Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4556

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
15.144662.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake openlijk geweld dat ook voortduurde nadat medeverdachte was uitgeschakeld door een klap met een steen op zijn hoofd.

Verwerping noodweerverweer nu de handelingen van verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan en de daaruit af te leiden bedoeling van verdachte, – naar de kern bezien – niet als verdedigend maar als aanvallend worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.144662.18 (P)

Uitspraakdatum: 22 juni 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 juni 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

[adres] ,

thans (uit anderen hoofde) gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.M. de Vries en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair
hij op of omstreeks 21 juli 2018 te [plaats 1] openlijk, te weten, [plaats 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en) en/of een goed te weten [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] door
- meermalen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) (met kracht) in/op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [benadeelde 2] te trappen en/of schoppen en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te slaan/stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te schoppen/trappen;

feit 1 subsidiair

hij op of omstreeks 21 juli 2018 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) (met kracht) in/op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [benadeelde 2] heeft getrapt en/of geschopt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 meer subsidiair

hij op of omstreeks 21 juli 2018 te [plaats 1] [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft mishandeld door
- meermalen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) (met kracht) in/op en/of tegen het gezicht en/of hoofd van die [benadeelde 2] te trappen en/of schoppen en/of
- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) (met gebalde vuist) op/tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te slaan/stompen en/of
- meermalen, althans eenmaal, op/tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] te schoppen/trappen;

feit 2
hij op of omstreeks 21 juli 2018 te [plaats 1] [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een of meerma(a)l(en) met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van het gezicht en/of (boven)lichaam van die [benadeelde 1] te zwaaien.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair ten laste gelegde feit nu, op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde op de terechtzitting, niet kan worden vastgesteld dat verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de aangevers [naam] . Het is medeverdachte [medeverdachte] geweest die de aanstichter was van de vechtpartij. Verdachte heeft verklaard dat hij pas bij die vechtpartij betrokken is geraakt nadat medeverdachte [medeverdachte] door een klap met een steen op zijn hoofd (door [benadeelde 1] ) was uitgeschakeld en niet meer aan het gevecht deelnam. Er zijn wisselende verklaringen afgelegd door getuigen en aangevers, wat betreft het moment van betrokkenheid van verdachte, en dan geldt het principe “in dubio pro reo” en moet de verklaring van verdachte gevolgd worden.

De raadsman heeft voorts vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, reeds nu niet kan worden vastgesteld of er tegen het gezicht/hoofd van [benadeelde 2] is geschopt. De raadsman stelt zich ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde - en indien de rechtbank het voorgaande niet volgt ook voor het onder 1 primaire en subsidiaire feit - op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken, dan wel moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake was van noodweer(exces).

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

3.3.2.

Bewijsoverweging feit 1 primair

Reeds voordat medeverdachte [medeverdachte] door een klap met een steen op zijn hoofd bewusteloos raakte en daardoor niet meer aan het gevecht deelnam, is door meerdere getuigen, zoals opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage, gezien dat verdachte en [medeverdachte] in het [plaats 2] in [plaats 1] gelijktijdig geweldshandelingen pleegden tegen de slachtoffers, de broers [naam] . De rechtbank ziet niet in dat de verklaringen van deze getuigen, waaronder de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , die vanaf het begin van het gevecht ter plaatste waren, tegenstrijdig zouden zijn als het gaat om de deelname van verdachte aan het gevecht. Ook overigens ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan deze getuigenverklaringen en zij zal deze dan ook volgen.

