Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4518

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
15/710449-10; 15/710280-14; 15/710036-18 (gevoegd ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor een gevangenisstraf van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 120 uur wegens meerdere oplichtingen, verduisteringen en diefstal in vereniging. Verdachte moet schadevergoeding betalen aan 12 benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/710449-10; 15/710280-14; 15/710036-18 (gevoegd ttz)

Uitspraakdatum: 18 juni 2020

Tegenspraak (art. 279 Sv)

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 juni 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt van de officier van justitie, mr. G. Visser en van hetgeen door mr. D.W.H.M. Wolters, raadsman van verdachte, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 4 juni 2020 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

In dit vonnis wordt de zaak onder parketnummer 15/710449-10 aangeduid als dossier I, de zaak onder parketnummer 15/710280-14 als dossier II en de zaak onder parketnummer 15/710036-18 als dossier III.

2 Voorvragen

2.1.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

2.1.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, omdat de redelijke termijn van berechting ruimschoots is overschreden, terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is. Daarbij komt dat verdachte zich na al die jaren niets meer van deze feiten kan herinneren en dat de feiten waarvan verdachte wordt verdacht een overwegend civielrechtelijk karakter hebben. Door na ommekomst van extreem veel tijd, onder de gegeven omstandigheden, verdachte verder te vervolgen handelt de officier van justitie in strijd met de beginselen van een redelijke en billijke belangenafweging. In elk geval voor dossier I en II moet niet-ontvankelijk verklaring volgen.

2.1.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat zij ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, omdat volgens vaste jurisprudentie de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid maar moet worden gecompenseerd in de strafmaat.

2.1.3.

Oordeel van de rechtbank

Volgens vaste Nederlandse rechtspraak heeft, wanneer het gaat om de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

In dossier I is verdachte ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde op 2 maart 2010 in verzekering gesteld. De rechtbank zal deze datum als aanvangsdatum van de op redelijkheid te beoordelen termijn nemen, nu niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem in deze zaak een strafvervolging zou worden ingesteld. Op 3 mei 2013 heeft de rechtbank verzoeken van de verdediging om getuigen te doen horen ingewilligd. Op 24 november 2014 is de laatste toegewezen getuige gehoord. De rechtbank zal de tijd die gemoeid is geweest met de uitvoering van het toegewezen verzoek tot horen van de getuigen niet meerekenen bij het bepalen van het tijdsverloop, nu deze vertraging voor rekening van de verdediging komt. Dat geldt ook voor het tijdsverloop tussen de voorgaande terechtzitting van 3 februari 2020 en de terechtzitting van 4 juni 2020, nu de raadsman zelf om aanhouding heeft verzocht (wegens ziekte). Omdat het eindvonnis zonder die aanhoudingen op zijn vroegst op 17 februari 2020 zou hebben kunnen worden gewezen, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim zes jaar in dossier I.

In de zaak van dossier II heeft de rechtbank op 18 november 2016 aan de raadsman van verdachte laten weten dat de zaak zou worden ingepland voor behandeling ter terechtzitting. De rechtbank zal deze datum als aanvangsdatum van de op redelijkheid te beoordelen termijn nemen, nu niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem in deze zaak een strafvervolging zou worden ingesteld. Op 10 februari 2017 heeft de raadsman de rechter-commissaris verzocht een getuige te horen. Deze getuige is op 31 mei 2017 gehoord. De rechtbank zal de tijd die gemoeid is geweest met de uitvoering van het toegewezen verzoek tot het horen van deze getuige niet meerekenen bij het bepalen van het tijdsverloop, nu deze vertraging voor rekening van de verdediging komt. Dat geldt ook voor het tijdsverloop tussen de voorgaande terechtzitting van 3 februari 2020 en de terechtzitting van 4 juni 2020, nu de raadsman zelf om aanhouding heeft verzocht (wegens ziekte). Omdat het eindvonnis zonder die aanhoudingen op zijn vroegst op 17 februari 2020 had kunnen worden gewezen, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim elf maanden in dossier II.

De zaak van dossier III stond aanvankelijk voor inhoudelijke behandeling gepland op 17 juli 2017. Op 15 mei 2017 is de raadsman echter namens de rechtbank gebeld met de mededeling dat de zitting niet door zou gaan. Er waren namelijk nieuwe feiten bekend geworden en de zaak zou op een later tijdstip gelijktijdig worden aangebracht met de zaak met parketnummer 15/710036-18. De rechtbank zal 15 mei 2017 als aanvangsdatum van de op redelijkheid te beoordelen termijn nemen, nu niet is gebleken dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte eerder een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem in deze zaak een strafvervolging zou worden ingesteld. Op 3 februari 2020 zouden de zaken van dossier I, II en III tegen verdachte gelijktijdig worden behandeld. De raadsman heeft echter om aanhouding verzocht wegens ziekte. De rechtbank zal de tijd die is verstreken tussen 3 februari 2020 en 4 juni 2020 niet meerekenen bij het bepalen van het tijdsverloop, nu deze vertraging voor rekening van de verdediging komt. Omdat het eindvonnis zonder die aanhoudingen op zijn vroegst op 17 februari 2020 had kunnen worden gewezen, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim negen maanden in dossier III.

Overschrijding van de redelijke termijn van berechting leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat de termijnoverschrijding wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden afgeweken van bovenbedoelde regel uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Enige andere grond die tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden is niet gebleken. Het ontvankelijkheidsverweer wordt om die reden verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

2.2.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Standpunten ten aanzien van bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot (partiële) vrijspraak van de volgende ten laste gelegde feiten:

- dossier I,
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 1] en
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 18] , uitsluitend ter zake van de APK-keuring;

het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 3] ;
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 4] , uitsluitend voor wat betreft het recht op garantie,

  • -

    dossier II,
    feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 5] ,

  • -

    dossier III,
    feit 1 tweede alternatief ten aanzien van [slachtoffer 19] .

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de volgende ten laste gelegde feiten:

- dossier I,
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 18]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] en [slachtoffer 25] ,
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 26] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 27]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] ,

feit 3, primair

  • -

    dossier II,
    feit 1 ten aanzien van [slachtoffer 30] en [slachtoffer 31] ,
    feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 32] , [slachtoffer 33] , [slachtoffer 34] en [slachtoffer 35] ,

  • -

    dossier III
    feit 1, eerste alternatief ten aanzien van [slachtoffer 19] en
    feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 2] .

De officier van justitie heeft verzocht de tenlastelegging in dossier I zo te lezen dat waar zij voor feit 1 bewezenverklaring vordert van oplichting, de verduistering als subsidiair ten laste gelegd wordt beschouwd. Omdat de rechtbank niet steeds tot dezelfde conclusies komt als de officier van justitie, gaat de rechtbank omwille van de werkbaarheid en duidelijkheid aan dit verzoek voorbij en houdt zij de in de dagvaarding gekozen vorm van tenlastelegging (cumulatief/alternatief) aan.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is algehele vrijspraak bepleit in dossiers I, II en III. Door de raadsman is hiertoe overkoepelend het volgende aangevoerd.

Niet kan worden bewezen dat de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde oplichtingen en verduisteringen van voldoende gewicht is geweest om hem als pleger of medepleger te kunnen kwalificeren. Uit het dossier blijkt dat de koopovereenkomst telkens is gesloten met een autobedrijf. Dat verdachte leiding gaf aan een autobedrijf of bestuurder was, is in elk geval niet voldoende voor medeplegen.

Verder kan van (wederrechtelijke) toe-eigening door verdachte geen sprake zijn, nu uit het dossier ook blijkt dat de (aan)betalingen zijn gedaan aan de ondernemingen en niet aan verdachte. Steeds is de onderneming eigenaar geworden van het geld.

Dat de slooppremie in een aantal gevallen niet is uitbetaald levert volgens de raadsman geen oplichting op, aangezien tussen partijen rechtsgeldig overeen is gekomen dat deze premie alleen zou worden uitgekeerd indien de aanvraag onder de Nationale Sloopregeling werd toegekend. Dat de aanvraag blijkbaar niet altijd is toegekend en dus niet uitgekeerd, kan niet als oplichtingsmiddel worden aangemerkt.

In de van de overeenkomsten deel uitmakende algemene voorwaarden is opgenomen dat aanbetalingen slechts onder bepaalde voorwaarden worden geretourneerd. Het feit dat er aanbetalingen niet zijn terugbetaald wanneer niet aan deze voorwaarden werd voldaan kan volgens de verdediging dus niet worden gekwalificeerd als oplichting dan wel verduistering. Wat betreft de onjuiste kilometerstanden blijkt uit de leverings- en betalingsvoorwaarden dat de kilometerstanden niet gegarandeerd worden. Kopers hebben hiervoor getekend, zodat zij hiervan op de hoogte hadden moeten zijn. Dat betekent volgens de raadsman dat niet kan worden gezegd dat sprake is van een oplichtingsmiddel in de gevallen waarin sprake is van een onjuiste kilometerstand.

Wat het in dossier I onder 3 ten laste gelegde feit betreft heeft de raadsman betoogd dat de auto’s niet gestolen zijn, of zoals de rechtbank het verweer begrijpt, de toe-eigening niet wederrechtelijk is geweest, omdat verdachte eigenaar was geworden van de bewuste auto’s. Wat de overige goederen betreft, kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat verdachte deze heeft meegenomen.

