Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4563

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2763
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

sluiting pand op basis van de Opiumwet, geen aanleiding om voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 20/2763

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. H. Elmas),

en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Procesverloop

Bij besluit van [datum] 2020, schriftelijk vastgelegd op 4 mei 2020 (het bestreden besluit), heeft verweerder de sluiting gelast van verzoekers pand aan [perceel] met ingang van [datum] 2020 voor de duur van 12 maanden, op grond van artikel 13b van de Opiumwet.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 9 juni 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet

2. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

3. Verweerder heeft – samengevat – het volgende aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Op [datum] 2020 heeft een integrale controle plaatsgevonden op het perceel. De controle is uitgevoerd door medewerkers van de nationale politie en medewerkers van de gemeente Zaanstad. Bij die controle bleek dat een grote hoeveelheid verdovende middelen zoals genoemd op lijst I (harddrugs) van de Opiumwet in het pand in ontvangst zijn genomen en overgeladen in een voertuig. Verweerder baseert zich daarbij op de bestuurlijke rapportage van de politie van 20 mei 2020. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de hoeveelheid aangetroffen drugs een handelshoeveelheid is. Bij de controle zijn 16 pakketten aangetroffen waarin cocaïne zat, afhankelijk van het percentage dat in de aangetroffen oranjekleurige poeder was verwerkt was het minstens 12,48 kg en maximaal 41,6 kg. Bovendien is sprake van verzwarende omstandigheden in de zin van het door verweerder gehanteerde beleid. Er waren onder meer signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, een vermoeden van betrokkenheid van de ondernemingen die daar gevestigd zijn en feiten en/of omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband. Sluiting van het pand voor de duur van twaalf maanden is derhalve gerechtvaardigd uit het oogpunt van openbare orde, veiligheid en gezondheid, aldus verweerder.

4.Verzoeker verzoekt, zoals gewijzigd, (1) schorsing van het besluit zodat hij de onroerende zaak kan betreden, de schade kan (laten) opnemen en de reparaties kan laten uitvoeren, (2) schorsing van het besluit tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist, (3) sluiting van de woonruimte op te heffen, (4) sluiting van de bedrijfsruimte op te heffen, met (5) veroordeling van verweerder in de kosten. Op de gronden van het verzoek wordt hierna, voor zover voor de beslissing van belang, ingegaan.

5.1

De voorzieningenrechter dient in het kader van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel na te gaan of het ingediende bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Als die vraag positief wordt beantwoord, dan weegt de voorzieningenrechter vervolgens de belangen van een verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het verwerende bestuursorgaan die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af.

5.2

Vooropgesteld wordt dat voorshands aannemelijk is dat verweerder op [datum] 2020 bevoegd was om tot sluiting van het pand over te gaan. Verzoeker stelt dat niet duidelijk was over welke informatie verweerder op dat moment beschikte. Dit kan hem vooralsnog niet baten. Immers blijkt uit de constateringsrapporten en de bestuurlijke rapportage voldoende dat die dag verdovende middelen op het perceel afgeleverd zijn. Verweerder mocht van de juistheid van die rapportage afgaan. Ter zitting heeft verweerder bovendien verklaard dat op de dag van de sluiting informeel al allerlei relevante informatie aanwezig was, maar dat die vanwege het strafrechtelijke onderzoek nog niet direct schriftelijk aan verzoeker verstrekt kon worden. Verzoeker heeft dit op zichzelf niet bestreden. Bovendien kan verweerder in bezwaar nader onderbouwen welke informatie hij op dat moment had. Dat verzoeker in reactie op het bezwaarschrift tegenstrijdige berichten van de juridisch medewerker van verweerder heeft ontvangen over de beschikbaarheid van stukken, is onvoldoende om voorshands tot het oordeel te komen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat geldt ook voor verzoekers standpunt dat hem geen zienswijze is gevraagd, althans dat zijn zienswijze is gevraagd onder twijfelachtig omstandigheden. Immers heeft verzoeker in bezwaar ruimschoots de gelegenheid om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is niet aannemelijk dat hij in zijn belangen is geschaad.

5.3

Verzoeker wordt vooralsnog evenmin gevolgd in zijn betoog dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van verzwarende omstandigheden.

Verweerder verwijst onder meer naar de beleidsregels. Uit die beleidsregels volgt dat verweerder bij lokalen een strenger handhavingsregime voert vanwege het ontbreken van het grondwettelijk beschermde woonrecht en direct tot sluiting van het pand overgaat, waarbij in geval van verzwarende omstandigheden een langere sluitingstermijn wordt gehanteerd vanwege de ernst van de situatie en de grotere schending van de openbare orde. In een dergelijke situatie is een langere sluitingsduur noodzakelijk om de hiervoor genoemde doelen als voorkoming van herhaling en de bekendheid van het pand binnen het drugscircuit te beëindigen te bereiken. De burgemeester hanteert dan een sluitingstermijn die in de handhavingsmatrix bij de eerstvolgende overtreding toegepast zou worden. De voorzieningenrechter acht deze beleidsregels vooralsnog niet onredelijk. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven welke verzwarende omstandigheden volgens hem aan de orde zijn. Voor zover nodig, kan verweerder in bezwaar de motivering op dit punt aanvullen. Dat geldt ook voor verweerders standpunt dat het pand als distributiecentrum kan worden beschouwd. Vooralsnog kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik had kunnen maken.

5.4

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat vooralsnog niet de verwachting bestaat dat het bestreden besluit niet in rechte stand zal kunnen houden.

6. Resteert de vraag of er desondanks bij afweging van de betrokken belangen en bij wege van ordemaatregel aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Verzoeker heeft gesteld dat hij het pand wil kunnen betreden om de schade te kunnen vaststellen en reparaties te kunnen uitvoeren. Inmiddels heeft verweerder hem twee keer tot het pand toegelaten. Ter zitting heeft verweerder aangegeven bereid te zijn hem nogmaals toe te laten, mocht dat nodig zijn. Bovendien is, anders dan verzoeker stelt, vooralsnog niet aannemelijk dat het hier gaat om een bedrijfsruimte en een afzonderlijke woonruimte die niet gekoppeld zou zijn aan de bedrijfsactiviteiten. Verder geldt dat die woonruimte thans niet bewoond wordt, hetgeen volgens verweerder bevestigd wordt door de gegevens uit de basisregistratiepersonen.

7. Op basis van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2020 door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.