Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4560

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
15.042125.20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal met geweld. Overweging m.b.t. het medeplegen. Verdachten hebben het slachtoffer overvallen in zijn auto en daarbij gedreigd met een mes. Verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Toepassing jeugdstrafrecht. Jeugddetentie van 120 dagen waarvan 59 dagen voorwaardelijk + bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.042125.20

Uitspraakdatum: 11 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 mei 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M.J.A. Colijn, en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C. Pedrotti, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 februari 2020 te Haarlem, op de Engelandlaan, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een navigatiesysteem, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- de capuchon van deze [slachtoffer] te pakken en hem naar achter te trekken/drukken en/of
- een mes te pakken en/of te tonen en/of naast het hoofd van deze [slachtoffer] te houden en/of
- tegen het portier van deze [slachtoffer] te gaan staan om te voorkomen dat deze [slachtoffer] zou vluchten en/of
- aan het t-shirt van deze [slachtoffer] te trekken.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 15 februari 2020 (dossierpagina 14 tot en met 17);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2020 (dossierpagina 56 tot en met 74).

3.4.

Bewijsoverweging

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij samen met een aantal jongens het plan heeft opgezet om iemand te beroven om aan geld te komen. Via de website www.bullchat.com heeft hij een afspraak gemaakt met aangever [slachtoffer] . Tijdens het chatgesprek dat tot deze afspraak heeft geleid, heeft verdachte gedaan alsof hij geïnteresseerd was in seks met aangever. Op 15 februari 2020 heeft hij vervolgens met twee (onbekend gebleven) medeverdachten deze [slachtoffer] in zijn auto overvallen. Volgens verdachte is hij slechts met die jongens meegelopen en heeft hij zelf geen geweld toegepast. Eén van de medeverdachten had het mes bij zich en heeft daarmee gedreigd. Verdachte was niet op de hoogte van het feit dat er bij de overval een mes gebruikt zou worden. Hij had na de overval het navigatiesysteem in zijn bezit, omdat de medeverdachten hem gevraagd hadden deze in bewaring te nemen. Ook is hij onder druk gezet om de overval te plegen, omdat hij een schuld van € 100,- had bij een persoon, die zijn geld zo snel mogelijk terug wilde hebben.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de rol en het aandeel van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Aangever wordt op 15 februari 2020 rond 21:00 uur door verdachte en twee medeverdachten overvallen in zijn auto waarbij hij met een mes wordt bedreigd en hem wordt belet te vluchten. Nadat het hem is gelukt om weg te komen, zijn de overvallers gezamenlijk gevlucht en hebben daarbij een navigatiesysteem uit de auto weggenomen.

Uit onderzoek naar de onder verdachte in beslag genomen telefoon van het merk Samsung Galaxy S6 is vastgesteld dat hij op 15 februari 2020 rond 15:33 uur via Telegram chatcontact heeft met een zekere [naam] . Hij spreekt met [naam] over een “torri” (straattaal voor gebeurtenis, verhaal of overval) en vraagt hem of hij meegaat als hij een “torri” heeft geregeld.

Voorts is uit onderzoek naar de onder verdachte in beslag genomen telefoon van het merk Iphone 5S vastgesteld dat verdachte op 15 februari 2020 rond 18:00 uur via Whatsapp contact heeft met een zekere [naam 2] . In dat gesprek vraagt verdachte aan [naam 2] of hij een keukenmes voor hem kan meenemen. Nadat [naam 2] vraagt waarvoor hij dat keukenmes moet meenemen, zegt verdachte dat hij een "torri" heeft. Ter terechtzitting heeft verdachte bevestigd dat hiermee een "torri" is bedoeld.

Naar vaste jurisprudentie heeft het medeplegen, de bewuste en nauwe samenwerking, een groter bereik dan de omvang van het gezamenlijk plan. De medepleger is ook verantwoordelijk voor tijdens de uitvoering van het gezamenlijk plan gepleegde handelingen die direct verband houden met dat plan. De bewuste en nauwe samenwerking kan zich dus ook uitstrekken over feitelijke delictshandelingen die bij het plegen van het feit zijn ingecalculeerd of daar direct uit voortvloeien.