Op de individuele gevallen waarin door de raadsman per feit verweer is gevoerd, zal de rechtbank hieronder ingaan voor zover de gevoerde verweren niet reeds door de bewijsmiddelen worden weerlegd.

4 Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het bewijs

4.1.

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de volgende feiten, die verdachte zijn ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken:

- dossier I,
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 15] (mede namens [slachtoffer 36] ), [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13]

en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 16] en [slachtoffer 3] ,
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 27] ,

  • -

    dossier II,
    feit 1 ten aanzien van [slachtoffer 30] ,
    feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 5] ,

  • -

    dossier III,
    feit 1 tweede alternatief ten aanzien van [slachtoffer 19] .

4.2.

Bewijs

De rechtbank grondt de beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

4.2.1.

Bewijsmotivering

Inleidend

De politie heeft vanaf juni 2009 tot en met februari 2010 een twintigtal aangiftes opgenomen van oplichting of verduistering tegen een op [adres] gevestigd autobedrijf. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld en is op 2 maart 2010 verdachte aangehouden en verhoord. In 2012 is nog een vijftal aangiftes opgenomen van oplichting of verduistering tegen een op [adres] gevestigd autobedrijf. Hiernaar is verder onderzoek gedaan, waarbij verdachte in augustus 2012 een verklaring daarover heeft afgelegd. Een en ander heeft geleid tot de dagvaarding in dossier I. Alleen feit 3 van dossier 1 betreft een losstaande zaak, waarover een afzonderlijke bewijsoverweging zal volgen.

Vervolgens is bij de politie vanaf maart 2012 tot en met januari 2013 een vijftiental nieuwe aangiftes opgenomen van oplichting of verduistering tegen een op [adres] gevestigd autobedrijf. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld en is verdachte in oktober 2013 verhoord. Dit onderzoek heeft geleid tot de dagvaarding in dossier II.

Vervolgens is bij de politie vanaf september 2015 tot en met februari 2017 een drietal aangiftes opgenomen van oplichting of verduistering tegen op [adres] respectievelijk op de [adres] gevestigde autobedrijven. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld en is verdachte in januari 2018 verhoord. Dit onderzoek heeft geleid tot de dagvaarding in dossier III.

Overwegingen over het bewijs op onderdelen in het licht van verweren en opmerkingen van de verdediging

In dossier I in zijn verklaring van maart 2010 spreekt verdachte over het bedrijf aan de [adres] , waarbij hij bevestigt dat de [bedrijfsnaam] alle aan het bedrijf op dat adres kunnen worden gekoppeld. Hieruit valt af te leiden dat op dat adres één bedrijf handelde in tweedehands auto’s, en dat voor dat bedrijf verschillende handelsnamen in gebruik waren.

In zijn verklaring van 22 augustus 2012 zegt verdachte dat op dat moment ‘de officiële naam’ van zijn bedrijf ‘ [bedrijfsnaam] ’ is en bevestigt hij andermaal dat er verschillende namen worden gebruikt in advertenties en circuleren op internet voor het bedrijf. De rechtbank zal dan ook hierna voor dossier I - simpelweg en overkoepelend - spreken van het autobedrijf.

In zijn verklaring van oktober 2013 in dossier II benoemt verdachte verschillende handelsnamen voor het autobedrijf, dat in de in dossier II relevante periode aan de [adres] actief was, waaronder [bedrijfsnaam] . Onder verwijzing naar wat hierboven voor dossier I op dat punt is gezegd, zal hierna ook voor dossier II de rechtbank spreken van het autobedrijf.

In dossier III volgt een bewezenverklaring ten aanzien van een transactie in augustus 2015 met een autobedrijf gevestigd aan de [adres] , hierna aan te duiden als het autobedrijf aan de [adres] . En er volgt een bewezenverklaring ten aanzien van een transactie in november 2016 met een autobedrijf genaamd [bedrijfsnaam] gelegen aan de [adres] . Dit bedrijf zal worden aangeduid als [bedrijfsnaam] .

Hierna zal de rechtbank (gemakshalve) vaak de aanduiding ‘het bedrijf’ als handelend onderwerp gebruiken. Deze aanduiding draagt hierna niet de betekenis van rechtspersoon. Onder het kopje ‘medeplegen’ zal de rechtbank uiteenzetten dat het gaat om het als medeplegen te kwalificeren handelen van verdachte en betrokken verkopers.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Het autobedrijf aan de [adres] was gevestigd in een groot pand. Het bedrijf heeft een professionele showroom, met een aanzienlijk aantal auto’s in de verkoop. Er zijn verschillende verkopers actief.

Op het pand is het logo van de Stichting Nationale Autopas (NAP) zichtbaar aangebracht. Feitelijk is het bedrijf in geen van de ten laste gelegde periodes aangesloten geweest bij de Stichting NAP en was het niet gerechtigd dit logo te voeren. In dossier II heeft [verbalisant 1] op 17 december 2012 gezien dat er Bovag-vlaggen aan het pand waren bevestigd. Blijkens opgave van de Bovag hebben alleen leden het recht tot het voeren van deze vlaggen en is geen van de bedrijfs/handelsnamen waaronder het bedrijf aan de [adres] actief is bij Bovag bekend als (oud) lid.

Het bedrijf aan de [adres] biedt auto’s te koop aan in (online) advertenties. In het dossier bevinden zich advertenties van het bedrijf waarin een precieze kilometerstand is opgenomen, waarin het NAP-logo is opgenomen en waarin de Nationale Autopas als km-certificaat vermeld staat.

In het dossier bevindt zich een print van de site [bedrijfsnaam] van 30 oktober 2016 waarin is opgenomen “Door onze auto’s met het nap-logo, aan te bieden met een NAP-kilometercertificaat bent u verzekerd van de juiste kilometerstand.”

Uit bovenstaande opsomming volgt dat elk van de bedrijven zich aan de buitenwereld en potentiële kopers presenteert als een professionele bonafide aanbieder van tweedehandsauto’s.

Modus operandi

Anders dan kennelijk de raadsman blijkens zijn pleitnota tot uitgangspunt neemt, wordt naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de feiten gedaan indien elk geval afzonderlijk wordt beschouwd. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af met betrekking tot de werkwijze van de verdachte en de verkopers die in de bewezen verklaarde pleegperioden met hem samenwerkten. Dit is redengevend bewijs voor de bewezenverklaring van alle feiten. De bewijsmiddelen worden daartoe in hun onderling verband en samenhang gebezigd. Aldus hebben de bewijsmiddelen niet alleen betrekking op het feit waarop zij blijkens hun inhoud rechtstreeks betrekking hebben. Zij versterken ook de bewijswaarde en bewijskracht van de bewijsmiddelen voor de feiten waarvoor zij niet direct redengevend zijn.

Uit de aangiftes komt een aantal patronen naar voren in de handelwijze door de autobedrijven voorafgaand aan, ten tijde van en na de verkooptransacties.

Aanbetalingen

Zo blijkt uit meerdere aangiftes dat van de klant eerst een aanbetaling wordt geëist voordat er gelegenheid wordt gegeven om een proefrit te doen. Wanneer de klant na de proefrit van de koop wil afzien, wordt geweigerd de aanbetaling terug te betalen. Deze werkwijze is onder meer aan de orde bij [slachtoffer 16] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 29] , [slachtoffer 28] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 19] en [slachtoffer 2] .

In verschillende aangiftes komt naar voren dat er bij het eerste bezoek aan het bedrijf door een verkoper een reden wordt genoemd waarom het niet mogelijk is terstond een proefrit te maken. Wel wordt een aanbetaling gevraagd, vaak met de mededeling dat de auto dan wordt gereserveerd voor aangever. In ruim het merendeel van de bovenstaande gevallen wilde de aangever vervolgens van de koop afzien althans niet tot koop overgaan, omdat hij/zij voorafgaand aan of ten tijde van de proefrit op een afwijkend kenmerk van de proefritauto stuitte ten opzichte van de kenmerken van de auto waarvoor de klant de aanbetaling had gedaan. Aan [slachtoffer 21] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 31] , [slachtoffer 19] en [slachtoffer 28] is na de aanbetaling (en in geval van [slachtoffer 21] en [slachtoffer 20] het volledige aankoopbedrag) in het geheel geen auto geleverd.

Slooppremie voor ingeruilde auto

Verder blijkt uit een aantal aangiftes dat bij de aankoop van een nieuwe auto een auto werd ingeruild, waarvoor de sloopregeling zou gelden. Kopers moesten wel het volledige aankoopbedrag (inclusief de in het vooruitzicht gestelde slooppremie) voldoen en de inruilauto afgeven, maar met de toezegging dat – zodra het bedrijf de slooppremie voor de inruilauto had ontvangen – dit bedrag aan de koper zou worden uitbetaald. Dit is onder meer aan de orde bij aangevers [slachtoffer 6] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] .

Afwijkende kilometerstand

Uit de aangiftes van onder meer [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 32] , [slachtoffer 33] , [slachtoffer 34] en [slachtoffer 35] blijkt dat de kilometerstand waarmee de auto werd verkocht achteraf (na betaling van het volledige aankoopbedrag) niet bleek te kloppen volgens de registraties bij NAP. Bij een deel van deze gevallen was er bij de koop een APK-keuringsrapport meegeleverd maar bleek naderhand de daarop genoteerde kilometerstand lager te zijn dan de stand die voorheen bij NAP was geregistreerd.

