Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4451

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
C/15/291945 / HA ZA 19-511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Georkestreerd faillissement? Aansprakelijkheid op grond van normen Ontvanger/Roelofsen? Schade? Hoofdelijke aansprakelijkheid? Hoogte BIK en rente?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0183
OR-Updates.nl 2020-0240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/291945 / HA ZA 19-511

Vonnis van 17 juni 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CHR.J.BOLLE EN ZOON B.V.,

gevestigd te Haarlem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANBANK INSTALLATIETECHNIEK B.V.,

gevestigd te Cruquius,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERNOOY DAKWERKEN B.V,

gevestigd te Bennebroek,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BASIC STUC & AFBOUW B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FILIPPO BOUWMATERIALEN HAARLEM B.V.,

gevestigd te Haarlem,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BODU STAALBOUW B.V.,

gevestigd te Bunschoten-Spakenburg,

eiseressen,

advocaat mr. L.P. Kortmann en mr. V.G.M. Leferink te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

H'LEM BOUW B.V.,

gevestigd te Haarlem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRO DEV B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

3. [gedaagde3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. M.S.F. Loor te Zaandam.

Partijen zullen hierna Bolle en Zoon c.s. en [gedaagde3] c.s. genoemd worden. Eisers zullen – voor zover van belang – afzonderlijk Bolle, Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu worden genoemd. Gedaagden zullen – voor zover van belang – afzonderlijk H'lem Bouw, Pro Dev en [gedaagde3] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 oktober 2019 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 februari 2020;

  • -

    het faxbericht van 28 april 2020 van mr. Leferink met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

H'lem Afbouw B.V. (hierna: H'lem Afbouw) is een in Haarlem gevestigd aannemersbedrijf, waarvan H’lem Bouw sinds 22 juli 2016 enig aandeelhouder en bestuurder is. Eerder, van 1 april 2011 tot 22 juli 2016, was Pro Dev enig bestuurder van H’lem Afbouw. [gedaagde3] is enig aandeelhouder en bestuurder van zowel Pro Dev als H'lem Bouw. Van 1 april 2011 tot 22 juli 2016 was de statutaire naam van H’lem Afbouw: Koelman Afbouw BV en van H’lem Bouw: Koelman Bouw BV.

2.2.

H'lem Afbouw heeft in 2011 de activiteiten overgenomen van het destijds failliete Sieraad De Wit B.V. Tot die activiteiten behoorde onder andere een onderhoudscontract met woningbouwvereniging Elan Wonen (hierna: Elan Wonen). In verband met het teruglopen van de werkzaamheden voor Elan Wonen is het personeelsbestand van H'lem Afbouw aangepast en ontstond uiteindelijk de situatie dat H'lem Afbouw geen personeel meer in dienst had, terwijl ten behoeve van Elan Wonen wel nog werkzaamheden werden uitgevoerd. Ten behoeve van die werkzaamheden schakelde H'lem Afbouw personeel in van H'lem Bouw dat H'lem Afbouw daarvoor factureerde. In de loop van 2015 is het personeel van H'lem Bouw naar H'lem Afbouw overgeheveld.

2.3.

Bolle is als projectontwikkelaar van bouwprojecten actief in Haarlem en omgeving. Filippo is een leverancier van bouwmaterialen. De overige eisers werden door H'lem Afbouw regelmatig ingeschakeld als onderaannemer.

2.4.

Op 12 mei 2015 zijn Bolle en H'lem Afbouw een overeenkomst aangegaan voor de realisatie van acht appartementen aan de [adres] (hierna: het project). De totale aanneemsom van het project bedroeg € 946.094,41 excl. BTW. Volgens de planning zou het project in twee fasen worden opgeleverd, waarvan de laatste op 20 december 2015. Fase 1 is op 26 juni 2015 opgeleverd, terwijl fase 2 niet door H’lem Afbouw is afgerond. Betaling diende plaats te vinden in 11 termijnen volgens een vooraf overeengekomen termijnschema corresponderend met de voortgang van de bouw. Froscen Architecten BNA (hierna: Froscen) trad ten behoeve van Bolle op als architect en projectmanager. Tijdens de uitvoering van het project vonden regelmatig bouwvergaderingen plaats waarvan notulen werden opgemaakt.

2.5.

Nadat de overeengekomen termijnen tot en met de 8e termijn waren betaald door Bolle, heeft Froscen bij e-mail van 2 maart 2016 aan H'lem Afbouw laten weten dat de door H’lem Afbouw toegezonden facturen voor de 9e en 10e termijn niet konden worden goedgekeurd, omdat het werk ongeveer 3 maanden achterliep ten opzichte van het overeengekomen termijnschema.

2.6.

In de notulen van de bouwvergadering op 3 juni 2016 is vastgelegd dat in verband met de bouwvakantie de werkzaamheden aan het project stil zullen liggen van 25 juli 2016 tot en met 19 augustus 2016 en dat termijn 9a akkoord is gegeven voor betaling. Betaling van termijn 9a heeft plaatsgevonden op basis van het nieuwe termijnschema dat was opgesteld in verband met de hiervoor genoemde vertraging van 3 maanden die het project had opgelopen.

2.7.

Op 22 juli 2016 hebben de in punt 2.1 genoemde wijzigingen binnen het concern van H’lem Afbouw plaatsgevonden.

2.8.

De werkzaamheden aan het project hebben van 25 juli 2016 tot en met 19 augustus 2016 stilgelegen in verband met de bouwvakantie.

2.9.

Na hervatting van de werkzaamheden heeft op 30 augustus 2016 een bespreking plaatsgevonden tussen [gedaagde3] namens H'lem Afbouw enerzijds en Bolle en haar toenmalige advocaat anderzijds. Daarbij heeft [gedaagde3] aangegeven dat H'lem Afbouw die dag haar eigen faillissement had aangevraagd, omdat voortzetting van de onderneming van H'lem Afbouw niet mogelijk was zonder de inbreng van nieuw geld en dat [gedaagde3] en zijn andere vennootschappen niet bereid of in staat waren nieuw geld in te brengen. Bolle heeft vervolgens het werk aan het project stilgelegd.

2.10.

In een brief van 30 augustus 2016 heeft Filippo [gedaagde3] en H'lem Bouw aansprakelijk gesteld voor alle schade en kosten die het gevolg zijn van wanprestatie aan de zijde van H'lem Afbouw in verband met het project.

2.11.