Nadat medeverdachte [medeverdachte] door de klap met de steen werd uitgeschakeld, bleef verdachte doorgaan met het slaan en schoppen van de slachtoffers. Weliswaar is dit, door verdachte tegen de broers [naam] gepleegde geweld op dat moment door hem alleen gepleegd, maar ook dit geweld komt voort uit het ene wilsbesluit van verdachte om aan het gevecht deel te nemen. De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie en is van oordeel dat er ook op dat moment nog voortdurend sprake was van het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen personen. De enkele omstandigheid dat [medeverdachte] op dat moment (ernstig) gewond op de grond lag, doet hier niet aan af.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair
hij op 21 juli 2018 te [plaats 1] , openlijk, te weten in het [plaats 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [benadeelde 1] en [benadeelde 2] door
- meermalen met kracht met gebalde vuist tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te slaan/stompen en
- meermalen tegen het lichaam van die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te schoppen/trappen;

2
hij op 21 juli 2018 te [plaats 1] , [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een mes in de richting van het gezicht en bovenlichaam van die [benadeelde 1] te zwaaien.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Zoals hierna onder 5 zal worden uiteengezet, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer niet slaagt. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 De strafbaarheid

5.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij gehandeld heeft uit noodweer dan wel noodweerexces. De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat verdachte zich eerst in het gevecht heeft gemengd nadat medeverdachte [medeverdachte] door [benadeelde 1] met een steen op het hoofd was geslagen en bewusteloos op de grond bleef liggen, waarbij er bloed uit zijn oor kwam. Verdachte was vervolgens genoodzaakt om niet alleen zijn eigen lijf te verdedigen maar vooral het lijf van [medeverdachte] , zijn vriend, nu de broers [naam] doorgingen met het slaan en stompen van [medeverdachte] en zich bovendien ook tegen hem keerden. Er was dan ook sprake van noodweer. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat geoordeeld zou kunnen worden dat verdachte toen wellicht de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat dit verontschuldigbaar is nu dit het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die bij verdachte is ontstaan toen hij zijn vriend daar op de grond zag liggen en dacht dat hij dood was. Deze gemoedstoestand vindt bevestiging in het dossier. Diverse getuigen verklaren dat verdachte meermalen heeft geroepen dat zijn vriend dood is. Het is daarbij vaste jurisprudentie dat een beroep op (extensief) noodweerexces ook kan slagen in het geval dat de noodweersituatie al is beëindigd. De verdediging wijst in dat verband op een uitspraak van het Gerechtshof ’s Hertogenbosch met nummer 2019/963.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer en ook noodweerexces moet worden verworpen, nu er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, niet bij aanvang van het gevecht en ook niet na het slaan met de steen op het hoofd van [medeverdachte] ; volgens de officier van justitie was het vechten toen afgelopen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Noodweer?

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan de bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] waren op 21 juli 2018 in het [plaats 2] in [plaats 1] . Het kwam daar op enig moment tot een confrontatie tussen [medeverdachte] en de broers [naam] , waarbij [medeverdachte] de aanstichter was en door hem als eerste werd geslagen. Vervolgens ontstond er een gevecht en heeft verdachte zich in dit gevecht gemengd, waarbij hij samen met [medeverdachte] de aangevers sloeg en schopte. Tijdens het gevecht heeft [benadeelde 1] op enig moment een steen van de grond geraapt en hiermee op het hoofd van [medeverdachte] geslagen, die door deze klap bewusteloos, althans ernstig gewond, op de grond raakte. Verdachte heeft daarna beide aangevers geslagen en/of geschopt en [benadeelde 1] bovendien bedreigd met een mes.

Naar het oordeel van de rechtbank is het door [benadeelde 1] slaan op het hoofd van [medeverdachte] met een steen te kwalificeren als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eens anders, in dit geval [medeverdachte] , lijf. Niet gebleken is dat hieraan voorafgaand sprake was van een dergelijke aanranding. De verdediging heeft het beroep op noodweer ook ingekleed vanaf dit moment in de tijd.

Vaste jurisprudentie leert echter dat noodweer ‘verdedigend optreden’ impliceert. Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar – naar de kern bezien – als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.

(Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)

Door getuigen [getuige 4] en [getuige 5] is verdachte omschreven als een vechtmachine dan wel dat hij een vechthouding had en wist hoe en waar hij moest slaan. Verdachte wordt verder door verschillende getuigen als agressor en/of agressief omschreven; ook al voordat [medeverdachte] met de steen werd geslagen en op de grond terechtkwam. Voornoemde getuigen verklaren ook dat de twee personen die de klappen kregen, de broers [naam] , zich niet, dan wel niet noemenswaardig, hebben verweerd, terwijl verdachte maar bleef doorgaan. Getuige [getuige 3] verklaart dat verdachte de man met het kale hoofd aanviel, de rechtbank begrijpt [benadeelde 1] . Verdachte heeft daarbij ook een mes getrokken. Uit het proces-verbaal van bevindingen ter plaatse volgt dat een medewerker van de ambulancedienst tegen de verbalisant verklaart dat verdachte “helemaal los ging op die twee mannen”. Het voorgaande strookt, ten slotte, met het feit dat verdachte, anders dan de broers [naam] , geen noemenswaardig letsel heeft opgelopen.

Deze omschreven handelingen van verdachte moeten naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm daarvan en de daaruit af te leiden bedoeling van verdachte, – naar de kern bezien – niet als verdedigend maar als aanvallend worden aangemerkt. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte, ook ter terechtzitting, herhaaldelijk heeft verklaard, dat hij de controle over zichzelf niet is kwijtgeraakt en nog precies weet wat hij heeft gedaan.

Reeds hierom wordt het verweer verworpen.

Noodweerexces?

Nu de rechtbank van oordeel is dat de gedragingen van verdachte niet als verdedigend maar als aanvallend zijn aan te merken, kan een beroep op noodweerexces evenmin slagen. (Hoge Raad 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788)

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 117 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft gevorderd om aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden de door Reclassering Nederland geadviseerde bijzondere voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod en de geadviseerde dadelijke uitvoerbaarheid. De officier van justitie heeft bij het formuleren van haar eis rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het plegen van de feiten en de behandeling op de terechtzitting.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat verzocht rekening te houden met de omstandigheden van het geval, de ouderdom van de feiten en dat verdachte al vanaf 24 juli 2018 in een schorsing loopt, waarvan het reclasseringstoezicht positief is afgerond. De raadsman heeft de rechtbank verzocht, gelet hierop, verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, dan wel verdachte te veroordelen tot een veel lagere straf dan geëist, zo nodig met een groter voorwaardelijk deel, waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden, met uitzondering van het contactverbod en de inspanningsverplichting.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander in een openbaar park schuldig gemaakt aan het plegen van geweld tegen de aangevers, de broers [naam] . Dit geweld vond in de namiddag plaats onder de ogen van diverse omstanders. Daarbij is verdachte (zeer) aanvallend opgetreden en heeft hij [benadeelde 1] bovendien bedreigd met een mes.

Door zijn handelen heeft verdachte de aangevers niet alleen pijn en letsel - waaronder meerdere gebroken ribben bij [benadeelde 1] en een kaakfractuur bij [benadeelde 2] -, toegebracht, maar heeft hij ook gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en bij de omstanders aangewakkerd. Zoals volgt uit het dossier waren de omstanders in het park bijzonder ontdaan van het geweld van verdachte tegen de slachtoffers. Verdachte gedroeg zich dusdanig agressief en gewelddadig, dat ook ambulancebroeders, die waren gekomen om het letsel van medeverdachte [medeverdachte] te behandelen, niet uit de ambulance durfden te komen en eerst de komst van de politie hebben afgewacht.

Aangevers hebben naar het oordeel van deze rechtbank echter ook een aandeel in het gevecht gehad, en het feit dat [medeverdachte] met een steen is geslagen en roerloos op de grond lag, is op zichzelf als een ernstige inbreuk op het lichaam van [medeverdachte] aan te merken. Dit doet evenwel niet af aan het verwijt tegen verdachte gezien de mate van zijn (gecontroleerde en aanvallende) geweld en agressie, waarvan ook vóór het slaan met de steen al sprake was.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 1 mei 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.

