Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2020:4358

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
15/047350-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplegging ISD maatregel, vordering TUL afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/047350-20 en 15/045607-18 (TUL) (P)

Uitspraakdatum: 16 juni 2020

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

2 juni 2020 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] ,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Hagemeier en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 februari 2020 te Alkmaar een jas (van het merk Zara), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Beoordeling van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. Namens verdachte is aangevoerd dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , d.d. 22 februari 2020 (doorgenummerde dossierpagina 11-12).

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 22 februari 2020 te Alkmaar een jas (van het merk Zara), toebehorende aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de maatregel

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar zal worden opgelegd.

6.2

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter zitting benadrukt dat hij geen ISD-maatregel wil krijgen omdat hij graag zijn huis wil behouden. Namens verdachte is verzocht om de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen met daarnaast een gevangenisstraf die de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet overtreft. Als de rechtbank wel tot oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel komt, wordt verzocht de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis in mindering te brengen op de duur van de maatregel en een tussentijdse toetsing van de maatregel te gelasten.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een jas uit een café en op die manier overlast veroorzaakt.

Uittreksel Justitiële documentatie

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op zijn naam staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 mei 2020, waar uit blijkt van veelvuldige veroordelingen wegens misdrijven. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf (waaronder vermogensdelicten) onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf.

Reclasseringsrapportage

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een met redenen omkleed rapport over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel ten aanzien van verdachte, gedateerd 26 mei 2020, opgemaakt en ondertekend door [reclasseringswerker] , als reclasseringswerker verbonden aan GGZ Fivoor Haarlem, waarin wordt geadviseerd om een ISD-maatregel aan verdachte op te leggen.

De reclassering constateert dat bij verdachte sprake is van alcoholafhankelijkheid die in relatie staat tot zijn delictgedrag. Voorts is bij verdachte een verstandelijke beperking vastgesteld. Ondanks ambulante behandeling en begeleiding lukt het verdachte niet abstinentie te realiseren en een delict- en middelenvrij bestaan op te bouwen. Sinds 2018 wordt getracht verdachte te begeleiden naar een passende woonvorm. Verdachte lijkt echter niet in staat om afspraken na te komen en lijkt niet in te zien wat voor consequenties dat heeft. Aanvullend diagnostisch onderzoek is noodzakelijk om onderzoek te doen naar de (on)mogelijkheden van verdachte. Zo kan dan bepaald worden wat het meest passend is ten aanzien van behandeling en aansluitende begeleiding en plaatsing in een geschikte woonvorm.

De reclassering schat het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden

hoog in. Een langdurig traject is nodig en biedt verdachte de beste kans om een adequate invulling te geven aan een plan van aanpak waarbij de gewenste gedragsverandering kan worden nagestreefd en daarmee het risico op recidive kan worden verlaagd. In de visie van de reclassering kan dit het beste plaatsvinden binnen het kader van een onvoorwaardelijke ISD maatregel. Verdachte is dan langere tijd abstinent, wat de uitkomsten van diagnostisch onderzoek betrouwbaarder maken. Tevens zorgt het kader van een ISD maatregel er voor dat er direct kan worden ingegrepen bij het niet nakomen van de voorwaarden. Dit is binnen een voorwaardelijk kader niet mogelijk.

Opleggen ISD-maatregel

Op basis van voornoemd rapport concludeert de rechtbank dat het plegen van strafbare feiten door verdachte samenhangt met verslavingsproblematiek en mogelijk met andere (psychiatrische) problematiek, waarbij tevens de verstandelijke beperking van verdachte een rol speelt.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren dient te worden opgelegd, nu het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte in de afgelopen vijf jaren driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, onderhavig feit is begaan na tenuitvoerlegging hiervan, er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Teneinde de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht. De rechtbank ziet – nu de raadsvrouw enkel een niet-onderbouwd verzoek daartoe heeft gedaan – geen aanleiding te bepalen dat na één jaar een tussentijdse toetsing van de noodzaak tot voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient plaats te vinden.

7 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 15 mei 2018 in de zaak met parketnummer 15/045607-18 heeft de politierechter in deze rechtbank verdachte ter zake van diefstal en het wederrechtelijk binnendringen in een besloten lokaal dat bij een ander in gebruik is, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 1 juni 2018 aan verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 29 mei 2018 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd. Het Openbaar Ministerie heeft een vordering ingediend, inhoudende dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

Ter zitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot afwijzing van de vordering. Ook namens verdachte is bepleit de vordering af te wijzen.

De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank acht het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet aangewezen, nu de ISD-maatregel wordt opgelegd en het onwenselijk is dat door de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf het ISD-traject wordt doorkruist.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

De artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 mei 2018 door de politierechter in deze rechtbank in de zaak met parketnummer 15/045607-18 opgelegde voorwaardelijke straf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Allegro, voorzitter,

mr. M.S. Lamboo en mr. N. Boots, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. de Graag,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juni 2020.