Op 6 september 2016 is het faillissement van H'lem Afbouw op eigen aangifte uitgesproken met benoeming van mr. Hoff tot curator (hierna: de curator). Bolle en Zoon c.s. waren allen concurrent schuldeisers in het faillissement van H'lem Afbouw.

2.12.

Bolle heeft vervolgens een andere aannemer (AALBEZ) ingeschakeld om het project te voltooien. Daarnaast heeft Bolle ook onderaannemers van H'lem Afbouw ingeschakeld om het project af te ronden.

2.13.

De curator heeft de advocaat van Bolle en Zoon c.s. op 10 april 2017 per e-mail het volgende bericht:

"Ik kan je mededelen dat een accountant de administratie heeft beoordeeld. Aan de hand van zijn onderzoek kan de conclusie worden getrokken dat de bestuurder na het eerste kwartaal de stekker uit de onderneming had moeten trekken. Toen was immers voor hem duidelijk dat de onderneming niet meer levensvatbaar was. In een gesprek met de bestuurder heb ik dit aangegeven maar vooralsnog wijst hij elke aansprakelijkheid af. Ik zal op korte termijn een dagvaarding voorbereiden."

2.14.

Het openbare faillissementsverslag van de curator van 15 november 2017 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

7.5 Onbehoorlijk bestuur

In onderzoek

1-5-2017

De curator meent dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet. Als gevolg hiervan is failliet doorgegaan met het aangaan van verplichtingen terwijl de bestuurder wist of behoorde te weten dat failliet deze verplichtingen niet meer kon nakomen. Hierdoor hebben schuldesiers schade geleden waarvoor de bestuurder aansprakelijk is, zo meent de curator. De curator is hierover in overleg getreden met de bestuurder. Deze wijst echter elke aansprakelijkheid af. De curator beraadt zich op te ondernemen stappen.

31 juli 2017

In de afgelopen verslagperiode heeft de curator overleg gevoerd met de bestuurder ter zake de stelling van de curator dat de bestuurder de onderneming te lang heeft voortgezet en dat de bestuurder als gevolg hiervan aansprakelijk is. De bestuurder heeft uitgebreid tekst en uitleg gegeven en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen en aansprakelijkheid. Omdat de bestuurder van dit geschil af wil zijn, is door de bestuurder € 120.000,-- aan de boedel betaald tegen finale kwijting over en weer.

15-11-2017

De bestuurder heeft in de afgelopen periode het bedrag van EUR 120.000 aan de boedel voldaan."

2.15.

Het faillissement van H’lem Afbouw is na vereenvoudigde afwikkeling op 21 februari 2018 opgeheven. Uit de slotuitkeringslijst volgt dat de concurrente crediteuren geen uitkering uit het faillissement hebben ontvangen.

2.16.

Bij vonnis van 13 september 2018 heeft de Voorzieningenrechter van deze rechtbank de curator bevolen – kort samengevat – aan Bolle en Zoon c.s. kopieën te verstrekken van de (financiële) administratie van H'lem Afbouw voor zover die door de accountant is beoordeeld in het kader van het onderzoek van de curator naar de oorzaak van het faillissement. Bolle en Zoon c.s. hebben die administratie vervolgens laten beoordelen door Contaxus Belastingadviseurs & Accountants (hierna: Contaxus). Die administratie omvat alle administratie die als bijlage is opgenomen bij het rapport van de accountant van de curator.

2.17.

Contaxus heeft naar aanleiding van haar onderzoek een rapport opgesteld. Dat rapport (gedateerd 5 april 2019) vermeldt als conclusie, voor zover hier van belang:

"Op grond van de ons ter beschikking staande stukken kan de conclusie niet anders luiden dan dat er reeds in het jaar 2015 voorbereidingen zijn getroffen voor het aansturen op het faillissement van H'lem Afbouw B.V. Twee momenten zijn van doorslaggevend belang hiervoor geweest. Het besluit van de directie om het personeel over te hevelen van H'lem Bouw naar H'lem Afbouw en het moment dat de aandelen in Pro Dev B.V. zijn vervreemd. Beide rechtshandelingen hebben plaatsgevonden in 2015 en worden niet verantwoord in de jaarrekening.

In onze optiek is in ieder geval duidelijk dat het vanaf 1 april 2016 niet langer aanvaardbaar zou zijn de onderneming langer voort te zetten. We onderschrijven dan ook de visie van de curator en de accountant die in opdracht van de curator de administratie heeft beoordeeld. (…)

Gelet op de jarenlange ervaring van de heer [gedaagde3] in de bouwbranche is hetgeen gesteld onder "Kolommenbalans januari tot en met augustus 2016", feitelijk een negatieve bruto marge, onverklaarbaar."

2.18.

In aanvulling op de hiervoor onder 2.10 vermelde aansprakelijkstelling door Filippo hebben Bolle en Zoon c.s. bij brief van 7 januari 2019 [gedaagde3] c.s. aansprakelijk gesteld.

3 Het geschil

3.1.

Bolle en Zoon c.s. vorderen na vermindering van eis – samengevat – dat de rechtbank [gedaagde3] c.s. hoofdelijk veroordeelt, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i tot vergoeding aan Bolle van de door Bolle geleden schade, te weten € 666.942,00;

ii tot vergoeding aan Hanbank van de door Hanbank geleden schade, te weten een bedrag van € 22.941,45 en een bedrag van € 507,93;

iii tot vergoeding aan Vernooy van de door Vernooy geleden schade, te weten een bedrag van € 23.948,25 en een bedrag van € 530,35;

iv tot vergoeding aan Basic van de door Basic geleden schade, te weten een bedrag van € 14.708,53 en een bedrag van € 325,77;

v tot vergoeding aan Filippo van de door Filippo geleden schade, te weten een bedrag van € 32.122,04 en een bedrag van € 3.046,40;

vi tot vergoeding aan Bodu van de door Bodu geleden schade, te weten een bedrag van € 8.849,03 en een bedrag van € 196,17;

vii tot betaling van de toepasselijke wettelijke rente (6:119 BW) respectievelijk wetelijke handelsrente (6:119a BW) over elk van die bedragen en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten aan de betreffende crediteur;

viii in de kosten van de procedure inclusief nakosten, die door Bolle en Zoon c.s. per eisende partij zijn gesplitst.

3.2.