Reparaties

Bij weer een ander deel van de aangevers (onder wie [slachtoffer 18] en [slachtoffer 26] ) werd aan de koper, al dan niet naar aanleiding van diens ervaring bij de proefrit, toegezegd dat er alsnog een keuring was verricht en/of reparaties waren uitgevoerd, waarna tot betaling van het aankoopbedrag werd overgegaan. Naderhand bleek dat niet het geval te zijn.

Voorts acht de rechtbank het volgende van belang. Volgens de eigen verklaring van verdachte was het autobedrijf aan de [adres] niet aangesloten bij de Stichting NAP. In maart 2010 heeft hij verklaard dat er op het pand aan de [adres] nog NAP-stickers van andere autobedrijven zaten en “wij hebben de stickers afgeplakt gehad” en dat de stickers niet uitmaken en helemaal niet belangrijk zijn. Verdachte heeft in maart 2010 verklaard dat hij de auto’s laat keuren bij Walker Trading, een keuringsstation eveneens gevestigd aan de [adres] . Volgens hem is de kilometerstand die op het APK-rapport staat de afgelezen kilometerstand en hoeft deze niet overeen te komen met de gereden kilometers. In oktober 2013 heeft verdachte verklaard op het punt van de kilometerstand naar aanleiding van een aangifte dienaangaande “Het kan zijn dat de teller vervangen is. Het kan zijn dat er een reparatie is geweest is aan de klok (de rechtbank begrijpt: de kilometertellerklok). Het kan ook zijn dat er met de kilometers is gesleuteld. Wij verkopen heel veel voertuigen en het kan zijn dat dat is gebeurd. Wij wisten vaak niet wat er met de voertuigen was gebeurd”. En naar aanleiding van een andere aangifte betreffende de kilometerstand, op de vraag of als het tellerwerk vervangen is in een auto dat niet bij de koop wordt vermeld: “Als we dat van een paar honderd auto’s uit het hoofd moeten weten welke wel en welke niet zouden kloppen is dat een onmogelijke opgave waarbij fouten niet uit te sluiten zijn. Als de verkoper niet op de hoogte was van dit feit dan werd dit niet vermeld. Een verkoper kan niet uit zijn hoofd weten, welke op voorraad staan gegarandeerd waren. Wij gaven het ook niet vaak door aan het NAP, dat moet ik eerlijk toegeven. Kijk als het een auto is van 11 jaar oud dan maakt dat niet zo heel veel meer uit”.

Deze verklaringen zijn van betekenis in de sleutel van de voor bewezenverklaring van oplichting vereiste oplichtingsmiddelen en oogmerk (en hierna in de sleutel van medeplegen). Immers, uit deze verklaringen komt naar voren dat het kennelijk binnen het beleid van het bedrijf viel om auto’s te verkopen met een stand op de kilometerteller die lager was dan de werkelijk gereden kilometers. Ook viel binnen het bedrijfsbeleid om APK-goedkeuringsrapporten mee te leveren waarop die te lage kilometerstand was vermeld. Verder viel het binnen het bedrijfsbeleid om buiten de waarborgen van de NAP om te handelen bij de verkoop van de tweedehandsauto’s of zelfs in strijd daarmee door ervoor te kiezen onjuiste kilometerstanden niet door te geven aan NAP. En om op het bedrijfspand het NAP-logo zichtbaar te voeren, hoewel het bedrijf niet bij de Stichting NAP was aangesloten.

Oplichting

Voor de vraag of sprake is van oplichting in de zin van art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer. Voor de beoordeling van het gewicht van het gehanteerde oplichtingsmiddel kunnen als relevante omstandigheden gelden: het misbruik maken van een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon, of het veelvuldig herhalen van identieke gedragingen in relatie tot telkens weer andere (beoogde) slachtoffers. Bij het gebruik van een samenweefstel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Daarbij kan ook betekenis toekomen aan een zichtbaar gedragspatroon (vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, NJ 2017/158, rov. 2.3.2).

De rechtbank stelt voorop dat als feit van algemene bekendheid kan gelden dat voor de waarde van tweedehandsauto’s het aantal gereden kilometers bepaald een relevante factor is. Verder is de Stichting NAP algemeen bekend en erkend als betrouwbare organisatie die het terugdraaien van kilometertellers actief tegengaat. Het voeren van het NAP-logo impliceert een bepaalde kwaliteit van de betreffende handelaar in tweedehands auto’s. Ook APK-goedkeuringen zijn algemeen erkend als waarborg voor een zekere kwaliteit en betrouwbaarheid. Zoals hierboven aangegeven komt uit de verschillende aangiftes een zichtbaar gedragspatroon naar voren. Uit dit patroon en uit de hierboven weergegeven verklaringen van verdachte, anders gezegd uit de stelselmatigheid van het handelen bij de verkoop en uit de aantallen slachtoffers is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat degene die namens het autobedrijf betrokken waren bij de totstandkoming en afwikkeling van de koop, telkens handelden volgens wat kennelijk bedrijfsbeleid was. Voor de bewezenverklaarde gevallen van oplichting volgen de gebezigde oplichtingsmiddelen uit de bewijsmiddelen. In het bijzonder overweegt de rechtbank nog dat bij het in de betreffende gevallen meeleveren van APK-rapporten met vermelding van een te lage kilometerstand tevens misbruik is gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer geldende verwachtingspatroon ten aanzien van de status van APK-goedkeuringen. Bij het simuleren bij het NAP aangesloten te zijn, is in de betreffende gevallen sprake van vergelijkbaar misbruik.

Verder overweegt de rechtbank nog dat voor alle bewezenverklaarde gevallen geldt dat niet kan worden gezegd dat het slachtoffer de hem/haar voorgespiegelde onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Daarbij verwijst de rechtbank naar de hierboven weergegeven vaststelling van de feiten en omstandigheden, waaronder de wijze waarop de verschillende bedrijven zich naar de buitenwereld presenteerden.

De vaststelling dat in de bewezenverklaarde gevallen sprake is van verduistering wordt niet ontkracht door wat er al dan niet in algemene voorwaarden is opgenomen aangaande recht op restitutie van de aanbetaling. Daarbij komt nog dat de rechtbank op grond van het dossier niet kan vaststellen en evenmin door de verdediging aannemelijk is gemaakt dat bij de bewezenverklaarde gevallen algemene voorwaarden van toepassing waren of hoe deze voorwaarden in die gevallen luidden.

Aan de vaststelling doet verder evenmin af dat er naast de bewezenverklaarde gevallen ook vele probleemloze verkooptransacties kunnen of zullen zijn geweest, zoals de raadsman heeft aangevoerd. Anders gezegd, dat er bij auto’s en transacties zonder problemen geen aangiftes volgen doet niet af de vaststellingen aangaande de bewezenverklaarde transacties en auto’s die wel problemen kenden.

De rechtbank komt tot vrijspraak van oplichting in die gevallen waarin naar het oordeel van de rechtbank op grond van dossier onvoldoende bewijs voorhanden is dat bij afgifte van de aanbetaling een oplichtingsmiddel is ingezet, dat koper ertoe heeft bewogen die aanbetaling te doen.

Verduistering

De rechtbank komt ten aanzien van een deel van de aangiftes die zien op niet terugontvangen van de aanbetaling tot bewezenverklaring van verduistering. In die gevallen geldt telkens dat wettig en overtuigend is bewezen dat de aanbetaling weliswaar rechtmatig door het bedrijf onder zich werd gehouden, maar de rechtmatige grondslag daaraan kwam te ontvallen op het uit de aangifte blijkende moment. Door daarna geen gehoor te geven aan de eis de aanbetaling terug te betalen en deze te houden, heeft het bedrijf zich de aanbetaling wederrechtelijk toegeëigend. Dit geldt wat er ook zij van de algemene voorwaarden, onder herhaling van bovenstaande overweging over de algemene voorwaarden.

Een tweede patroon bestaat eruit dat bij de koop tevens een inruilauto werd ingenomen onder de toezegging dat de slooppremie van de Nationale Sloopregeling aan aangever ten goede zou komen maar deze nooit aan de aangever is uitgekeerd.

Deze werkwijze is aan de orde bij aangevers [slachtoffer 6] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 15] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] .

Uit deze aangiftes komt als ‘gemene deler’ naar voren dat geen van de aangevers de slooppremie ooit heeft ontvangen, dat telkens bij navraag als verklaring door de autohandelaar werd opgegeven dat de inruilauto om een of andere, vaak niet nader gespecificeerde reden niet voldeed aan de vereisten voor de slooppremie en dat geen van de inruilauto’s aan de aangever is geretourneerd. Uit nader onderzoek en verklaringen van verdachte volgt dat de inruilauto’s ofwel door het bedrijf ter sloop zijn aangeboden (anders dan onder de slooppremieregeling) ofwel zijn overgedragen aan een derde.

Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voor het oogmerk van oplichting ten aanzien van de inruilauto’s in het kader van de slooppremieregeling. De rechtbank komt dan ook voor de gevallen waarin de inruilauto door de aangever is afgegeven aan het bedrijf tot vrijspraak van de oplichting.