- het over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 27 mei 2020, van [reclasseringswerker] als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland. Naar de mening van de reclassering is de kans op herhaling aanwezig en geadviseerd wordt een (nieuw) toezicht op te leggen met diverse bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende en rekening houdende met het tijdsverloop en de langdurige schorsing van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk deel zal de rechtbank voorts de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van alleen het contactverbod.

7 Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

7.1.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.085,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit een bedrag van € 200,- in verband met de aanschaf van een nieuwe bril (tijdens de vechtpartij is de bril van [benadeelde 1] kapot gegaan) en een bedrag van € 385,- betreffende eigen risico zorgverzekering.

De gestelde immateriële schade bedraagt € 1.500,-.

7.2.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.885,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit een bedrag van € 385,- betreffende eigen risico zorgverzekering.

De gestelde immateriële schade bedraagt € 1.500,-.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Verdachte is voor deze schade aansprakelijk. Anders dan de officier van justitie – die zich op het standpunt heeft gesteld dat de vorderingen integraal moeten worden afgewezen – en de raadsman van verdachte, acht de rechtbank de vorderingen in zoverre toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Er bestaat onvoldoende grond deze materiële schade, ook niet voor een deel, voor rekening van de benadeelde partijen te laten.

De rechtbank is echter van oordeel dat de gestelde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, althans niet in dit strafproces, aangezien deze schade niet eenvoudig is vast te stellen, mede gelet op de eventueel te bepalen mate van eigen schuld van de benadeelde partijen, waardoor dit deel van de vorderingen zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom in zoverre niet ontvankelijk verklaren in de vorderingen.

Verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 primair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: openlijk en in vereniging geweld plegen tegen personen] aanleiding ter zake van het toe te wijzen deel van de vorderingen van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 200 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot 100 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:- zich meldt op afspraken met de reclassering, thans Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

- zijn medewerking verleent aan een ambulante behandeling, en indien de reclassering dit nodig acht diagnostiek, door forensisch psychiatrische polikliniek de Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. ;

- zich inspant voor het op orde krijgen en houden van de praktische zaken. Indien de

reclassering het nodig acht dat veroordeelde ter ondersteuning hiervan bij een passende instantie wordt aangemeld, dient hij zich te houden aan de aanwijzingen van deze instantie.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op de ten uitvoer te leggen taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Wijst deels toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 585,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 585,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 11 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst deels toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 385,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 385,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 7 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. M.E. Allegro en mr. I.S. Burggraaff, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2020.

Bijlage

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 1 primair en 2:

Verklaring van verdachte ter terechtzitting

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 8 juni 2020 heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

Het klopt dat ik op 28 juli 2018 samen met [medeverdachte] naar het [plaats 2] in [plaats 1] ben gegaan. Ik zag [medeverdachte] [benadeelde 1] een klap geven. Ik heb ook gevochten. Ik heb [benadeelde 1] geslagen en ik zag dat hij met zijn hoofd op de grond terecht kwam.

Ik heb ook een mes uit mijn zak gepakt. Ik heb het mes open geklapt en ik heb er, voor mij uit, mee gezwaaid. Dat was ter hoogte van het bovenlichaam van [benadeelde 1] .

U neemt met mij het dossier door. [medeverdachte] is de man in het gele shirt. Ik ben de man in het grijze shirt.

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de rechter-commissaris d.d. 24 juli 2018, inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:

Ik ben er naartoe gegaan, naar ze (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] en de beide broers [naam]). Ik heb getrapt of geschopt.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 22 juli 2018 door getuige [getuige 2] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring (doorgenummerde blz. 67 t/m 69):

Ik was samen met mijn twee kinderen en moeder in het park geweest. Ik zag twee mannen lopen met hun honden. Ik weet dat zij broers zijn. Ik hoorde en zag dat een man in een geel T-shirt (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) kwam aan schreeuwen en lopen. De man kwam de broers scheldend tegemoet. Ik zag dat hij zich agressief gedroeg. Ik zag dat de man in het gele shirt een slaande beweging maakte naar één van de broers. Ik zag dat de man in het geel zijn vuist balde, naar achter haalde en naar een van de broers liet gaan. Ik zag, nadat de man in het geel de eerste klap had uitgedeeld, de broers zich verdedigden. Op een gegeven moment zag ik dat er een man aan kwam rennen, die een grijs shirt droeg (de rechtbank begrijpt: verdachte), op een voor mij agressieve manier. Ik zag dat hij kwam uit dezelfde richting als de man in het geel. Ik zag dat hij zich direct met de vechtpartij bemoeide. Ik zag dat hij er meteen op los sloeg. Ik zag namelijk dat hij zijn armen naar achteren bewoog en met gebalde vuist op de broers insloeg. Ik zag later, toen alle partijen aan het slaan waren, dat één van de broers een steen opraapte en die neer liet komen op het hoofd van de man met het gele shirt. Ik zag dat de man in het geel daarna neerviel en bleef liggen. De man met het grijze shirt had de man die met de steen tegen het hoofd had geslagen, naar de grond gewerkt. Toen hij (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1]) op zijn knieën zat, zag ik vervolgens dat de man met het grijze shirt vol trapte/schopte tegen deze man zijn hoofd aan. Vervolgens zag ik dat de man met het grijze shirt vol op de andere broer los ging.

Ik zag dat de mannen in het geel en grijs zo agressief aan het reageren waren doordat ze constant maar aan het slaan en schoppen waren op beide broers.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 22 juli 2018 door getuige [getuige 1] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring (doorgenummerde blz. 70 t/m 74):

Gisteren liep ik samen met mijn dochter [getuige 2] in [plaats 1] . Wij kwamen uit het [plaats 2] . Even verderop zag ik [benadeelde 1] met zijn hondjes lopen. Op enig moment kwam die gek in het gele shirt aangerend. Ik zag dat die gek naar [benadeelde 1] en zijn broer rende. Hij begon gelijk met zijn vuisten op [benadeelde 1] en zijn broer in te slaan. Er was nog een man. Deze man droeg een grijs of een beige shirt, maar ik denk grijs. De vier mannen waren met elkaar aan het vechten.

U vraagt mij met wie de man in het gele shirt was. Ik weet nog dat later samen met die andere man in dat grijze/beige shirt stond te beuken op [benadeelde 1] en zijn broertje. U vraagt mij wanneer de man in het grijze/beige shirt in beeld kwam. Eigenlijk al gelijk. Hij was samen met de man in het gele shirt met [benadeelde 1] en zijn broer aan het vechten. [benadeelde 1] en zijn broertje sloegen terug. Het ging er allemaal behoorlijk hard aan toe. Er werd over en weer geschopt en geslagen. Opeens werd er een steen gegooid op de man met het gele shirt. Dit moet gedaan zijn door een van de drie andere mannen.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 22 juli 2018 door getuige [getuige 6] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring (doorgenummerde blz. 80 t/m 83):

Wij, mijn vrouw en ik, reden gisteren ter hoogte van het [plaats 2] te [plaats 1] . Vervolgens zag ik aan de rechterkant jongens vechten. Ik zag jongens vechten, waaronder een Turkse jongen (de rechtbank begrijpt: verdachte), een blanke jongen en een Turkse jongen die later op de grond lag (de rechtbank begrijpt [medeverdachte]). Ik zag dat een jongen met een wit T-shirt (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 1]) met een baksteen in zijn hand op het achterhoofd sloeg van een andere jongen. Ik zag dat deze jongen hierdoor op de grond viel. Ik liep er naartoe. Ik zag dat de andere Turkse jongen de Nederlandse jongen die met de steen had geslagen, wilde slaan. Ik zag dat deze jongen boos was. Ik zag dat die Turkse jongen vervolgens een mes trok. Ik zag dat hij het mes uit zijn rechterbroekzak haalde. Ik hoorde dat de Turkse jongen, met het mes in zijn hand, riep: “Ik ga je dood maken” of gelijkende woorden. Ik zag dat de Turkse jongen de genoemde jongen met het witte T-shirt bedreigde met woorden en het mes. Ik zag dat de Turkse jongen de jongen met het witte T-shirt een klap gaf. Ik zag namelijk dat hij het mes in zijn rechterhand hield en met deze hand een vuistslag gaf op het oog van de jongen met het witte T-shirt. Ik zag dat dit met opzet en kracht gebeurde. Ik zag dat het rond het oog van de jongen met het witte T-shirt meteen begon te bloeden. Ik zag dat de jongen met het witte T-shirt door de vuistslag achterover viel. Ik zag dat deze jongen hierdoor met zijn hoofd op een stoeprand terecht kwam. Ik zag dat door de val bloed uit het achterhoofd van deze jongen kwam. De Turkse jongen wilde dat deze jongen, die gevallen was, op zijn knieën ging zitten. De jongen kreeg van de Turkse jongen nog een vuistslag op zijn kin of keel. De Turkse jongen bleef roepen, naar de jongen met het witte T-shirt: “Ik ga je afmaken” , “Ik ga je dood maken”. De Turkse jongen kwam agressief op mij over.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 22 juli 2018 door getuige [getuige 4] . [getuige 4] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring (doorgenummerde blz. 85 t/m 88):

Ik was gisteren samen met mijn man onderweg. In [plaats 1] zag ik op enig moment dat vier mannen met elkaar aan het vechten waren. Ze waren elkaar aan het duwen en aan het slaan. Ik zag toen de man in het wit een halve baksteen van de grond rapen en deze tegen het achterhoofd van de man in het geel slaan. De man met het gele shirt viel meteen achterover en viel met zijn rug in het gras. De man in het grijze shirt begon de man met het witte shirt en een man met een blauw shirt (de rechtbank begrijpt: [benadeelde 2]) aan te vallen. Ik zag dat de man in het grijze shirt de andere twee mannen rake klappen gaf. Ik zag dat de man met het grijze shirt de man met het witte shirt sloeg waardoor deze viel en met zijn hoofd op de straat kwam. Ik zag ook dat de man in het grijze shirt een mes in zijn handen had en daarmee zwaaiende bewegingen maakte, onder andere in de richting van de man in het witte shirt. De man in het blauw kreeg ook een paar harde klappen van de man in het grijs. Het gezicht van de man in het blauw zat ook helemaal onder het bloed. De man met het grijze shirt stond de hele tijd in een soort van vechthouding en sloeg alleen maar met vuisten. Hij wist volgens mij precies waar hij moest slaan, want het bloed spoot er soms uit. Hij gaf gerichte klappen met de vuist, stoten.

Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in als de op 23 juli 2018 door getuige B. [getuige 5] ten overstaan van verbalisant afgelegde verklaring (doorgenummerde blz. 89 t/m 93):

Op 21 juli 2018 was ik als bezoeker aanwezig in het [plaats 2] in [plaats 1] . In de namiddag hoorde en zag ik op een gegeven moment een man schreeuwen (persoon 1). Ik hoorde vervolgens een opstootje. Ik zag ook een andere persoon (persoon 2) en die gedroeg zich zeer agressief. Ik zag de eerste meneer op een gegeven moment op de grond liggen. Hij lag daar bewegingsloos. De tweede meneer liep in het rond tussen twee andere mannen, personen 3 en 4, en hij gebruikte echt buitensporig geweld. Dit bestond onder meer uit het slaan in het gezicht en trappen van persoon 3 en 4.

Persoon 2 ging gewoon tekeer als een vechtmachine. Hij kreeg zelf niks te verduren. Het kostte hem ogenschijnlijk geen moeite en hij leek heel geroutineerd, dan wel geoefend in wat hij deed.