Bolle en Zoon c.s. leggen aan hun vorderingen in de eerste plaats ten grondslag dat [gedaagde3] c.s. onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door als (indirecte) bestuurders sinds 2015 voorbereidingen te treffen voor, en aldus "voor te sorteren op", een door hen "georkestreerd" faillissement van H'lem Afbouw. Bij deze handelingen waren zowel Pro Dev als H’lem Bouw sinds 2015 betrokken, zodat alle bestuurders voorsorteerden op het faillissement van H’lem Afbouw en zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Bolle en Zoon c.s. hierdoor geleden schade. [gedaagde3] is aansprakelijk voor het geheel op grond van artikel 2:11 BW.

3.3.

Volgens Bolle en Zoon c.s. hebben [gedaagde3] c.s. verder onrechtmatig jegens hen gehandeld door de activiteiten van H'lem Afbouw niet tijdig vanaf in elk geval 1 april 2016 te staken terwijl het faillissement van H’lem Afbouw toen al was te voorzien. Desalniettemin hebben [gedaagde3] c.s. zelfs na dat moment H'lem Afbouw nog nieuwe verplichtingen aan laten gaan terwijl zij wisten of behoorden te weten dat H'lem Afbouw die nieuwe verplichtingen niet zou (kunnen) nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor door Bolle en Zoon c.s. te lijden schade (Beklamel-criterium). Bovendien hebben [gedaagde3] c.s. nagelaten opdrachten neer te leggen of betrokkenen te waarschuwen zodat de schade kon worden beperkt en hebben zij bewerkstelligd dat H’lem Afbouw haar bestaande contractuele verplichtingen jegens Bolle en Zoon c.s. niet nakwam waardoor eisende partijen schade hebben geleden (tweede categorie Ontvanger/Roelofsen). De door Bolle en Zoon c.s. geleden schade moet door [gedaagde3] c.s. worden vergoed. Zowel Pro Dev als H’lem Bouw hebben als opvolgend bestuurders vanaf 1 april 2016 onrechtmatig gehandeld, zodat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de geleden schade. [gedaagde3] is hiervoor op grond van artikel 2:11 BW aansprakelijk.

3.4.

[gedaagde3] c.s. betwisten dat zij als (indirect) bestuurder onrechtmatig hebben gehandeld jegens Bolle en Zoon c.s. en dat zij als gevolg daarvan schadeplichtig zijn jegens Bolle en Zoon c.s. Verder betwisten zij de omvang van de schade voorzover mocht blijken dat sprake is van enige aansprakelijkheid, alsmede de hoofdelijkheid.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of [gedaagde3] c.s. sinds 2015 het faillissement van H’lem Afbouw georkestreerd hebben en zo ja, of dit betekent dat [gedaagde3] c.s. als (indirecte) bestuurders van H'lem Afbouw onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld. Ter onderbouwing verwijzen Bolle en Zoon c.s. daarbij naar de conclusie van Contaxus in haar rapport van 5 april 2019 zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging

2.17.

De rechtbank overweegt naar aanleiding daarvan als volgt.

4.2.

Zoals uit het rapport van Contaxus blijkt, zijn voor de conclusie van Contaxus dat het faillissement sinds 2015 is georkestreerd twee feiten kennelijk van doorslaggevend belang: ten eerste het besluit van de bestuurders om personeel over te hevelen van H'lem Bouw naar H'lem Afbouw en ten tweede de vervreemding van aandelen van H'lem Afbouw in Pro Dev. [gedaagde3] c.s. betwisten dat het personeel is overgeheveld met het oog op een naderend faillissement van H'lem Afbouw en dat H'lem Afbouw ooit aandeelhouder is geweest van Pro Dev.

4.3.

Na overlegging ter zitting van het aandeelhoudersregister van Pro Dev door [gedaagde3] c.s. hebben Bolle en Zoon c.s. hun stelling dat H'lem Afbouw aandeelhouder van Pro Dev is geweest en op enig moment in 2015 de door haar gehouden aandelen in Pro Dev zou hebben vervreemd niet langer gehandhaafd. Daarmee vervalt één van de twee door Contaxus als "doorslaggevend" bestempelde pijlers van haar conclusie.

4.4.

Wat betreft de andere pijler overweegt de rechtbank dat de overheveling van het personeel van H'lem Bouw naar H'lem Afbouw plaatsvond in 2015. [gedaagde3] c.s. hebben aangegeven dat die overgang plaatsvond om administratieve en bedrijfseconomische redenen in verband met de onder 2.2. vermelde afbouw van werkzaamheden door H'lem Afbouw voor Elan Wonen. Bolle en Zoon c.s. hebben tegenover die verklaring van [gedaagde3] c.s. voor de overname van het personeel in 2015 geen (nadere) feiten gesteld waaruit zou (kunnen) volgen dat op dat moment al sprake was van liquiditeitsproblemen of andere problemen die aannemelijk maken dat overheveling van het personeel was ingegeven door een georkestreerd faillissement van H'lem Afbouw. Evenmin is gebleken dat die overheveling op zichzelf zodanige kosten met zich bracht dat H'lem Afbouw daardoor in de problemen zou kunnen komen of dat [gedaagde3] c.s. anderszins onvoldoende rekening hebben gehouden met de belangen van de crediteuren van H'lem Afbouw door die overheveling van personeel naar H'lem Afbouw te bewerkstelligen.

4.5.

De overige omstandigheden waarnaar Bolle en Zoon c.s. hebben verwezen met een beroep op het rapport van Contaxus ter onderbouwing van de conclusie dat [gedaagde3] c.s. al sinds 2015 hebben voorgesorteerd op een faillissement van H'lem Afbouw kunnen verder onbesproken blijven. Die omstandigheden zijn immers volgens datzelfde rapport van Contaxus niet doorslaggevend voor die conclusie.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Bolle en Zoon c.s. er niet in zijn geslaagd hun stelling voldoende te onderbouwen, dat [gedaagde3] c.s. sinds 2015 voorbereidingen hebben getroffen voor het door hen "georkestreerde" faillissement van H'lem Afbouw.

4.7.

De rechtbank komt daarmee toe aan de volgende vraag die partijen verdeeld houdt, te weten of de handelwijze van [gedaagde3] c.s. na 1 april 2016 onrechtmatig is geweest jegens Bolle en Zoon c.s. op grond van de normen zoals geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, NJ 2006, 559 (Ontvanger/Roelofsen). De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

4.8.

Uit dat arrest volgt dat in geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering naast aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag volgens de Hoge Raad in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor de onder (i) bedoelde gevallen geldt dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

4.9.