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte een actieve rol heeft gespeeld bij de opzet, de voorbereiding en de uitvoering van de diefstal met geweld. Het is verdachte geweest die de afspraak met aangever heeft gemaakt. Hij is bij aangever in de auto gestapt en heeft hem aanwijzingen gegeven, zodanig dat hij samen met zijn mededaders het gezamenlijke plan om aangever te beroven kon uitvoeren. Het verzoek van verdachte aan [naam 2] om in het kader van een “torri” een mes mee te nemen, levert in dit verband een wezenlijke bijdrage aan het toegepaste geweld tijdens de beroving. Hoewel uit het dossier niet kan worden afgeleid dat [naam 2] een rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde feit, blijkt uit het verzoek van verdachte om in verband met een "torri" een keukenmes mee te nemen dat hij zich ervan bewust was dat tijdens de overval geweld zou kunnen worden gebruikt. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat het niet ongebruikelijk is om bij het plegen van een overval een wapen mee te nemen.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de beroving. Dat niet alle feitelijke delictshandelingen door de verdachte zelf zijn begaan, maakt dat niet anders. De bijdrage van de verdachte aan de gezamenlijk uitgevoerde beroving is van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking en dus van medeplegen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat op grond van voorgaande overwegingen in samenhang met de genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweld.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 15 februari 2020 te Haarlem, op de Engelandlaan tezamen en in vereniging met anderen een navigatiesysteem, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door
- de capuchon van deze [slachtoffer] te pakken en hem naar achter te trekken en
- een mes te pakken en te tonen en naast het hoofd van deze [slachtoffer] te houden en
- tegen het portier van deze [slachtoffer] te gaan staan om te voorkomen dat deze [slachtoffer] zou vluchten en
- aan het t-shirt van deze [slachtoffer] te trekken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht toegepast moet worden. Zij heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van honderdtwintig dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd, met als bijzondere voorwaarden:

- meldplicht bij Reclassering Nederland (reclassering voor meerderjarigen);

- verblijf bij begeleid wonen (BG Wonen) of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang en het zich houden aan de huisregels en het dagprogramma van die instelling;

- contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] ;

- locatiegebod met elektronische controle voor de duur van maximaal zes maanden;

- het ondergaan van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, dan wel het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden of een andere gedragsinterventie.

Met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de roze telefoon van het merk Samsung Galaxy S6 aan verdachte kan worden geretourneerd. De Iphone 5, de gouden Samsung Galaxy S6 en het aardappelschilmes moeten verbeurd verklaard worden. Het navigatiesysteem moet worden teruggegeven aan aangever [slachtoffer] .

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om het jeugdstrafrecht toe te passen en verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, dan wel een straf waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte niet hoger is dan de tijd die hij reeds heeft doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft zij verzocht om het locatiegebod met elektronisch toezicht niet als bijzondere voorwaarde bij het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf op te nemen, dan wel deze voorwaarde voor de duur van maximaal zes maanden van toepassing te laten zijn.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige beroving. Het slachtoffer bevond zich in zijn auto en is vastgehouden en bedreigd met een mes, waardoor voor hem een zeer bedreigende situatie is ontstaan. Het spreekt voor zich dat de overval voor hem erg beangstigend moet zijn geweest.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat als strafverzwarende omstandigheid meegewogen dat het optreden van de verdachte en zijn mededaders berekenend en goed voorbereid was. De verdachte heeft via internet het slachtoffer benaderd, heeft daarbij een andere identiteit aangenomen en heeft een afspraak met hem gemaakt voor een seksdate. Vervolgens hebben hij en zijn mededaders gepland om hem te overvallen en is er een mes geregeld. Het slachtoffer werd in zijn eigen auto vastgehouden, bedreigd en vervolgens beroofd. Nadat het het slachtoffer is gelukt om weg te komen, hebben verdachte en zijn mededaders het navigatiesysteem uit de auto weggenomen en zijn zij gevlucht. Zij hebben de overval gepleegd om snel geld te kunnen verdienen en hebben zich op geen enkel moment bekommerd om de gevolgen van hun handelen voor het slachtoffer. Dergelijke misdrijven veroorzaken bij de slachtoffers daarvan gevoelens van onveiligheid, die nog lange tijd kunnen voortduren en brengen in de samenleving grote onrust teweeg. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 1 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft voorts gelet op het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), d.d. 25 mei 2020, opgemaakt door drs. T. ’t Hoen, GZ-psycholoog.