Wel acht de rechtbank bewezen de verduistering van de inruilauto’s. Dat de inruilauto telkens door de koper werd afgegeven met het uitdrukkelijk afgesproken doel deze onder de slooppremieregeling te laten slopen (ter verkrijging van de daaraan verbonden premie) blijkt niet alleen uit de aangiftes. Ook uit de eigen verklaring van verdachte blijkt dat dit zo was en dat hij daarmee bekend was. Door de inruilauto’s – die het bedrijf als verkoper na de afgifte rechtmatig onder zich hield – (om welke reden ook) niet onder de slooppremieregeling te laten slopen, maar deze eigenmachtig ofwel over te dragen aan een derde ofwel buiten de slooppremieregeling om te laten slopen, hebben verdachte en zijn medewerkers over iedere inruilauto, in afwijking van het overeengekomen doel, beschikt als heer en meester. Daarbij verwijst de rechtbank naar het arrest van HR 5 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4638, NJ 2011/175. Aldus is bij iedere in de bewezenverklaring opgenomen inruilauto sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak voor de bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van sprake is van voldoende nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met een of meer anderen. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste mate van nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat verdachte bij iedere afzonderlijke verkoop persoonlijk uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Over zijn rol in het autobedrijf in de bewezen verklaarde pleegperioden van dossier I stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte heeft in maart 2010 verklaard dat hij het pand aan de [adres] is gaan huren. De rechtbank acht hier verder relevant de hierboven weergegeven verklaring van verdachte over de NAP-stickers. Verder verklaart hij dat hij verantwoordelijk is voor de in- en verkoop van de auto’s van het bedrijf. Ook verklaart verdachte dat hij over de slooppremie altijd duidelijk afspreekt dat de klant die ontvangt als die aan hem is uitgekeerd. In augustus 2012 verklaart verdachte dat hij aan niemand verantwoording aflegt, verklaart hij over wie op de loonlijst staan en dat hij sommige mensen inhuurt zonder dat ze bij hem op de loonlijst staan. Voor een aantal concrete verkooptransacties blijkt uit de verklaring van de aangever en/of getuige en/of de verklaring van verdachte zelf dat verdachte persoonlijk bij de totstandkoming of afwikkeling daarvan betrokken was. Verder blijkt uit de verklaringen van verdachte dat hij in elk geval steeds weet heeft van de verschillende transacties en/of van wat er al dan niet met de kopers is afgesproken. Ook komt uit verschillende aangiftes en uit de eigen verklaring van verdachte naar voren dat hij degene is die beslist over de gegrondheid van de klacht van de koper.

Over zijn rol in het autobedrijf in de bewezen verklaarde pleegperioden in dossier II komt het volgende naar voren. Verdachte is in zijn verklaring van oktober 2013 over zijn betrokkenheid weliswaar terughoudender, maar hij verklaart wel op de vraag of hij werkzaam is geweest bij het bedrijf dat hij inderdaad bestuurder was en ook af en toe meehielp. Met andere woorden, verdachte kan worden aangeduid als ‘meewerkend voorman’.

Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte gedetailleerde kennis heeft van de gang van zaken en werkwijze in het bedrijf. Zo verklaart verdachte dat het autobedrijf niet was aangesloten bij de Stichting NAP. De rechtbank acht hier verder relevant de hierboven weergegeven verklaring van verdachte over de werkwijze in het bedrijf ten aanzien van de kilometerstand. Verder verklaart verdachte dat in eerste instantie de verkoper verantwoordelijk is voor de afspraak en dat hij in beeld komt op het moment dat een klant zijn/haar aanbetaling terugvraagt.

Voor de concrete transacties in dossier II volgt voor een deel daarvan uit de verklaring van de aangever en/of de verklaring van verdachte zelf dat verdachte persoonlijk bij de totstandkoming of afwikkeling van de verkooptransactie betrokken was of dat hij weet heeft van de transacties en/of van wat er al dan niet met de koper is afgesproken. Voor een ander deel komt de eigen verklaring van verdachte er op neer dat hij zich die transactie niet (goed) kan herinneren. Maar dit kan naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk doen aan de vaststelling van zijn kennis omtrent de gang van zaken in het bedrijf en zijn rol als ‘meewerkend voorman’.

In dossier III is de verklaring van verdachte van januari 2018 is van de strekking dat hij zichzelf verhuurt als freelancer aan bedrijven, kennelijk in de autobranche.

[Verbalisant 2] heeft als zijn bevindingen gerelateerd dat in zijn periode als wijkagent in Badhoevedorp, te weten van oktober 2013 tot en met juli 2015, hij regelmatig in het autobedrijf [bedrijfsnaam] gevestigd aan de [adres] is geweest, dat verdachte zich daar voorstelde als de hoofdverantwoordelijke, de manager van [bedrijfsnaam] , dat verdachte zijn vaste contactpersoon was voor meldingen/aangiftes van conflicten tussen het bedrijf en klanten, dat als verdachte er niet was de wijkagent zaken deed met [naam] , en dat deze [naam] over sommige zaken geen beslissingen mocht nemen, zodat de wijkagent moest wachten tot verdachte er weer was.

Blijkens de aangifte antwoordt ene [naam] op 15 augustus 2015 de koper desgevraagd dat de geadverteerde camper nog te koop is. Uit onderzoek van de politie blijkt dat de camper bij de RDW op dat moment op naam stond van [bedrijfsnaam] Verdachte geeft in zijn verklaring van januari 2018 op de vraag welk telefoonnummer hij gebruikt, aan dat hij geen ander telefoonnummer heeft dan dat het nummer bij [bedrijfsnaam] . Verhoord over deze transactie verwijst verdachte naar [bedrijfsnaam] .

[Verbalisant 3] heeft als zijn bevindingen gerelateerd dat hij als wijkagent van Hoofddorp Noord-Oost ermee bekend was dat verdachte vaak verblijft op het perceel aan de [adres] , dat hij daar ook op 3 januari 2017 verdachte in de garage achter een bureau aan het werk aantrof. Blijkens de getuigenverklaring van [getuige 1] , de partner van aangeefster, hadden zij bij het eerste bezoek aan het bedrijf de eigenaar gezien, die zich als zodanig voorstelde en zei de verkoper na de proefrit dat hij met zijn baas moest overleggen over het terugstorten van het aanbetaalde bedrag en belde de dag daarna de eigenaar van [bedrijfsnaam] , geheten [naam] .

De hierboven in de sleutel van oplichting relevant geachte en weergegeven verklaringen van verdachte acht de rechtbank ook voor medeplegen relevant. Uit de verklaringen blijkt dat verdachte van de handelspraktijken en de gang van zaken in het bedrijf wetenschap had. Verder volgt uit die verklaringen in samenhang met de aangiftes dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat de verkopers die wetenschap eveneens hadden. Dat alle verkopers op dezelfde wijze opereerden, kan alleen worden verklaard doordat daarover kennelijk werkafspraken bestonden.

Concluderend staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van alle voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, vast voor de bewezenverklaarde feiten in dossier I, II en III dat verdachte een leidinggevende rol heeft gehad bij het eerder omschreven verkoopproces van tweedehands auto’s. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met in elk geval de verkopers de verkooptransacties met de aangevers van de (of als oplichting of als verduistering) bewezenverklaarde feiten is aangegaan en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de verkooptransacties waarvoor oplichting dan wel verduistering is bewezen.

Dossier I feit 3 wederrechtelijkheid

Het bewijsverweer dat de toe-eigening niet wederrechtelijk was, omdat de weggenomen auto’s door de aangever aan verdachte waren verkocht, faalt.

Van een wederrechtelijke toe-eigening is sprake indien een goed wordt weggenomen zonder dat de verdachte een titel heeft om dat eigenmachtig te doen (Hoge Raad 15 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1496). Uit het dossier blijkt dat de auto’s op het moment dat verdachte deze op ging halen in strafrechtelijke zin toebehoorden aan aangever. Verdachte heeft verklaard dat hij de auto’s en de inboedel met drie andere personen zonder overleg met aangever heeft opgehaald, op een moment dat aangever niet in het bedrijfspand aanwezig was. Verder heeft verdachte verklaard dat zij het pand zijn binnengekomen via een schuifdeur, die niet afgesloten bleek te zijn.
Uit de aangifte volgt niet dat verdachte het recht had om de auto’s weg te halen en ook overigens is niet gebleken dat hij een titel had om zich de auto’s eigenmachtig toe te eigenen. Het eventuele bestaan van de door hem gestelde verbintenisrechtelijke overeenkomst doet daaraan niet af. Ook indien aangenomen wordt dat de door verdachte aangevoerde (koop)overeenkomst tussen hem en aangever bestaat, kan verdachte daarmee jegens aangever wel (civielrechtelijk) levering van de betreffende goederen eisen, maar verschaft dat verdachte geen titel om eigenmachtig de betreffende goederen weg te nemen. De bewezenverklaring van de wederrechtelijke toe-eigening en het oogmerk daartoe wordt niet uitgesloten enkel doordat de verdachte meende dat aanspraak te kunnen maken op de in de bewezenverklaring bedoelde goederen. Daarbij betrekt de rechtbank verdachtes eigen verklaring dat hij heeft besloten de auto’s op een avond “op te halen” voordat ze allemaal weg zouden zijn, dit omdat hij verhalen hoorde dat het niet goed ging met het bedrijf van aangever en omdat verdachte had gezien dat het bedrijf van aangever leger en leger was geraakt.

Voor zover verdachte heeft verklaard dat de inventaris van het bedrijfspand aan hem toebehoorde, bevinden zich hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier.

Ook de overige aspecten van het bewijsverweer betreffende dit feit vinden hun weerlegging in de bewijsmiddelen.