Volgens Bolle en Zoon c.s. is de handelwijze van [gedaagde3] c.s. voorafgaand aan het faillissement onrechtmatig geweest jegens Bolle en Zoon c.s. op grond van beide hiervoor weergegeven criteria voor bestuurdersaansprakelijkheid. Voor dat oordeel is volgens hen doorslaggevend, dat voor [gedaagde3] c.s. in ieder geval vanaf 1 april 2016 duidelijk was dat het faillissement van H'lem Afbouw onafwendbaar was en dat het op dat moment dus niet langer aanvaardbaar was dat de onderneming van H'lem Afbouw werd voortgezet en nieuwe verplichtingen werden aangegaan. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4.10.

Voor het antwoord op de vraag of voor [gedaagde3] c.s. in ieder geval vanaf 1 april 2016 duidelijk was dat het faillissement van H'lem Afbouw onafwendbaar was, is de liquiditeitsprognose relevant. Concreet is in dit geval relevant op welke inkomstenbronnen van H'lem Afbouw [gedaagde3] c.s. mochten rekenen in die periode. [gedaagde3] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat er andere inkomstenbronnen van betekenis waren of dat zij mochten verwachten dat die er zouden komen, dan de geldstromen die uit het project kwamen. [gedaagde3] heeft weliswaar gewezen op inkomsten uit werkzaamheden voor Dille en Kamille en Elan Wonen, maar hij heeft deze stelling niet van bedragen voorzien en ook overigens op geen enkele manier concreet onderbouwd. De rechtbank kan dan ook niet anders dan als uitgangspunt aanhouden de stelling van Bolle en Zoon c.s. dat de betalingen door Bolle voor de werkzaamheden binnen het project cruciaal waren voor (een inschatting door [gedaagde3] c.s. van) de liquiditeit binnen H’lem Afbouw.

4.11.

Gelet op dat uitgangspunt en mede in het licht van de in het rapport van Contaxus beschreven "onverklaarbare" liquiditeitskrapte van H'lem Afbouw in de periode januari tot en met augustus 2016, hebben [gedaagde3] c.s. de stelling van Bolle en Zoon c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist die inhoudt dat het al (ruim) voor de bouwvakantie voorzienbaar was dat een faillissement onafwendbaar was, zodat dit vaststaat. Het had op de weg van [gedaagde3] c.s. gelegen om in het kader van die betwisting een aannemelijke verklaring te geven waarom ondanks de slechte liquiditeitspositie de voortzetting van de onderneming tot na de bouwvakantie gerechtvaardigd was. Die verklaring ontbreekt.

4.12.

De vraag is dan op welk moment vóór de bouwvakantie voor Pro Dev duidelijk moet zijn geweest dat ernstige liquiditeitsproblemen zouden ontstaan voor H'lem Afbouw.

4.13.

Anders dan Bolle en Zoon c.s. hebben gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat voor [gedaagde3] c.s. al op 1 april 2016 duidelijk moet zijn geweest of behoorde te zijn, dat H'lem Afbouw met zodanige ernstige liquiditeitsproblemen te maken had dat een faillissement onafwendbaar was. Bolle en Zoon c.s. hebben die stelling onvoldoende met concrete feiten onderbouwd en beroepen zich daarvoor slechts op de evenmin met concrete feiten onderbouwde conclusies van Contaxus en de accountant van de curator. De door Bolle en Zoon c.s. gestelde datum van 1 april 2016 komt daarom niet in aanmerking als peildatum.

4.14.

Het door Bolle en Zoon c.s. ingenomen standpunt brengt mee dat de rechtbank vervolgens dient te onderzoeken op welk (na 1 april gelegen) moment in de periode voor de bouwvakantie duidelijk moet zijn geweest voor Pro Dev dat H'lem Afbouw met zodanige ernstige liquiditeitsproblemen te maken had dat (zonder een kapitaalsinjectie) een faillissement onafwendbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank is dat moment gelegen op 3 juni 2016. De rechtbank komt tot die peildatum op basis van de volgende overwegingen.

4.15.

Sinds in elk geval 2 maart 2016 was sprake van een vertraging in het project van (toen) drie maanden waardoor de door H’lem Afbouw gefactureerde termijnen 9 en 10 door Bolle werden afgekeurd. Er werd in 2016 immers gefactureerd en betaald naar de stand van het werk en de stand van het werk rechtvaardigde de uitbetaling van deze termijnen toen niet. Ter zitting heeft [gedaagde3] verklaard dat deze vertraging in het project het noodzakelijk maakte dat het aantal personeelsleden en de werkzaamheden van de onderaannemers moesten worden teruggebracht. Kennelijk was er dus in maart 2016 onvoldoende liquiditeit om de ontstane vertraging zonder maatregelen op te vangen. Ter zitting heeft [gedaagde3] verder verklaard dat de betalingen desondanks tot april 2016 correct zijn geweest, hetgeen impliceert dat dit na april 2016 veranderde. Mr. Loor heeft voor [gedaagde3] c.s. ter zitting verklaard dat H’lem Afbouw tot juni 2016 voldoende liquide middelen had om aan haar verplichtingen te voldoen en dat blijkens de bouwvergadering op 3 juni 2016 ook de termijnfactuur 9a van € 75.000,- door Bolle werd geaccordeerd en voldaan. Dit is echter kennelijk het enige bedrag geweest dat na maart 2016 door Bolle in verband met het project is betaald aan H’lem Afbouw. [gedaagde3] c.s. hebben niet inzichtelijk gemaakt of onderbouwd waarom dit bedrag voldoende zou zijn om aan de betalingsverplichtingen uit lopende en nieuwe opdrachten te kunnen (blijven) voldoen. Dit klemt te meer omdat door [gedaagde3] ook ter zitting is verklaard dat de door hem gestelde (en overigens door Bolle betwiste) meerwerkpost binnen het project van € 120.000,- niet voldoende was om het gat te vullen. Evenmin hebben [gedaagde3] c.s. aangevoerd dat er zicht was op andere inkomsten. [gedaagde3] had bovendien geen bankfinanciering en wilde de onderneming zelf niet verder financieren. Er was dus op 3 juni 2016 sprake van zeer ernstige liquiditeitskrapte en (nagenoeg) volledige afhankelijkheid van inkomsten uit het project. Tijdens dezelfde bouwvergadering op 3 juni 2016 werd bovendien duidelijk dat het project gedurende de bouwvakantie in de periode 25 juli tot en met 19 augustus 2016 tenminste drie weken stil zou liggen. Ook het schema voor de toekomstige betalingen in verband met het project was op dat moment duidelijk voor Pro Dev: afgezien van termijn 9a zouden er tot na de bouwvakantie geen nieuwe termijnbetalingen meer volgen uit het project. Ten aanzien van de kosten waarmee Pro Dev op dat moment rekening moest houden, hebben [gedaagde3] c.s. als verweer aangevoerd dat tijdens de bouwvakantie toch geen facturen zouden binnenkomen, maar dat er onverwacht toen toch facturen binnenkwamen. Dat verweer gaat echter niet op: de onbetaald gelaten facturen van crediteuren van H'lem Afbouw dateerden immers al van vóór 3 juni 2016 en daarmee van ver voor de bouwvakantie zoals door Bolle en Zoon c.s. onderbouwd is gesteld. Ook is in dit verband van belang dat [gedaagde3] niet of onvoldoende betwist dat de bedrijfsvoering van H'lem Afbouw voorspelbaar was, zoals Bolle en Zoon c.s. hebben gesteld, zodat ook dit vaststaat. Ten slotte is relevant dat niet gesteld of gebleken is dat H’lem Afbouw over activa beschikte waarop verhaal mogelijk was. Ten slotte is relevant dat niet gesteld of gebleken is dat H’lem Afbouw over (andere) activa beschikte waarop verhaal mogelijk was.