Namens het NIFP wordt geadviseerd om bij bewezenverklaring het ten laste gelegde feit verdachte in (licht) verminderde mate toe te rekenen. Verdachte is een 19-jarige jongeman met een belaste voorgeschiedenis. Er is bij hem sprake van een verstandelijke beperking in de vorm van zwakbegaafdheid, waarbij er tevens kan worden gesproken van beperkingen op sociaal-emotioneel gebied, ADHD, een lichte stoornis in het gebruik van cannabis en een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij antisociale trekken in zijn persoonlijkheid naar voren komen. Ondanks dat mag worden aangenomen dat hij besef heeft gehad van het wederrechtelijke van zijn gedrag ten tijde van het plegen van het feit, zal hij in verminderde mate in staat zijn geweest naar dit inzicht en besef te handelen.

Bij passende hulpverlening is de kans op recidive als matig ingeschat maar wanneer de externe steun en structuur wegvallen is het risico op herhaling groot. Verdachte heeft hulp nodig bij praktische zaken, zoals voor dagbesteding (werk, opleiding), financiën, wonen (begeleid wonen) en zijn sociale netwerk. Als er voldoende stabiliteit en rust in zijn dagelijks leven is bereikt, dient er ook meer aandacht te zijn voor het uitbreiden en versterken van zijn copingvaardigheden, alsmede zijn emotie-, agressie- en impulsregulatie.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank verder het reclasseringsadvies van 25 mei 2020, opgemaakt door [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, in aanmerking genomen.

De reclassering acht een verplicht reclasseringscontact bij de volwassen reclassering in dit geval passend, omdat deze meer een appel op verdachte zal doen met betrekking tot het omgaan met structuur en kaders. Het advies is om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden: meldplicht, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod met het slachtoffer, een locatiegebod met Elektronische Controle en het volgen van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling of het volgen van een training Cognitieve Vaardigheden (plus) of een andere gedragsinterventie.


De rechtbank onderschrijft de hiervoor weergegeven adviezen en conclusies van de deskundigen en maakt deze tot de hare. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan verdachte is toe te rekenen.

Toepasselijk sanctiestelsel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het strafrecht voor minderjarigen zal toepassen en ook de raadsvrouw heeft toepassing van het minderjarigenstrafrecht bepleit.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit 19 jaar oud en dus meerderjarig.

Toepassing van het meerderjarigenstrafrecht is het uitgangspunt, tenzij de rechtbank op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht aanleiding ziet de bepalingen van het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank kan hiertoe beslissen op grond van de persoon(lijkheid) van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De deskundige en de reclassering achten, na uitvoerig onderzoek, indicaties aanwezig voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Gesteld wordt onder meer dat er sprake is van een licht verstandelijke beperking in de vorm van zwakbegaafdheid. Tevens kan er gesproken worden van onder meer beperkingen op sociaal-emotioneel gebied en een scheefgroei in zijn persoonlijkheidsontwikkeling. Gebleken is dat verdachte onvoldoende in staat is om zichzelf staande te houden. Verdachte heeft hulp nodig waarbij aandacht moet zijn voor het uitbreiden en versterken van zijn copingvaardigheden.

Gelet op het voorgaande onderschrijft de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, het advies van de deskundige en de reclassering met betrekking tot het toe te passen sanctiestelsel en zal daarom recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit en de hoogte daarvan voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hierin wordt voor jeugdigen als uitgangspunt voor een dergelijk feit een werkstraf vanaf 60 uur, dan wel een overeenkomstige jeugddetentie genoemd. Rekening houdend met de bedreiging met een wapen en de voorbereidingen die door verdachte zijn getroffen, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie in dit geval passend is. Gezien de persoon van de verdachte en de inhoud van de rapportages is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat van de gevorderde jeugddetentie een deel voorwaardelijk moet worden opgelegd, teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd, zijn daarbij passend en geboden. Daarbij zal de rechtbank het locatiegebod met elektronisch toezicht voor de duur van maximaal zes maanden opleggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren. Daarnaast acht de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, noodzakelijk. Deze voorwaarden zullen aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

6.4.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een telefoontoestel (1118289) (omschrijving: goudkl., merk: Samsung G928f, chassisnr: [nummer] ) en een telefoontoestel (1118304) (omschrijving: Apple Iphone 5, chassisnr: [nummer] ), dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van deze voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is voorbereid.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven mes (1118311), dient te worden teruggegeven aan [rechthebbende] , aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven telefoontoestel (1118288) (omschrijving: roze, merk: Samsung) dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, aangezien tot nu toe geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8 Vordering benadeelde partij [slachtoffer] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.107,31 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit:

- een jas ad € 69,90;

- een t-shirt ad € 10,--;

- een zonnebril ad € 17,41;

- een brillenkoker ad € 10,--;

- een navigatiesysteem ad € 100,--.

De immateriële schade van benadeelde is gezien de omstandigheden, de ernst en de gevolgen gesteld op een geldbedrag ad € 900,--.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van deze vordering, voor zowel de materiële als de immateriële schade, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het betreft de kosten van de jas en het t-shirt. De verdediging heeft voorts verzocht de vordering met betrekking tot de kosten van de zonnebril, de brillenkoker en het navigatiesysteem af te wijzen. Aangever heeft de zonnebril en brillenkoker niet in zijn aangifte vermeld en deze voorwerpen komen ook overigens niet in het dossier voor. Daarnaast is het onvoldoende aannemelijk geworden dat het navigatiesysteem bij teruggave aan aangever kapot was. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de verdediging bepleit de vordering fors te matigen.

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade en de materiële schade tot een bedrag van € 1.007,31 rechtstreeks voortvloeien uit het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Zij zal dan ook de vordering voor dit deel toewijzen.

In zijn aangifte heeft aangever vermeld dat hij het navigatiesysteem van zijn werkgever heeft gekregen. Gelet hierop is het voor de rechtbank zonder nadere onderbouwing onvoldoende duidelijk of en in hoeverre de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. In zoverre zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.

Voor het gedeelte van de vordering dat wordt toegewezen, zal de rechtbank bepalen dat indien een (van de) medeverdachte(n) dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van zijn betalingsverplichting.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: het medeplegen van diefstal met geweld] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 36f, 77a, 77c, 77g, 77i, 77p, 77x, 77y,77z, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van ÉÉNHONDERD TWINTIG (120) DAGEN.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot negenvijftig (59) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- verblijft in BG wonen of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke

opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met het slachtoffer in deze zaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.

- zich blijft houden aan het huidige locatiegebod met Elektronische Controle. De Elektronische Controle zal worden ingezet voor een periode van maximaal zes maanden.

- zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter

beoordeling van de reclassering. In dat geval houdt betrokkene zich aan de huisregels en de

aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling of:

- deelneemt aan een training Cognitieve Vaardigheden (plus) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, zulks ter beoordeling van de

reclassering. Betrokkene houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een telefoontoestel (1118289) (omschrijving: goudkl., merk: Samsung G928f, chassisnr: [nummer] ) ;

- een telefoontoestel (1118304) (omschrijving: Apple Iphone 5, chassisnr: [nummer] ).

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.007,31, bestaande uit € 107,31 als vergoeding voor de materiële schade en € 900,-- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door één (van de) medeverdachte(n) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.007,31, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door twintig (20) dagen gijzeling, met dien verstande dat toepassing van de vervangende gijzeling de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens één (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende ( [rechthebbende] ) van een mes (1118311).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een telefoontoestel (1118288) (omschrijving: roze, merk: Samsung).

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.D. Kleijne, voorzitter,

mrs. C.A.M. van der Heijden en F.W. van Dongen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juni 2020.