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de volgende ten laste gelegde feiten heeft begaan:

- dossier I,
feit 1,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 16] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 18] en [slachtoffer 10]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 6] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 21] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 22] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 23] , [slachtoffer 15] en [slachtoffer 36] , [slachtoffer 24] , [slachtoffer 25] , [slachtoffer 14] en [slachtoffer 13] ,
feit 2,
het eerste cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 26]
en
het tweede cumulatief/alternatief ten aanzien van [slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] ,

feit 3

  • -

    dossier II,
    feit 1 ten aanzien van [slachtoffer 31] ,
    feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 32] , [slachtoffer 33] , [slachtoffer 34] en [slachtoffer 35] ,

  • -

    dossier III
    feit 1, eerste alternatief ten aanzien van [slachtoffer 19] en
    feit 2 ten aanzien van [slachtoffer 2] ,

met dien verstande dat

Dossier I

1.

hij in de periode van 16 mei 2009 tot en met 19 april 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, als medewerker(s) en/of eigenaar en/of manager van het (auto)bedrijf [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] telkens met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 16] ,

heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen en/of personenauto's, hebbende verdachte en zijn mededader(s) toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – een valse hoedanigheid aangenomen, te weten als bonafide verkoper(s)/medewerker(s), en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- een Chrysler personenauto aan die [slachtoffer 7] verkocht waarbij tijdens de verkoop een kilometerstand stond vermeld van ongeveer 81.869 kilometer en

- een Opel Signum personenauto aan die [slachtoffer 9] verkocht waarbij tijdens de verkoop een kilometerstand werd aangegeven van rond de 150.000 kilometer en

- een Renault Espace personenauto aan die [slachtoffer 18] verkocht waarbij tijdens de verkoop werd aangegeven dat uit een eerdere keuring/controle van het voertuig gesignaleerde (technische) gebreken en/of te vervangen onderdelen door het bedrijf zouden zijn uitgevoerd en/of vervangen en

- een Volvo V50 personenauto aan die [slachtoffer 10] verkocht waarbij tijdens de verkoop een kilometerstand stond vermeld van ongeveer 127.000 kilometer en

- aan die [slachtoffer 16] toegezegd dat de auto zou worden geleverd met een NAP-pas en dat het bedrijf was aangesloten bij NAP (hetgeen onwaar bleek te zijn) waardoor aanbetaling,

waardoor die [slachtoffer 7] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 16] ,

telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 16 mei 2009 tot en met 19 april 2010 te Hoofddorp, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk

- geldbedragen

en/of

- personenauto's,

toebehorende aan

[slachtoffer 6] of [slachtoffer 1] of [slachtoffer 11] of [slachtoffer 20] of [slachtoffer 21] of [slachtoffer 12] of [slachtoffer 22] of [slachtoffer 17] of [slachtoffer 23] of [slachtoffer 15] met [slachtoffer 36] of [slachtoffer 24] of [slachtoffer 25] of [slachtoffer 14] of [slachtoffer 13] ,

welke geldbedragen en goederen verdachte en zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten telkens als eigenaar of manager of medewerker van het autobedrijf [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] , onder zich hadden, telkens wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

2.

hij in de periode van 12 juli 2012 tot en met 24 juli 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, als medewerker(s) of eigenaar of manager van het autobedrijf [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 26]

heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende verdachte en zijn mededaders toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

- een KIA personenauto aan die [slachtoffer 26] verkocht waarbij (tijdens de verkoop) werd aangegeven en/of afgesproken dat een (grote onderhouds)beurt zou worden verricht voordat de levering van de auto aan die [slachtoffer 26] zou plaatsvinden en een (grote onderhouds)beurt had plaatsgevonden,

waardoor [slachtoffer 26] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en

hij op tijdstippen in de periode van 7 november 2011 tot en met 31 januari 2012 te Hoofddorp, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk een geldbedrag, toebehorende aan

[slachtoffer 28] respectievelijk [slachtoffer 29] ,

welke geldbedragen verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten telkens als eigenaar en/of manager en/of medewerker(s) van het autobedrijf [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] ,

onder zich hadden, telkens zich wederrechtelijk hebben toegeëigend;

3.

Primair

hij in de periode van 3 januari 2009 tot en met 5 januari 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een Ford Escort ( [kenteken] ) en een Ford Escort Van ( [kenteken] ) en een Opel Astra Sport ( [kenteken] ) en een Fiat Panda ( [kenteken] ) en een Peugeot 205 ( [kenteken] ) en een Ford Mondeo SW ( [kenteken] ) en een Citroen Xantia ( [kenteken] ) en een Peugeot 306 ( [kenteken] ) en een Opel Calibra ( [kenteken] ) en een Fiat Brava ( [kenteken] ) en een Fiat Brava ( [kenteken] ) en een Ford Escort ( [kenteken] ) en een Ford Fiësta ( [kenteken] ) en een Ford Escort ( [kenteken] ) en een Ford Mondeo ( [kenteken] ) en Ford Mondeo SW ( [kenteken] ) en een Ford Escort SW ( [kenteken] ) en een Ford Escort ( [kenteken] ) en een Ford Escort ( [kenteken] ) en een Seat Ibiza ( [kenteken] ) en een Alfa 164 (Bouwjaar 1996, groen metallic) en een Citroên XM ( [kenteken] ) en Chrysler Voyager (bouwjaar 1993/1994, grijs metallic) en vijf kentekenbewijzen ( [kenteken] ) en een doos koopcontracten en diverse goederen (waaronder kantoorinventaris),

toebehorende aan [slachtoffer 37] ;

Dossier II

1.

hij in de periode van 6 december 2012 tot en met 30 januari 2013 te Hoofddorp, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

- een geldbedrag van 300 euro (als aanbetaling voor een KIA personenauto),

toebehorende aan [slachtoffer 31] , welk goed verdachte en diens mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als garagehouder en/of medewerker(s) autobedrijf en/of autoverkoper(s), onder zich hadden, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2012 tot en met 30 januari 2013 te Hoofddorp, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen,

telkens met het oogmerk om zich en/of een ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 32] en [slachtoffer 33] en [slachtoffer 34] en [slachtoffer 35] ,

heeft bewogen tot de afgifte van geld en/of een (inruil)auto,

immers hebben hij, verdachte, en diens mededader(s)

- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Peugeot personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en (vervolgens) verkocht aan die [slachtoffer 32] waarbij in de bijbehorende advertentie van [bedrijfsnaam] een onjuiste kilometerstand stond van 215.391 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het aantal kilometers dat voorheen voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, waardoor die [slachtoffer 32] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 3730 euro, ter aankoop van voornoemd voertuig;

en

- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Ford Focus personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en vervolgens verkocht aan die [slachtoffer 33] met een onjuiste kilometerstand van ongeveer 181.000 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het aantal kilometers dat voorheen voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, waardoor die [slachtoffer 33] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 4450 euro en een inruilvoertuig van de koper, ter aankoop van voornoemd voertuig;

en

- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Seat Ibiza personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en vervolgens verkocht aan die [slachtoffer 34] met in de bijbehorende advertentie onjuiste kilometerstand van 166.191 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het aantal kilometers dat voorheen voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, waardoor die [slachtoffer 34] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 4945 euro en 500 euro, ter aankoop van voornoemd voertuig;

en

- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Audi personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en vervolgens verkocht aan die [slachtoffer 35] met een onjuiste kilometerstand van ongeveer 96.116 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het aantal kilometers dat voorheen voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, waardoor die [slachtoffer 35] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 11950 euro ter aankoop van voornoemd voertuig;

Dossier III

1.

hij in de periode van 20 augustus 2015 tot en met 30 september 2015 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een geldbedrag van 2000 euro (als aanbetaling voor een Volkswagen camper met [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 19] , en welk goed verdachte en zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als garagehouder en/of medewerker(s) autobedrijf en/of auto/camperverkoper(s), wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

2.

hij in de periode van 26 november 2016 tot en met 17 mei 2018 te Hoofddorp, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een geldbedrag van 500 euro (als aanbetaling voor een Ford Ka personenauto met [kenteken] ), toebehorende aan [slachtoffer 2] , en welk goed verdachte en zijn mededader(s) anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als garagehouder en/of medewerker(s) autobedrijf en/of autoverkoper(s), wederrechtelijk zich hebben toegeëigend.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte in dossier I onder feit 1 eerste en tweede cumulatief/alternatief, feit 2 en feit 3, in dossier II onder feit 1 en 2 en in dossier III onder feit 1 en 2, meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Dossier 1

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

en

medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van oplichting

en

medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

diefstal door twee of meer verenigde personen

Dossier 2

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van verduistering

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Dossier 3

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van verduistering

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van verduistering

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Voorts heeft zij gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. Volgens de officier van justitie is met deze eis voldoende rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in alle zaken.