4.16.

De in punt 4.15 genoemde omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat vanaf 3 juni 2016 duidelijk was dat er onvoldoende financiële middelen waren om lopende en nieuwe verplichtingen te voldoen en dat het faillissement van H’lem Afbouw onafwendbaar was. Niet gesteld of gebleken is dat H’lem Afbouw (althans haar opvolgende bestuurders) met een reddingsplan bezig was of anderszins mogelijkheden onderzocht om uit de financiële problemen te komen. Zo is kennelijk geen enkel overleg gezocht met Bolle en Zoon c.s. of derden. Het enige dat nadien wel is gebeurd, is dat de kapitaalkrachtige bestuurder Pro Dev per 22 juli 2016 heeft plaatsgemaakt voor H’lem Bouw, een sinds 2015 een nagenoeg lege vennootschap. Ook is per die datum de statutaire naam gewijzigd. Voor Pro Dev moet daarom vanaf 3 juni 2016 en voor H'lem Bouw vanaf 22 juli 2016 duidelijk zijn geweest, althans behoorde voor hen duidelijk te zijn, dat H'lem Afbouw bestaande of nieuwe verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit geldt voor de gehele periode ook voor [gedaagde3] op grond van artikel 2:11 BW, als bestuurder van zowel Pro Dev als H’lem Bouw.

4.17.

Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde3] en Pro Dev vanaf 3 juni 2016 en H'lem Afbouw vanaf 22 juli 2016 onrechtmatig hebben gehandeld jegens Bolle en Zoon c.s. voor zover H'lem Afbouw na die datum nog nieuwe verplichtingen is aangegaan jegens Bolle en Zoon c.s. en voor zover zij na die datum Bolle en Zoon c.s. niet hebben gewaarschuwd dat H'lem Afbouw haar bestaande verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou kunnen bieden voor eventuele schade als gevolg daarvan. Gelet op hetgeen Pro Dev respectievelijk H'lem Bouw wisten of behoorden te weten met ingang van 3 juni 2016 levert die handelwijze ook een zodanig ernstig verwijt op jegens hen dat zij daardoor aansprakelijk zijn voor de schade die Bolle en Zoon c.s. als gevolg daarvan hebben geleden. Ten aanzien van Bolle geldt dat de verplichtingen ten aanzien van het project al in 2015 zijn aangegaan en dat ten aanzien daarvan geen nieuwe verplichting is aangegaan vanaf 3 juni 2016.

4.18.

De vraag is vervolgens welke schade Bolle en Zoon c.s. hierdoor hebben geleden. Ter terechtzitting hebben Bolle en Zoon c.s. gesteld dat de onderaannemers Hanbank, Vernooy, Basic, en Bodu werden ingeschakeld door H'lem Afbouw ongeveer een week voordat hun werkzaamheden verricht moesten worden en dat ook pas op dat moment voor hen de verplichting ontstond om die werkzaamheden te verrichten en voor H'lem Afbouw om daarvoor de afgesproken prijs te betalen. [gedaagde3] heeft daartegen weliswaar aangevoerd dat aan dat moment altijd uitgebreide besprekingen voorafgingen, maar hij heeft niet of onvoldoende betwist dat de verplichting van de onderaannemers tot het verrichten van de werkzaamheden en van H'lem Afbouw tot het betalen van de daarvoor overeengekomen prijs ontstond ongeveer een week voordat die werkzaamheden werden uitgevoerd, zodat dit vaststaat.

4.19.

Gelet op de hiervoor vastgestelde peildatum van 3 juni 2016 brengt dit mee dat [gedaagde3] c.s. in ieder geval niet aansprakelijk zijn voor schade in verband met onbetaald gebleven facturen die dateren uit de periode vóór 3 juni 2016. De facturen van Bolle en Zoon c.s. in de periode daarna dateren van 15 juni 2016 en later. Voor de vorderingen van Hanbank, Vernooy, Basic, en Bodu betekent dit concreet dat al hun vorderingen toewijsbaar zijn voor zover die gebaseerd zijn op facturen met een datum van 15 juni 2016 of later. Uit het hiervoor genoemde ontstaansmoment van de verplichting tot het verrichten van de werkzaamheden die aan de facturen ten grondslag liggen (ongeveer een week voordat die werkzaamheden werden uitgevoerd) volgt immers, in samenhang met de uitvoeringsdatum van die werkzaamheden, dat de opdracht voor die werkzaamheden ná 3 juni 2015 door H’lem Afbouw moet zijn verstrekt. Ten aanzien van Hanbank zijn dat de facturen van 16 juni, 5 juli en 14 juli 2016 (totaalbedrag: € 7.918,44), ten aanzien van Vernooy de facturen van 15 juni, 12 juli, 18 juli en 25 juli 2016 (totaalbedrag: € 23.948,25), ten aanzien van Basic de facturen van 30 juni 2016, 7 juli 2016, 13 juli 2016, 21 juli 2016 en 1 september 2016 (totaalbedrag: € 11.643,98) en ten aanzien van Bodu de factuur van 24 juni 2016 (€ 375,-).

