Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4540

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
C/15/302865 / FA RK 20-2489
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beroep crisismaatregel en schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd

locatie Alkmaar

Beroep tegen een crisismaatregel / schadevergoeding

zaak-/rekestnr.: C/15/302865 / FA RK 20-2489

beschikking van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2020

naar aanleiding van het beroep ex artikel 7:6 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) tegen een crisismaatregel, ten aanzien van:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,

wonende [plaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- de burgemeester van de gemeente Zaanstad.

1 Procedure

1.1.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 13 mei 2020, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen een door de burgemeester van de gemeente Zaanstad op 7 mei 2020 aan hem opgelegde crisismaatregel en verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen van € 75,- per dag dat de crisismaatregel heeft geduurd, in totaal een bedrag van € 300,-. Bij het verzoekschrift zijn twee bijlagen gevoegd, te weten een afschrift van de bestreden beschikking en een Episode Journaal.

1.2.

In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de behandeling van het beroep schriftelijk plaatsgevonden en is een mondelinge behandeling achterwege gebleven.

De burgemeester van Zaanstad heeft zich in deze laten vertegenwoordigen door [hoofd afdeling Juridische Zaken] , hoofd afdeling Juridische Zaken van de gemeente Zaanstad, die namens de burgemeester een schriftelijke reactie op het beroepschrift heeft gegeven, ingekomen ter griffie op 8 juni 2020. De burgemeester heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. Van betrokkene is op 10 juni 2020 een reactie ontvangen, waarin hij persisteert bij het beroep en het verzoek om schadevergoeding.

2 Het standpunt van partijen

2.1.

Verzoeker heeft zijn beroep gegrond op de stelling dat de burgemeester niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 7:1 van de Wvggz op de burgemeester rustende hoorplicht. Verzoeker heeft aangevoerd dat uit het Episode Journaal valt af te leiden dat er op 7 mei 2020 tussen 15:54 uur en 15:57 uur een drietal pogingen lijkt te zijn gedaan om telefonisch contact te hebben ten behoeve van het horen van verzoeker. Op een zitting van 11 mei 2020, waar het verzoek om voortzetting van de crisismaatregel door de rechtbank is afgewezen wegens het niet langer aanwezig zijn van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, bleek dat dit niet gelukt zou zijn wegens technische problemen, althans dat was de verklaring van verzoeker zelf. De burgemeester heeft een eigen verantwoordelijkheid in deze en dient zelf vast te stellen of iemand al dan niet gehoord dient te worden. De burgemeester mag er hierbij niet te licht van uitgaan dat horen niet mogelijk is. Een drietal pogingen in een tijdbestek van drie minuten, waarbij het vervolgens nog bijna vijftig minuten duurt alvorens de crisismaatregel wordt genomen, voldoet niet aan die wettelijke eis. Niet duidelijk is waarom er niet bijvoorbeeld later nog een poging had kunnen worden ondernomen, al dan niet met gebruikmaking van een andere telefoon(lijn), aldus verzoeker.

2.2

De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat in het verslag van horen is aangegeven dat de eerste keer dat er telefonisch contact was met de hooragent, verzoeker de hooragent niet liet uitspreken en zelf heeft opgehangen. De hooragent heeft nogmaals gebeld en verzoeker nam toen niet meer op. Ook op een ander nummer nam verzoeker niet op. Nu er wel contact is geweest, welk contact door verzoeker zelf is verbroken, is het niet aannemelijk dat er sprake was van technische problemen. Indien iemand overduidelijk geen contact wenst, is voldoende gedaan om aan de hoorplicht te voldoen.

3 Beoordeling

3.1

Uit het door de burgemeester overgelegde hoorverslag blijkt dat de hooragent telefonisch contact heeft gehad met verzoeker voorafgaand aan het opleggen van de crisismaatregel en dat verzoeker de hooragent niet liet uitspreken en de verbinding heeft verbroken. Daaruit volgt dat voldaan is aan de in artikel 7:1 van de Wvggz neergelegde wettelijke verplichting van de burgemeester om verzoeker, zo mogelijk, in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Ook heeft de burgemeester uit de handelwijze van verzoeker mogen afleiden dat verzoeker geen verder contact wilde hebben.

3.2.

Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

4 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep tegen de crisismaatregel van 7 mei 2020 ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, rechter, in tegenwoordigheid van

M.C. Zentveld als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.