De officier van justitie heeft bij een op te leggen taakstraf wel de kanttekening geplaatst dat verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats is, en dat een vast contactadres in haar ogen noodzakelijk is om de executie eventueel mogelijk te maken.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een zeer aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

Ten einde praktische uitvoerbaarheid van een taakstraf mogelijk te maken heeft de raadsman een vast contactadres van verdachte overhandigd aan de officier van justitie.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een zeer lange periode telkens samen met één dan wel meerdere anderen schuldig gemaakt aan oplichting en verduistering. Kort gezegd heeft verdachte als tweehands autohandelaar er malafide praktijken op na gehouden. Daarbij is een groot aantal slachtoffers gemaakt, van wie (aanzienlijke) geldbedragen en (inruil)auto’s afhandig zijn gemaakt. Verdachte heeft aldus misbruik gemaakt van het door die personen in hem gestelde vertrouwen met als kennelijk doel eigen financieel gewin. Hij heeft zijn slachtoffers financiële en, zoals uit diverse aangiftes volgt soms ook emotionele schade toegebracht. Daarnaast heeft hij door zijn handelwijze het vertrouwen in de autohandel in het algemeen schade toegebracht.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal onder het mom van een zakelijke deal. De keuze van verdachte om als het ware heimelijk eigenmachtig met hulp van anderen uit een bedrijfspand en –terrein van een ander een grote hoeveelheid auto’s weg te halen is niet wat men in het maatschappelijk verkeer hoeft te verwachten en is ronduit brutaal te noemen. Diefstal is een ergerlijk feit, dat schade veroorzaakt en in het algemeen bij de benadeelde gevoelens van onrust en onveiligheid.

Dit alles rekent de rechtbank hem zwaar aan, in het bijzonder de volhardendheid bij zijn louche praktijken in de autohandel.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 20 mei 2020, waaruit blijkt dat een veroordeling van verdachte voor belastingfraude gepleegd tussen 2006 en 2011 op 27 maart 2018 onherroepelijk is geworden.

Gelet op straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, zou de rechtbank zonder overschrijding van de redelijke termijn voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur met aftrek van voorarrest opleggen aan verdachte. In de hiervoor onder 2.1.3 vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank echter aanleiding om een straf op te leggen die qua modaliteiten overeenkomt met de eis van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt daarbij dat de achterliggende gedachte van de redelijke termijn is, dat de dreiging van strafvervolging lijdensdruk meebrengt. Wat opvalt in deze dossiers, is dat verdachte kennelijk niet zodanige lijdensdruk heeft ervaren dat hij zich hierdoor heeft laten weerhouden. Hij is meerdere malen verhoord en na iedere verhoor zijn weer nieuwe aangiftes van soortgelijke feiten tegen hem gedaan. Gelet hierop is het recidiverisico hoog naar het oordeel van de rechtbank. De rechtbank legt dan ook een langere voorwaardelijke gevangenisstraf op dan door de officier van justitie is geëist, opdat verdachte ervan wordt weerhouden in de toekomst soortgelijke feiten te plegen. Een langere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist doet naar het oordeel van de rechtbank ook meer recht aan de aard, ernst en duur van de feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met het feit dat artikel 63 Sr van toepassing is.

8 Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

In de onderhavige zaak zijn door negentien (19) benadeelde partijen vorderingen tot

schadevergoeding ingediend. De vorderingen zullen in het navolgende per dossier

worden besproken.

Dossier I, feit 1

[slachtoffer 6]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.358,15 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit het aankoopbedrag voor de auto, de niet betaalde slooppremie en een aangetekende brief.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 1.008,15 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag bestaat uit de niet uitbetaalde slooppremie en de kosten voor de aangetekende brief.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde schadepost het rechtstreeks gevolg is van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 20]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 20] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.100,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit het aankoopbedrag voor de auto.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

[slachtoffer 7]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.500,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit het bedrag dat teveel is betaald voor de auto.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu de waardevermindering van de auto niet met stukken is onderbouwd en het berekenen van de geleden schade een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de vordering voldoende is onderbouwd, terwijl deze door de raadsman onvoldoende onderbouwd is betwist.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

[slachtoffer 22]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 22] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 575,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat er een schikking is getroffen tussen de benadeelde partij en verdachte, en dat de rechtbank niet weet wat partijen in deze schikking overeen zijn gekomen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 8]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 19.770,29 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd naar aanleiding van de aangifte van [slachtoffer 8] (onder het zesde gedachtestreepje bij het eerste alternatief/cumulatief ten laste gelegde feit), de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 9]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.991,03 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de schade niet eenvoudig is vast te stellen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 18]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 18] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 4.095,28 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit een factuur voor reparaties die aan de auto zijn verricht. De gevorderde kosten voor rechtsbijstand zijn ter terechtzitting door de benadeelde partij ingetrokken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat niet geheel duidelijk is welke schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 ten laste gelegde feit. Zij heeft de rechtbank daarom verzocht om het gevorderde bedrag schattenderwijs te bepalen op € 3.000,-.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet alle reparaties rechtstreeks voortvloeien uit het ten laste gelegde feit. Er zijn namelijk ook zaken vervangen en gerepareerd die in het Dekra-rapport als voldoende werden aangemerkt. Het levert naar het oordeel van de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding op om te berekenen welk deel van de vordering rechtstreeks verband houdt met het niet naar behoren functioneren van de auto en welk deel niet.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. Tegenover de onderbouwing van de vordering met als bijlagen het Dekra-rapport en de reparatiefactuur heeft de verdediging de gegrondheid van de vordering onvoldoende onderbouwd betwist. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

[slachtoffer 15]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 15] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.100,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit de niet uitbetaalde slooppremie, kosten voor wegenbelasting en telefoonkosten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gehele toewijzing van de vordering verzocht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de slooppremie heeft de benadeelde partij geweigerd om bepaalde formulieren te ondertekenen. De gevorderde schade vloeit volgens de raadsman daarom niet rechtstreeks voort uit het onder 1 ten laste gelegde feit. De gevorderde telefoonkosten zijn niet nader onderbouwd. Wat de gevorderde wegenbelasting betreft kan de vordering volgens de raadsman niet in zijn geheel worden toegekend, nu de auto in een deel van de periode nog in gebruik was bij [slachtoffer 15] .

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.060,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag bestaat uit het gevorderde bedrag voor de slooppremie en wegenbelasting. De rechtbank wijst de gevorderde kosten voor wegenbelasting toe, nu de auto op 5 oktober 2009 bij het autobedrijf van verdachte is achtergelaten en er over de maanden oktober tot en met december 2009 nog door de benadeelde wegenbelasting is moeten worden betaald. De gevorderde telefoonkosten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde schadeposten (telefoonkosten) het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezenverklaring onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 24]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 24] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit een niet geretourneerde aanbetaling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

[slachtoffer 25]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 25] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit een niet geretourneerde aanbetaling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

[slachtoffer 14]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 14] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 6.144,58 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit nota’s van [bedrijfsnaam] , de niet uitbetaalde slooppremie en een reparatie van de distributieriem die niet zou zijn uitgevoerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering toe te wijzen voor de niet uitbetaalde slooppremie en de niet uitgevoerde reparatie van de distributieriem. De officier heeft verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de overige nota’s, nu onvoldoende vast is komen te staan dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De niet uitgevoerde reparatie van de distributieriem is onvoldoende onderbouwd, terwijl op de nota’s van [bedrijfsnaam] geen datum is terug te vinden. Omdat het dus onduidelijk blijft wanneer de schade is ontstaan en wanneer de reparaties zijn verricht, staat het verband met het ten laste gelegde feit onvoldoende vast. Ten aanzien van de niet uitbetaalde slooppremie merkt de raadsman op dat er geen sprake is van schade, nu deze premie alleen zou worden uitgekeerd wanneer de auto hiervoor in aanmerking kwam. Blijkbaar was dit niet het geval.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.000,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag bestaat uit de toegezegde maar niet uitgekeerde slooppremie. De overige gevorderde schade staat naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat de overige gestelde schadeposten (nota’s van de [bedrijfsnaam] en een reparatie van de distributieriem die niet zou zijn uitgevoerd) het rechtstreeks gevolg zijn van het hiervoor in de rubriek bewezen verklaring onder 1 bewezen verklaarde feit. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dossier I, feit 2

[slachtoffer 26]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 26] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.270,54 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit een factuur van de KIA-garage controle aankoop, een factuur van noodzakelijke maar nog niet uitgevoerde reparaties, een factuur van noodzakelijke reparaties om te kunnen rijden, gevorderde motorrijtuigenbelasting, kosten voor een auto- en rechtsbijstandsverzekering, kosten voor een navigatiesysteem en de tenaamstelling. Daarnaast is nog schade gevorderd voor telefoonkosten, brandstof en postzegels.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering toe te wijzen voor wat betreft de factuur van de KIA-garage, de factuur voor de noodzakelijke reparaties om te kunnen rijden, de tenaamstelling en de gevorderde kosten voor de telefoon, brandstof en postzegels. De vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering deels niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de kosten voor de reparaties die nog niet hebben plaatsgevonden is volgens de raadsman geen sprake van daadwerkelijk geleden schade. De noodzakelijke reparatie om te kunnen blijven rijden is volgens de raadsman geen rechtstreeks gevolg van het ten laste gelegde, nu de reparatie pas in september is uitgevoerd en onder meer ziet op een grote beurt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.647,97 rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve in zoverre worden toegewezen. Dit bedrag bestaat uit de gevorderde kosten voor zowel de noodzakelijke reparaties die hebben plaatsgevonden om te kunnen rijden als de reparaties die nog niet zijn uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de auto bij levering verkeerde in een staat die de toegewezen reparatiekosten oplevert. De gevorderde kosten voor de nog niet uitgevoerde reparaties kunnen daarom worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 29]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 29] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit een niet geretourneerde aanbetaling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Dossier II, feit 1

[slachtoffer 31]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 31] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 425,05 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een niet geretourneerde aanbetaling en reiskosten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen. Het bedrag bestaat uit de niet geretourneerde aanbetaling, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2012, en het bedrag voor de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Dossier II, feit 2

[slachtoffer 32]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 32] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.500, ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit de inkoopwaarde van de auto en kosten advocaat.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat benadeelde de auto in bezit heeft gehouden, zodat hooguit waardevermindering als schadevergoeding kan worden toegekend. De gevorderde schade is niet eenvoudig vaststelbaar, mede gelet op de summiere onderbouwing van de vordering en de betwisting hiervan.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 5]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.864,22 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 33]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 33] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.050,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit de betaalde koopprijs van de slechte auto, reparatiekosten en kosten voor de aanschaf van een vervangende auto.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat benadeelde de auto in bezit heeft gekregen, zodat hooguit waardevermindering als schadevergoeding kan worden toegekend. De gevorderde schade is niet eenvoudig vaststelbaar, mede gelet op de summiere onderbouwing van de vordering en de betwisting hiervan.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

[slachtoffer 34]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 34] heeft een voegingsformulier voor een vordering tot schadevergoeding van ingediend tegen verdachte betreffende het onder 2 ten laste gelegde feit. Een schadebedrag is niet ingevuld, enkel een verwijzing naar aangehechte bijlagen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt, zodat de benadeelde partij niet in haar vordering zal kunnen worden ontvangen. De rechtbank overweegt hiertoe dat benadeelde de vordering niet heeft gespecificeerd, en dat de schade niet eenvoudig vaststelbaar is.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Dossier III, feit 1

[slachtoffer 19]

De vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 19] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een niet geretourneerde aanbetaling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel en gijzeling

De rechtbank zal aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f Sr de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van de toe te wijzen bedragen ten behoeve van genoemde benadeelde partijen. De toe te passen gijzeling zal worden gemaximeerd op één jaar (art. 60a juncto 24c lid 3 Sr) en zal verhoudingsgewijs over de verschillende op te leggen schadevergoedingsmaatregelen worden verdeeld.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 60a, 63, 311, 321, 326 Sr.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven;

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) MAANDEN, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door ZESTIG (60) DAGEN hechtenis;

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht;

Vorderingen benadeelde partijen

Dossier I

[slachtoffer 6]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.008,15, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.008,15, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 20]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 6.100,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 20] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 20] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.100,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 63 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 7]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 7] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.500,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 22]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 22] niet-ontvankelijk in de vordering;

[slachtoffer 8]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in de vordering;

[slachtoffer 9]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk in de vordering;

[slachtoffer 18]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.095,28, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 18] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 18] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.095,28, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 50 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 15]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.060,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 15] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 15] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.060,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 24]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 24] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 24] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 25]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 25] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 25] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 14]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 14] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 14] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 26]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.647,97, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 26] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 26] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.647,97, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 29]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 29] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 29] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

Dossier II

[slachtoffer 31]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 425,05, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 31] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Het bedrag voor de niet geretourneerde aanbetaling te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2012, en het bedrag voor de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 31] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 425,05, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 8 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft. Het bedrag voor de niet geretourneerde aanbetaling te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 december 2012, en het bedrag voor de reiskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 februari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

[slachtoffer 32]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 32] niet-ontvankelijk in de vordering;

[slachtoffer 5]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

[slachtoffer 33]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 33] niet-ontvankelijk in de vordering;

[slachtoffer 34]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 34] niet-ontvankelijk in de vordering;

Dossier III

[slachtoffer 19]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 19] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 19] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 30 dagen gijzeling, met dien verstande dat de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.D. Overbeek, voorzitter,

mr. P.E. van der Veen en mr. dr. B. de Wilde, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.A.F. Pomper,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 juni 2020.

Mr. P.E. van der Veen en mr. dr. B. de Wilde zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 15/710449-10 (in het verkorte vonnis aangeduid als dossier I)

1.

hij in of omstreeks de periode van 16 mei 2009 tot en met 19 april 2010 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (als medewerker(s) en/of eigenaar en/of manager van het (auto)bedrijf [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] ) (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 13] ,

[slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 15] (mede namens [slachtoffer 36] ) en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 17] ,

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) en/of (een) personenauto('s), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven een valse hoedanigheid aangenomen, te weten als bonafide verkoper(s)/medewerker(s) en/of valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- ( aangifte met nummer 2009138337) een Skoda personenauto aan die [slachtoffer 6] verkocht waarbij tijdens de verkoop en/of een (bijgeleverd) Algemene Periodieke Keuring (APK) rapport een kilometerstand was aangegeven en/of stond vermeld van (ongeveer) 161.105 kilometer en/of ten behoeve van voornoemde Skoda een goedkeuringsrapport was afgegeven en/of

- ( aangifte met nummer 2009179938) die [slachtoffer 1] een (aan)betaling in de vorm van een geldbedrag van 1000 euro laten betalen en/of

- ( aangifte met nummer 2009081627) een Fiat Brava personenauto (met [kenteken]
) van die [slachtoffer 11] in het kader van de sloopregeling/premie ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de (gehele) slooppremie aan die [slachtoffer 11] zou worden (door)betaald en/of

- ( aangifte met nummer 2009094903) een Chrysler personenauto aan die [slachtoffer 7] verkocht waarbij tijdens de verkoop een kilometerstand stond vermeld van (ongeveer) 81.869 kilometer en/of

- ( aangifte met nummer 2009044108) een Renault Laguna personenauto (met [kenteken]
) van die [slachtoffer 12] in het kader van de sloopregeling/premie ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de (gehele) slooppremie aan die [slachtoffer 12] zou worden (door)betaald en/of

- ( aangifte met nummer 2010013221) een Audi A3 personenauto aan die [slachtoffer 8] verkocht waarbij tijdens de verkoop werd aangegeven dat de personenauto in een goede technische staat verkeerde en/of het de personenauto betrof die aangever in een advertentie had gezien (met een bijbehorende kilometerstand van 104.000) en/of

- ( aangifte met nummer 2010009183) een Opel Signum personenauto aan die [slachtoffer 9] verkocht waarbij tijdens de verkoop een kilomterstand werd aangegeven van rond de 150.000 kilometer en/of

- ( aangifte met nummer 2010023302) een Renault Espace personenauto aan die [slachtoffer 18] verkocht waarbij tijdens de verkoop werd aangegeven dat een APK-keuring nog zou worden verricht door het bedrijf en/of uit een (eerdere) keuring/controle van het voertuig gesignaleerde (technische) gebreken en/of te vervangen onderdelen door het bedrijf zouden worden/zijn uitgevoerd en/of vervangen en/of

- ( aangifte met nummer 2010017640) een Volvo V50 personenauto aan die [slachtoffer 10] verkocht waarbij tijdens de verkoop een kilometerstand stond vermeld van ongeveer 127.000 kilometer en/of

- ( aangifte met nummer 2010027547) een Citroën Xantia personenauto (met kenteken
SP-HP-44) van die [slachtoffer 13] in het kader van de de sloopregeling/premie ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de (gehele) slooppremie aan die [slachtoffer 13] zou worden (door)betaald,

- ( aangifte met nummer 2009044910) aan die [slachtoffer 16] toegezegd dat de auto zou worden geleverd met een NAP-pas en dat het bedrijf was aangesloten bij NAP (hetgeen onwaar bleek te zijn) (waardoor aanbetaling)

- ( aangifte met nummer 2010015437) een Renault personenauto met [kenteken] van die [slachtoffer 15] (mede namens [slachtoffer 36] ) in het kader van de sloopregeling ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de slooppremie zou worden (door)betaald en/of (waardoor inruil oude auto)

- ( aangifte met nummer 2010021181) een Volvo personenauto met [kenteken] van die [slachtoffer 14] in het kader van de sloopregeling ingenomen/overgenomen met de toezegging dat de slooppremie zou worden (door)betaald en/of belofte dat tegen betaling van € 500 euro de distributieriem en waterpomp zouden worden vervangen (hetgeen niet is gebeurd) (waardoor aankoop nieuwe auto en inruil oude auto)

- ( aangifte met nummer 2009065498) aan deze [slachtoffer 17] een onjuiste kilometerstand doorgegeven terwijl een toezegging levering onderhoudsboekje en ingebouwde navigatie waren gedaan (hetgeen niet geleverd kon worden) (waardoor aanbetaling)

waardoor die

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 18] en/of [slachtoffer 10] en/of [slachtoffer 13] ,

[slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 15] (mede namens [slachtoffer 36] ) en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 17]

(telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 16 mei 2009 tot en met 19 april 2010 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland,(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk

- een of meerdere geldbedrag(en)

en/of

- een of meerdere personenauto('s),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 11] en/of [slachtoffer 16] en/of [slachtoffer 20] en/of [slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 12] en/of [slachtoffer 22] en/of [slachtoffer 17] en/of [slachtoffer 23] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 15] en/of [slachtoffer 36] en/of [slachtoffer 24] en/of [slachtoffer 25] en/of [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 13] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten (telkens) als garagehouder in de uitoefening van zijn garagebedrijf en/of als eigenaar en/of manager en/of medewerker(s) van het autobedrijf [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] ,

onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

2.

(15.660208.12)

hij in of omstreeks de periode van 18 november 2011 tot en met 24 juli 2012 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (als medewerker(s) en/of eigenaar en/of manager van het (auto)bedrijf [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] 's en/of [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] ) (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 26] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 27]

heeft bewogen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en) en/of een personenauto, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven een valse hoedanigheid aangenomen, te weten als bonafide verkoper(s)/medewerker(s) en/of valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- ( aangifte met nummer 2012083367) een KIA personenauto aan die [slachtoffer 26] verkocht waarbij (tijdens de verkoop) werd aangegeven en/of afgesproken dat de personenauto in een goede (technische) staat verkeerde en/of een (grote onderhouds)beurt zou worden verricht voordat de levering van de auto aan die [slachtoffer 26] zou plaatsvinden en/of een (grote onderhouds)beurt had plaatsgevonden en/of een eventuele noodzakelijke vervanging van de distributieriem zou plaatsvinden en/of de vervanging van de distributieriem had plaatsgevonden en/of een nieuwe radio/cd-speler met navigatiesysteem zou worden ingebouwd en/of

- ( aangifte met nummer 2012018597) een Mitsubishi personenauto aan die [slachtoffer 4] verkocht waarbij (tijdens de verkoop) werd aangegeven en/of afgesproken dat de distributieriem zou worden vervangen en/of dat die [slachtoffer 4] voor een bedrag van 700 euro recht had op een jaar garantie en/of

- ( aangifte met nummer 2012018704) een Audi personenauto aan die [slachtoffer 27] verkocht en/of een Ford personenauto van die [slachtoffer 27] ter inruil overgenomen en/of waarbij (tijdens de verkoop) werd aangegeven dat de personenauto in een goede (technische) staat verkeerde en/of een of meerdere beschadiging(en)/schade(s) aan de Audi personenauto gerepareerd zou worden voordat levering van de Audi plaats zou vinden,

waardoor [slachtoffer 26] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 27] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

en/of

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 7 november 2011 tot en met 22 augustus 2012 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 28] en/of [slachtoffer 29] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten (telkens) als garagehouder in de uitoefening van zijn garagebedrijf en/of als eigenaar en/of manager en/of medewerker(s) van het autobedrijf [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] ,

onder zich had(den), (telkens) zich wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

3.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2009 tot en met 5 januari 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een automobielbedrijf heeft weggenomen

een Ford Escort ( [kenteken] ) en/of een Ford Escort Van ( [kenteken] ) en/of een Opel Astra Sport ( [kenteken] ) en/of een Fiat Panda ( [kenteken] ) en/of een Peugeot 205 ( [kenteken] ) en/of een Ford Mondeo SW ( [kenteken] ) en/of een Citroen Xantia ( [kenteken] ) en/of een Peugeot 306 ( [kenteken] ) en/of een Opel Calibra ( [kenteken] ) en/of een Fiat Brava ( [kenteken] ) en/of een een Fiat Brava ( [kenteken] ) en/of een Ford Escort ( [kenteken] ) en/of een Ford Fiësta ( [kenteken] ) en/of een Ford Escort ( [kenteken] ) en/of een Ford Mondeo ( [kenteken] ) en/of Ford Mondeo SW ( [kenteken] ) en/of Ford Escort SW ( [kenteken] ) en/of een Ford Escort ( [kenteken] ) en/of een Ford Escort ( [kenteken] ) en/of een Seat Ibiza ( [kenteken] ) en/of een Alfa 164 (Bouwjaar 1996, groen metallic) en/of een Citroen XM ( [kenteken] ) en/of Chrysler Voyager (bouwjaar 1993/1994, grijs metallic) en/of een Mazda 626 en/of vijf, althans één of meer kentekenbewijzen ( [kenteken] ) en/of een doos koopcontracten en/of een stempel van het bedrijf en/of diverse goederen (waaronder kantoorinventaris),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 37] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers is/zijn verdachte en/of zijn mededader(s) door een schuifdeur het pand binnengegaan;

Subsidiair

hij in of omstreeks periode van 3 januari tot en met 5 januari 2009 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer 37] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s);

Parketnummer 15/710280-14 (in het verkorte vonnis aangeduid als dossier II)

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 6 december 2012 tot en met 8 maart 2016 te Hoofddorp en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

- ( aangifte 2013006086)

een autosleutel (van een Opel Zafira met [kenteken] ) en/of verzekeringspapieren en/of een keuringsbewijs en/of een overschrijvingsbewijs

en/of

- ( aangifte 2013007411)

een geldbedrag van 300 euro (als aanbetaling voor een KIA personenauto),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 30] en/of [slachtoffer 31] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte en/of diens mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als garagehouder en/of medewerker(s) autobedrijf en/of autoverkoper(s), onder zich had/hadden, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2012 tot en met 30 januari 2013 te Hoofddorp en/of (elders in) Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 32] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 33] en/of [slachtoffer 34] en/of [slachtoffer 35] ,

heeft bewogen tot de afgifte van geld en/of een (inruil)auto, in elk geval van enig goed, (telkens) hierin bestaande dat voornoemde koper een hoger bedrag heeft betaald dan de actuele marktwaarde van het voertuig, althans tot het aangaan van een koopovereenkomst,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of diens mededader(s) (in de uitoefening van het autobedrijf [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam] en/of enig ander op de [adres] gelegen autobedrijf)

- ( aangifte 2012204703)

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Peugeot personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en/of (vervolgens) verkocht aan die [slachtoffer 32] waarbij (in de bijbehorende advertentie van [bedrijfsnaam] ) een (onjuiste) kilometerstand stond van 215.391 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het daadwerkelijk aantal met dat voertuig gereden kilometers, althans lager was dan het aantal kilometers dat (voorheen) voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, waardoor die [slachtoffer 32] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 3730 euro, ter aankoop van voornoemd voertuig;

en/of

- ( aangifte 2013007553)

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Mercedes Benz personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en/of (vervolgens) verkocht aan die [slachtoffer 5] met een (onjuiste) kilometerstand van (ongeveer) 177.000 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het daadwerkelijk aantal met dat voertuig gereden kilometers, en/of met de toezegging dat het voertuig APK gekeurd geleverd zou worden (hetgeen niet heeft plaatsgevonden), waardoor die [slachtoffer 5] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 9000 euro en/of inruil voertuig van de koper, ter aankoop van voornoemd voertuig;

en/of

- ( aangifte 2013006443)

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Ford Focus personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en/of (vervolgens) verkocht aan die [slachtoffer 33] met een (onjuiste) kilometerstand van (ongeveer) 181.000 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het daadwerkelijk aantal met dat voertuig gereden kilometers, althans lager was dan het aantal kilometers dat (voorheen) voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, en/of met de toezegging dat het onderhoudsboekje nagestuurd zal worden en/of met de mededeling dat het voertuig APK gekeurd geleverd zou worden (hetgeen niet heeft plaatsgevonden), waardoor die [slachtoffer 33] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 4450 euro en/of inruil voertuig van de koper, ter aankoop van voornoemd voertuig;

en/of

- ( aangifte 2013000477)

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Seat Ibiza personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en/of (vervolgens) verkocht aan die [slachtoffer 34] met (in de bijbehorende advertentie) (onjuiste) kilometerstand van 166.191 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het daadwerkelijk aantal met dat voertuig gereden gereden kilometers, althans lager was dan het aantal kilometers dat (voorheen) voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, en/of met de toezegging dat het voertuig gerepareerd zou worden geleverd (hetgeen niet of niet deugdelijk heeft plaatsgevonden), waardoor die [slachtoffer 34] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 4945 euro en/of 500 euro, ter aankoop van voornoemd voertuig en/of ter bijbetaling voor controle en/of reparatie en/of APK keuring;

en/of

- ( aangifte 2012485975)

valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een Audi personenauto met [kenteken] te koop aangeboden en/of (vervolgens) verkocht aan die [slachtoffer 35] met een (onjuiste) kilometerstand van ongeveer 96.116 kilometer, welke kilometerstand lager was dan het daadwerkelijk aantal met dat voertuig gereden kilometers, althans lager was dan het aantal kilometers dat (voorheen) voor dat voertuig was geregistreerd door Nationale Autopas, waardoor die [slachtoffer 35] is bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 11950 euro en/of 6950 euro en/of inruil voertuig van de koper, ter aankoop van voornoemd voertuig;

Parketnummer 15/710036-18 (in het verkorte vonnis aangeduid als dossier III)

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2015 tot en met 17 mei 2018 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een geldbedrag van 2000 euro (als aanbetaling voor een Volkswagen camper met [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 19] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als garagehouder en/of medewerker(s) autobedrijf en/of auto/camperverkoper(s), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

of

hij op een of meer tijdstip(pen) in omstreeks de periode van 15 augustus 2015 tot en met 20 augustus 2015 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 19] , in elk geval een ander,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 2000 euro in contant, in elk geval enig goed,

door (in de uitoefening van het autobedrijf [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] of [bedrijfsnaam] en/of enig ander op de [adres] gelegen autobedrijf) die [slachtoffer 19] een Volkswagen T4 Westfalia camper (voorzien van [kenteken] ) te koop aan te bieden en/of (vervolgens) te verkopen en/of een aanbetaling/voorschot te laten betalen (ten bedrage van 2000 euro) in verband met de aanschaf van een Volkswagen T4 Westfalia camper, dit terwijl voornoemd voertuig reeds was verkocht aan een ander (te weten [naam] ) dan wel zou worden verkocht aan een ander;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 november 2016 tot en met 17 mei 2018 te Hoofddorp, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een geldbedrag van 500, althans een bedrag van 250 euro, (als aanbetaling voor een Ford Ka personenauto met [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich had(den), te weten als garagehouder en/of medewerker(s) autobedrijf en/of autoverkoper(s), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend.