgebouwde waarde van de levensverzekering

  • -

    een opgave van de waarde van de bij partijen bekende beleggingsrekening.

4.6.

Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook aan de orde komen of een schikking (al dan niet op onderdelen) mogelijk is.

4.7.

Partijen wordt verzocht er zorg voor te dragen dat bescheiden die voor de zaak van belang zijn -voor zover deze nog niet zijn overgelegd- uiterlijk zeven dagen voor de mondelinge behandeling in het bezit zijn van de rechtbank en de wederpartij.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de mondelinge behandeling van mr. L.J. Saarloos, in het gerechtsgebouw te Alkmaar aan de Kruseman van Eltenweg 2 op donderdag 9 juli 2020, 13.30 uur.

5.2.

beveelt de griffier partij [W] op te roepen per brief en door toezending van dit vonnis aan haar emailadres,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.