4.20.

De door Filippo gevorderde hoofdsom is toewijsbaar voor zover die gegrond is op door H'lem Afbouw verschuldigde bedragen in verband met de levering van bouwmaterialen vanaf 3 juni 2016. De verplichting tot betaling van de koopprijs in verband met die leveringen ontstond immers in die periode telkens op het moment van levering, zo heeft Filippo onbetwist gesteld. Uit het door Filippo als productie 29 overgelegde overzicht blijkt dat het totaalbedrag van de onbetaald gebleven facturen van Filippo in verband met de levering van bouwmaterialen vanaf 3 juni 2016 € 38.867,67 bedraagt op basis van facturen met een datum van 15 juni 2016 en later. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het door Filippo gevorderde lagere bedrag ter grootte van € 32.122,04 daarom toewijsbaar.

4.21.

Bolle en Zoon c.s. stellen zich op het standpunt dat [gedaagde3] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hiervoor in 4.19 en 4.20 genoemde schade van Hanbank, Vernooy, Basic, Bodu en Filippo. [gedaagde3] c.s. betwisten de hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4.22.

Anders dan Bolle en Zoon c.s. stellen ontbreekt een grondslag voor hoofdelijke aansprakelijkheid van Pro Dev en H'lem Bouw. Uit hetgeen hiervoor in 4.17 is overwogen volgt immers dat ieder van deze twee bestuurders van H'lem Afbouw als bestuurder slechts aansprakelijk is voor het onbetaald blijven van facturen van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu in de periode dat zij bestuurder was van H'lem Afbouw. Pro Dev en H'lem Bouw zijn met andere woorden niet aansprakelijk voor dezelfde schade. Hoofdelijke aansprakelijkheid zou volgens Bolle en Zoon c.s. ook voortvloeien uit de omstandigheid dat sprake is geweest van voorsorteren op het faillissement van H'lem Afbouw waarbij zowel Pro Dev als H'lem Bouw al in 2015 betrokken waren. Dat laatste is echter, zoals hiervoor in 4.6 overwogen, niet komen vast te staan. De conclusie moet dan ook zijn dat niet gebleken is van feiten en omstandigheden waaruit voortvloeit dat Pro Dev en H'lem Bouw hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in 4.19 en 4.20 beschreven schade van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu.

4.23.

Gelet op zijn positie als bestuurder van zowel Pro Dev als H'lem Bouw gedurende de gehele periode waarin Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu schade hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige handelwijze van Pro Dev en vervolgens H'lem Bouw is [gedaagde3] wel hoofdelijk aansprakelijk voor zowel de onrechtmatige handelwijze van Pro Dev als voor de onrechtmatige handelwijze van H'lem Bouw op grond van het bepaalde in artikel 2:11 BW.

4.24.

[gedaagde3] c.s. hebben ook nog aangevoerd dat, voor zover al sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, de formulering van de vordering van Bolle en Zoon c.s. kan meebrengen dat indien één van de bestuurders een bedrag zou betalen aan één van de eisers, de andere bestuurders nog altijd voor het volledig toegewezen schadebedrag zouden kunnen worden aangesproken. Uit art. 6:7 lid 2 BW volgt weliswaar vanzelf al dat betaling door de ene hoofdelijke schuldenaar de andere zal bevrijden tot het bedrag van de betaling, maar ter vermijding van misverstand op dit punt zal de rechtbank dit met zoveel woorden ook in het dictum van dit vonnis vermelden.

4.25.

Deze conclusie over de hoofdelijkheid leidt, in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen over de aansprakelijkheid van [gedaagde3] c.s. jegens Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu voor de door elk van deze partijen geleden schade, tot de conclusie dat Pro Dev en [gedaagde3] samen hoofdelijk zullen worden veroordeeld voor vergoeding van de schade die het gevolg is van de in 4.19 en 4.20 genoemde onbetaalde facturen van deze partijen die dateren uit de periode van 15 juni 2016 tot en met 21 juli 2016. H'lem Bouw en [gedaagde3] zullen hoofdelijk worden veroordeeld voor vergoeding van de schade die Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu hebben geleden als gevolg van de in 4.19 en 4.20 genoemde onbetaalde facturen van deze partijen gedateerd na 22 juli 2016. Voor de bedragen die per gedaagde verschuldigd zijn, verwijst de rechtbank naar het hierna in punt 4.27 opgenomen overzicht.

4.26.

Wat betreft de gevorderde rente over de toegewezen schadevorderingen van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank zal alleen de gevorderde wettelijke rente toewijzen en niet de (hogere) handelsrente omdat de toegewezen hoofdsommen vorderingen uit onrechtmatige daad betreffen. [gedaagde3] c.s. hebben de door hen gestelde schade in verband met verschuldigde rente over de gevorderde hoofdsommen, niet betwist. Als ingangsdatum van de verschuldigde rente over de gevorderde hoofdsommen, knopen Hanbank, Vernooy, Basic en Bodu aan bij de vervaldata van de niet betaalde facturen, zijnde het ontstaansmoment van de schade. De door Hanbank, Vernooy, Basic en Bodu aldus gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen hoofdsommen zal daarom worden toegewezen als verzocht, waarbij de in punt 8.34 van de dagvaarding genoemde vervaldata van de factuurdata in het dictum van dit vonnis zullen worden vermeld, met dien verstande dat ten aanzien van Filippo onduidelijk is hoe de door haar gevorderde totale hoofdsom (€ 32.122,04) zich verhoudt tot de facturen genoemd in het door haar als productie 29 overgelegde overzicht van openstaande facturen en daarmee samenhangende vervaldata. Voor zover Filippo bij de ingangsdatum uitgaat van een termijn van 30 dagen na het afhalen van het bouwmateriaal, oordeelt de rechtbank dat de ingangsdatum daarmee onvoldoende bepaalbaar is, omdat onduidelijk is wanneer het bouwmateriaal is afgehaald. Voor de datum van verzuim en de berekening van de verschuldigde rente over door Pro Dev en H'lem Bouw te vergoeden hoofdsommen gaat de rechtbank daarom ten aanzien van Filippo uit van de datum van de dagvaarding. Bodu vordert rente vanaf 24 juni 2016, maar dat is de datum van de facturen, die een betalingstermijn van 30 dagen kennen. Daarom zal de rechtbank als ingangsdatum van de verschuldigde rente de datum 24 juli 2016 aanhouden. Voor de toegewezen hoofdsommen en de ingangsdata van de daarover verschuldigde rente, verwijst de rechtbank naar het hierna in punt 4.27 opgenomen overzicht.

4.27.

De rechtbank zal voor wat betreft Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist de bedragen toewijzen die in onderstaand schema staan opgenomen en daarbij Pro Dev en [gedaagde3] hoofdelijk dan wel H’lem Bouw en [gedaagde3] hoofdelijk veroordelen tot betaling daarvan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de in het schema opgenomen ingangsdatum:

4.28.

Met betrekking tot de door Bolle gevorderde schade overweegt de rechtbank als volgt.

4.29.

Bolle onderbouwt zijn schade in de eerste plaats door te stellen dat H'lem Afbouw in strijd met de afspraken facturen heeft gestuurd voor werk dat nog niet door H'lem Afbouw was verricht. Ter onderbouwing van die stelling beroepen Bolle en Zoon c.s, zich op een verklaring van Froscen dat hij heeft geconstateerd dat H'lem Afbouw 66% van haar opdracht had uitgevoerd ten tijde van het faillissement op 6 september 2016. Als gevolg daarvan zou Bolle een bedrag van € 213.767,20 onverschuldigd hebben betaald aan H'lem Afbouw.

4.30.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet komen vast te staan dat sprake is geweest van facturering door H'lem Afbouw voor werk dat nog niet was verricht. De enkele stelling van Bolle dat Froscen heeft geconstateerd dat H'lem Afbouw slechts 66% van haar opdracht had uitgevoerd ten tijde van het faillissement op 6 september 2016 is door [gedaagde3] c.s. betwist en door Bolle en Zoon c.s. op geen enkele wijze nader onderbouwd. Dat sprake zou zijn geweest van facturering voor werk dat nog niet was verricht is bovendien ook niet aannemelijk. Nadat Froscen immers op 2 maart 2016 nog had aangegeven dat de termijnen even "op hold" stonden "t.o.v. stand van het werk" heeft hij op 3 juni 2016 alsnog akkoord gegeven voor facturering van termijn 9a, terwijl goedkeuring van de betaling van die laatste termijn toch ook afhankelijk moet zijn geweest van de stand van het werk op dat moment. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, is daarom niet te begrijpen waarom achteraf toch sprake kan zijn van betaling door Bolle en Zoon c.s. voor werk dat nog niet was verricht.

4.31.

Ten aanzien van de door Bolle gestelde schade in verband met de kosten van de afbouw van het project na het faillissement van H'lem Afbouw geldt dat Bolle ook kosten zou hebben gemaakt voor de afbouw als H'lem Afbouw al per 3 juni 2016 failliet zou zijn gegaan of vanaf die datum Bolle zou hebben gewaarschuwd voor een naderend faillissement. Bovendien brengt de enkele omstandigheid dat een onderneming failliet gaat niet automatisch mee dat de bestuurder daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt op grond waarvan die bestuurder aansprakelijk is voor de schade als gevolg van dat faillissement. Voor dergelijke aansprakelijkheid is meer nodig, zoals hiervoor onder 4.8 uiteengezet. Een grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagde3] c.s. voor de door Bolle en Zoon c.s. gestelde kosten van afbouw van het project ontbreekt.

4.32.

De conclusie moet daarom zijn dat de vorderingen van Bolle moeten worden afgewezen, waaronder ook diens nevenvorderingen.

4.33.

De door Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu gevorderde bedragen als vergoeding van de kosten ad € 6.050,- gemaakt in verband met het door Contaxus opgestelde rapport zullen worden toegewezen. Deze kosten kwalificeren als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96 lid 2 sub b BW). Dat laatste is weliswaar door [gedaagde3] c.s. betwist, maar die betwisting is onvoldoende gemotiveerd onderbouwd. In punt 8.33 van de dagvaarding hebben Bolle en Zoon c.s. uiteengezet hoe deze kostenpost onderling is voldaan, waarbij zij de hierbij aangehouden percentages per eisende partij hebben opgesomd. De rechtbank houdt die onderlinge verdeling aan, ook nu Bolle als partij wegvalt gelet op de conclusie in punt 4.32 (diens aandeel in deze kosten was 67,58%), omdat de andere partijen alleen voor de door hen genoemde percentages zijn omgeslagen in deze kosten. Het bedrag van € 6.050,- minus € 4.088,59 (aandeel Bolle), te weten € 1.961,41 wordt daarom toegewezen als volgt:

Hanbank 7,25 % ad € 438,63

Vernooy 7,57 % ad € 457,99

Basic 4,65 % ad € 281,33

Filippo 10,15 % ad € 614,08

Bodu 2,80 % ad € 169,40.

4.34.

Bolle en Zoon c.s. vorderen verder vergoeding van door hen gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ad € 955,90 inclusief btw als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder c BW in verband met de aansprakelijkstelling van de bestuurders bij brief van 7 januari 2019. Zij baseren die vordering op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Hun vorderingen zijn echter gebaseerd op onrechtmatige daad en hebben daarom geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal (hierna: Rapport Voor-werk II). Daarvan uitgaande stelt de rechtbank vast dat Bolle en Zoon c.s. voldoende hebben gesteld en onderbouwd dat met de aansprakelijkstelling van de bestuurders bij brief van 7 januari 2019 buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht waarvoor kosten zijn gemaakt die zij naar rato van hun vorderingen moeten dragen. De vordering van Bolle wordt echter afgewezen, zodat dit ook geldt voor deze nevenvordering. De hoogte van de door Hanbank, Vernooy, Basic en Bodu gevorderde vergoeding voor die buitengerechtelijke kosten (gebaseerd op de aansprakelijkstelling in de brief van 7 januari 2019) is vermeerderd met btw. De gevorderde btw is niet toewijsbaar omdat niet is gesteld dat de genoemde eisende partijen geen onderneming zijn in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht hebben. Het gevorderde bedrag exclusief btw beslaat € 790,-. Dit bedrag is lager dan het tarief dat volgens het Besluit BIK van toepassing is en wordt daarom geacht redelijk te zijn. De daarop betrekking hebbende vorderingen van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu zijn daarom in zoverre toewijsbaar, waarbij zij (en daarmee ook de rechtbank) wat betreft hun onderlinge verdeling de percentages aanhouden zoals die in punt 4.33 genoemd staan. De bijdrage van Bolle in deze kosten is volgens eigen opgave een percentage van 67,58% zodat voor de overige eisende partijen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten resteert van € 256,12. Daarmee komt de rechtbank tot de volgende toe te wijzen bedragen:

Hanbank 7,25% € 57,28

Vernooy 7,57% € 59,80

Basic 4,65% € 36,74

Filippo 10,15% € 80,19 (waarbij echter het hierna volgende geldt)

Bodu 2,80% € 22,12

4.35.

De hoogte van de door Filippo gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten beslaat nog een extra bedrag van € 2.335,30 in verband met de aansprakelijkheidstelling bij brief van 16 september 2016 die alleen namens Filippo is uitgebracht. Daarmee komt het totale bedrag dat Filippo vordert aan buitengerechtelijke incassokosten op € 2.415,49 (te weten: € 2.335,30 vermeerderd met € 80,19). De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten is slechts toewijsbaar, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. Hierbij is de staffel van het Besluit BIK van toepassing. De vordering van Filippo gaat het in dit besluit gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven. Uit de stellingen van Filippo kan niet worden afgeleid dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door Filippo gemaakte kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt, voor zover zij het forfaitaire tarief overschrijden. De vordering van Filippo ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten zal derhalve worden toegewezen tot het forfaitaire bedrag van

€ 1.096,22 omdat haar kosten tot dit bedrag geacht worden redelijk te zijn en waarin het eerder genoemde bedrag van € 80,19 al is opgenomen.

4.36.

Het voorgaande vanaf punt 4.31 brengt mee dat de door Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu gevorderde bedragen als vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en de buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen als volgt: .

Hanbank € 438,63 + € 57,28 = € 495,91

Vernooy € 457,99 + € 59,80 = € 517,79

Basic € 281,33 + € 36,74 = € 318,07

Filippo € 614,08 + € 1.158,00 = € 1.772,08

Bodu € 169,40 + € 22,12 = € 191,52

[gedaagde3] c.s. zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van deze bedragen, voor zover zij een bedrag aan hoofdsom verschuldigd zijn.

4.37.

Wat betreft de gevorderde rente over deze kosten overweegt de rechtbank als volgt. Voor de datum van verzuim met betrekking tot betaling van de in art. 6:96 lid 2 onder b en onder c BW bedoelde kosten gaat de rechtbank uit van de datum van de dagvaarding, omdat Bolle en Zoon c.s. niets hebben gesteld over het moment waarop de facturen door hen zijn betaald die op die kosten betrekking hebben.

4.38.

[gedaagde3] c.s. zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu, tot op heden aan de zijde van die partijen gezamenlijk begroot op (waarbij voor het liquidatietarief aansluiting is gezocht bij het toegewezen deel van de gevorderde hoofdsom):

- griffierecht € 4.030,00

- dagvaarding € 92,66

- salaris advocaat: € 2.148,00

Totaal € 6.270,66

De gevorderde nakosten te vermeerderen met rente worden toegewezen, zoals hierna wordt bepaald.

4.39.

Omdat alle eisende partijen dezelfde grondslagen hebben aangevoerd en een gezamenlijke advocaat hadden, zal geen proceskostenveroordeling ten voordele van [gedaagde3] c.s. worden uitgesproken in verband met de afwijzing van de vorderingen van Bolle en worden die kosten begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Pro Dev en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Hanbank van de door Hanbank geleden schade tot een bedrag van € 8.414,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te berekenen over € 262,50 vanaf 1 juli 2016, over € 7.309,20 vanaf 20 juli 2016 en over € 346,74 vanaf 29 juli 2016 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 495,91 vanaf 17 juli 2019;

5.2.

veroordeelt Pro Dev en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Vernooy van de door Vernooy geleden schade tot een bedrag van € 23.181,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te berekenen over € 3.643,- vanaf 29 juni 2016, over € 7.000,- vanaf 26 juli 2016 en over € 12.538,74 vanaf 1 augustus 2016;

5.3.

veroordeelt H'lem Bouw en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Vernooy van de door Vernooy geleden schade tot een bedrag van € 766,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 8 augustus 2016;

5.4.

veroordeelt [gedaagde3] c.s. hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot betaling aan Vernooy van € 517,79, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 juli 2019;

5.5.

veroordeelt Pro Dev en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Basic van de door Basic geleden schade tot een bedrag van € 8.898,98, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te berekenen over € 2.571,95 vanaf 30 juli 2016, over € 2.466,68,-- vanaf 6 augustus 2016, over € 2.160,25 vanaf 12 augustus 2016 en over € 1.700,10 vanaf 20 augustus 2016;

5.6.

veroordeelt H'lem Bouw en [gedaagde3] hoofdelijk tot vergoeding aan Basic van de door Basic geleden schade tot een bedrag van € 2.745,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 oktober 2016;

5.7.

veroordeelt [gedaagde3] c.s. hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot betaling aan Basic van € 318,07, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 juli 2019;

5.8.

veroordeelt Pro Dev en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Filippo van de door Filippo geleden schade tot een bedrag van € 26.379,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 17 juli 2019;

5.9.

veroordeelt H'lem Bouw en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Filippo van de door Filippo geleden schade tot een bedrag van € 5.742,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 17 juli 2019;

5.10.

veroordeelt [gedaagde3] c.s. hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot betaling aan Filippo van € 1.772,08, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 juli 2019;

5.11.

veroordeelt Pro Dev en [gedaagde3] hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) tot vergoeding aan Bodu van de door Bodu geleden schade tot een bedrag van € 566,52, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW te berekenen over € 375,-- vanaf 24 juli 2016 en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over € 191,52 vanaf 17 juli 2019;

5.12.

veroordeelt [gedaagde3] c.s. hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) in de proceskosten, aan de zijde van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu gezamenlijk begroot op € 6.270,66,-;

5.13.

veroordeelt [gedaagde3] c.s. hoofdelijk (waarbij betaling door de éne schuldenaar zal leiden tot bevrijding van de andere schuldenaar tot het bedrag van de betaling) in de na dit vonnis ontstane kosten aan de zijde van Hanbank, Vernooy, Basic, Filippo en Bodu, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde3] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.14.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.15.

veroordeelt Bolle in de proceskosten van [gedaagde3] c.s., die worden begroot op nihil;

5.16.

wijst het door Bolle en Zoon c.s. overigens of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Korteweg, mr. M. Wouters en mr. M.C.J. Lommen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.1

1 type: coll: